Zaak

ECLI:NL:RVS:2022:1047

Instantie
Raad van State
Datum
2022-04-12
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202201529/1/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.736 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 14 december 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

05Kern

Materiële kern

202201529/1/V3. Datum uitspraak: 12 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 maart 2022 in zaak nr. NL21.19913 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 14 december 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 4 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.J. de Boer, advocaat te Sneek, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. In de derde grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit- en vertrekmoratorium voor Afghanistan van 20 augustus 2021 niet van toepassing is op personen waarvan niet verwacht wordt dat zij terugkeren naar hun land van herkomst. Dit laatste is immers niet kenbaar uit het betreffende moratoriumbesluit. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak. De reden hiervoor is dat, zoals ook de staatssecretaris in het besluit van 14 december 2021 heeft opgemerkt, artikel 4 van het moratorium bepaalt dat dit niet van toepassing is op vreemdelingen, zoals deze vreemdeling, die onder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de vreemdeling zich niet op dit moratorium kan beroepen. De grief faalt. 2. Wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd, leidt evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier. w.g. Verheij voorzitter w.g. Bechinka griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2022 371-982

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...