Zaak

ECLI:NL:RVS:2022:2968

Instantie
Raad van State
Datum
2022-10-17
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202203758/1/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.921 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 10 augustus 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

05Kern

Materiële kern

202203758/1/V2. Datum uitspraak: 17 oktober 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 3 juni 2022 in zaak nr. NL21.13966 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 augustus 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 3 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.J.M. Oomen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1.       De grieven 1 tot en met 4, en 6 tot en met 11 leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1.    De vreemdeling klaagt in de vijfde grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat zij bij de Koninklijke Marechaussee niet uit zichzelf heeft aangegeven te vrezen vanwege haar seksuele gerichtheid afbreuk doet aan de geloofwaardigheid daarvan. Artikel 3.109, derde lid, van het Vb 2000, zoals dat gold ten tijde van de aanvraag, bepaalde namelijk dat tijdens de rust- en voorbereidingstermijn geen vragen mochten worden gesteld over de asielmotieven. De vreemdeling kan dan ook niet worden verweten dat zij bij de Koninklijke Marechaussee op Schiphol niet heeft verteld dat haar seksuele gerichtheid mede reden was dat ze asiel wilde aanvragen. Dit laat echter onverlet dat de staatssecretaris de geloofwaardigheid van de gestelde gerichtheid en daardoor ondervonden problemen ook los daarvan heeft beoordeeld. De rechtbank heeft, gelet op het falen van de grieven 1 tot en met 4, terecht overwogen dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde seksuele gerichtheid en de daardoor ondervonden problemen ongeloofwaardig zijn. Grief 5 faalt daarom ook. 2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier. w.g. Willems lid van de enkelvoudige kamer w.g. Graat griffier 307-986

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...