Zaak

ECLI:NL:RVS:2021:1487

Instantie
Raad van State
Datum
2021-07-12
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202006660/1/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
4.554 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 4 september 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en ambtshalve besloten om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 voorlopig uitstel van vertrek te verlenen.

05Kern

Materiële kern

202006660/1/V2. Datum uitspraak: 12 juli 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 december 2020 in zaak nr. NL20.17070 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 4 september 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en ambtshalve besloten om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 voorlopig uitstel van vertrek te verlenen. Bij uitspraak van 8 december 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.W.J. van der Meer, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1.       Wat de vreemdeling in de grieven 2 en 3 aanvoert over de afwijzing van zijn asielaanvraag, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2.       De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgronden over het niet ambtshalve  verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en het opvragen van een BMA-advies. In die beroepsgronden klaagde hij dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij door zijn medische situatie niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat de staatssecretaris ten onrechte geen BMA-advies heeft opgevraagd. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het besluit deugdelijk is gemotiveerd. 2.1.    Uit het beroepschrift en de zittingsaantekeningen blijkt dat de vreemdeling de bedoelde beroepsgronden heeft aangevoerd. De rechtbank heeft daarop ten onrechte niet beslist. Omdat de vreemdeling verder terecht betoogt dat de staatssecretaris in het besluit niet gemotiveerd is ingegaan op wat de vreemdeling in zijn zienswijze heeft aangevoerd over zijn medische situatie, de bevoegdheid van de staatssecretaris om hem in verband daarmee een verblijfsvergunning regulier te verlenen en de reden om het BMA niet te vragen om te adviseren over de medische situatie van de vreemdeling, heeft de rechtbank in zoverre ten onrechte overwogen dat het besluit van de staatssecretaris deugdelijk is gemotiveerd. 2.2.    De grief slaagt. 3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover gericht tegen de weigering de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en voor het overige bevestigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 4 september 2020 wordt in zoverre vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.  Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.        verklaart het hoger beroep gegrond; II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 december 2020 in zaak nr. NL20.17070, voor zover gericht tegen de weigering de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen; III.      verklaart het beroep gegrond; IV.      vernietigt het besluit van 4 september 2020, V-[…], in zoverre; V.       bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; VI.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.244,00 (zegge: tweeëntwintighonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.        w.g. Van Kesteren griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2021 572-979

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...