ECLI:NL:RVS:2023:509
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2023-02-08
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluiten van 15 juni 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Materiële kern
202204705/1/V2. Datum uitspraak: 8 februari 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling 1] en [de vreemdeling 2], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 11 juli 2022 in zaken nrs. NL21.11158 en NL21.11159 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluiten van 15 juni 2021 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 11 juli 2022 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A.J. de Boer, advocaat te Sneek, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Anders dan de vreemdelingen in de eerste grief aanvoeren, heeft de rechtbank terecht bij haar oordeel betrokken dat hun vorige gemachtigde ter zitting van de rechtbank heeft verklaard het niet langer zinvol te achten een echtheidsonderzoek te laten verrichten naar de vredesovereenkomst. De vorige gemachtigde heeft verder desgevraagd verklaard dat hij geen gronden richt tegen het niet doen van een echtheidsonderzoek. Dit blijkt uit het verhandelde ter zitting. Al hierom faalt de eerste grief. 2. Wat de vreemdelingen in de tweede grief naar voren brengen, leidt evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift op dit punt geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Iedema griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2023 968
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...