Zaak

ECLI:NL:RVS:2023:3416

Instantie
Raad van State
Datum
2023-09-07
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202301230/1/V1
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.722 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluiten van 6 januari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

05Kern

Materiële kern

202301230/1/V1. Datum uitspraak: 7 september 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling A],[vreemdeling B],[vreemdeling C] en [vreemdeling D], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 20 februari 2023 in zaak nr. NL23.585 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluiten van 6 januari 2023 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 20 februari 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft nadere stukken ingediend. De vreemdelingen hebben daar desgevraagd op gereageerd. Overwegingen 1.       Bij brief van 2 juni 2023 heeft de staatssecretaris aan de Afdeling laten weten dat hij de besluiten van 6 januari 2023 heeft ingetrokken en dat hij de asielaanvragen van de vreemdelingen in de nationale asielprocedure zal behandelen, omdat de overdrachtstermijn bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) is verstreken. In reactie daarop hebben de vreemdelingen laten weten dat zij geen aanleiding zien het hoger beroep in te trekken nu de staatssecretaris stelt geen reden te zien de proceskosten te vergoeden. Zij verzoeken de Afdeling de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten. 2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De vreemdelingen hebben namelijk onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat zij hebben bereikt wat zij met hun hoger beroep beogen doordat de staatssecretaris hun asielaanvragen alsnog in behandeling heeft genomen. 3.       Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:182, onder 2, volgt dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden wanneer hij, zoals in dit geval, als gevolg van tijdsverloop de asielaanvragen alsnog in behandeling neemt. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Goeverden-Clarenbeek griffier Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2023 488-1061

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...