Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:5882

Instantie
Raad van State
Datum
2026-10-07
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
BRS.26.004884
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
3.240 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 26 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

05Kern

Materiële kern

BRS.26.004884 en BRS.26.004885 ECLI:NL:RVS:2026:5882 Datum uitspraak: 7 oktober 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 8 september 2026 in zaak nr. NL25.48047 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 26 september 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 8 september 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Appellant werpt in grief 1 de vraag op of de door de minister gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling met toepassing van WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas van appellant niet geloofwaardig is, en de minister daarbij alle relevante aspecten heeft betrokken, leidt de toepassing van WI 2024/6 in het geval van appellant niet tot een onrechtmatig besluit. 2. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over de uitleg van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 3. De grieven van appellant leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift, naast grief 1, geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24). 4. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier. De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. Boon griffier Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026 977

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...