ECLI:NL:RVS:2022:1044
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2022-04-12
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 10 oktober 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Materiële kern
202102148/1/V1. Datum uitspraak: 12 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 maart 2021 in zaak nr. 19/8817 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 oktober 2019 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij uitspraak van 5 maart 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. de Schutter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. De eerste grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1252, onder 44 en 47 tot en met 49, over het intrekken van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 1.2. De tweede grief gaat eveneens over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 14 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:802, over het uitvaardigen van een terugkeerbesluit tegen een vreemdeling die niet naar zijn land van herkomst kan terugkeren). Het hoger beroep biedt ook geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. H.J.M. Baldinger en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. Verbeek griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2022 574
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...