Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:5537

Instantie
Raad van State
Datum
2026-09-16
Procedure
Voorlopige voorziening
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
BRS.26.004812
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
2.380 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 14 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld en de duur van de bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden.

05Kern

Materiële kern

BRS.26.004812 ECLI:NL:RVS:2026:5537 Datum uitspraak: 16 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 27 augustus 2026 in zaak nr. NL26.46806 in het geding tussen: [verzoeker] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 14 augustus 2026 heeft de minister verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld en de duur van de bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden. Bij uitspraak van 27 augustus 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Met het verzoek wil verzoeker voorkomen dat hij wordt uitgezet, terwijl nog niet op het hoger beroep over de vreemdelingenbewaring is beslist. 2. Hoewel verzoeker binnenkort wordt uitgezet, verbiedt de voorzieningenrechter die uitzetting niet. Met wat verzoeker heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in Marokko een reëel risico zal lopen op een door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden onmenselijke of vernederende behandeling. De enkele stelling dat hij in Marokko geen familie of huisvesting heeft, is daarvoor onvoldoende. De voorzieningenrechter neemt verder in aanmerking dat naar voorlopig oordeel niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. 3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier. w.g. Willems voorzieningenrechter w.g. Weber griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026 846

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...