Zaak

ECLI:NL:RVS:2024:1864

Instantie
Raad van State
Datum
2024-05-02
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202307451/1/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.646 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij besluit van 5 november 2023 heeft hij een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 27 november 2023 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

05Kern

Materiële kern

202307451/1/V3. Datum uitspraak: 2 mei 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: De persoon, zich noemende [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 november 2023 in zaken nrs. NL23.35658 en NL23.35660 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij besluit van 5 november 2023 heeft hij een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 27 november 2023 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Stap, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 14 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1071, onder 3 tot en met 6, over het aannemelijk maken dat een paspoort op frauduleuze wijze is verkregen). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat de vreemdeling in lijn met de in de genoemde uitspraak gestelde eisen aannemelijk heeft gemaakt dat zijn paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. 2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. Steendijk lid van de enkelvoudige kamer w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2024 644-1020

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...