Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:4816

Instantie
Raad van State
Datum
2026-08-20
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
BRS.25.000565
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
2.993 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluiten van 18 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvullend terugkeerbesluit genomen en betrokkene in bewaring gesteld.

05Kern

Materiële kern

BRS.25.000565 ECLI:NL:RVS:2026:4816 Datum uitspraak: 20 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 6 mei 2025 in zaken nrs. NL25.19062 en NL25.19082 in het geding tussen: [appellant] en de minister. Procesverloop Bij besluiten van 18 april 2025 heeft de minister een aanvullend terugkeerbesluit genomen en betrokkene in bewaring gesteld. Bij mondelinge uitspraak van 6 mei 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkene ingestelde beroepen gegrond verklaard, het terugkeerbesluit vernietigd, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D. Matadien, advocaat in Rotterdam heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Op verzoek van de Afdeling hebben de minister en betrokkene gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647. Op verzoek van de Afdeling heeft betrokkene gereageerd op het arrest van het Hof van 25 juni 2026, Hardeker, ECLI:EU:C:2026:518. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraak van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 6 tot en met 8.3 en 11 tot en met 11.2, over de gevolgen van het arrest Adrar voor een terugkeerbesluit en een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 2. Het hoger beroep is ongegrond. Omdat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig is geweest, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. Ristra-Peeters voorzitter w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026 644-1111

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...