ECLI:NL:RVS:2020:631
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2020-02-27
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluiten van 13 augustus 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Materiële kern
201907722/1/V3. Datum uitspraak: 27 februari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 16 oktober 2019 in zaak nr. NL19.19038 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 13 augustus 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 16 oktober 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A. Spel, advocaat te Alkmaar, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Desgevraagd hebben de vreemdelingen een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. De vreemdelingen zijn volgens de staatssecretaris op 14 oktober 2019 met onbekende bestemming vertrokken. De gemachtigde van de vreemdelingen heeft bij brief van 5 februari 2020 aan de Afdeling te kennen gegeven dat zij in ieder geval sinds 14 oktober 2019 geen contact meer heeft met hen. Daaruit leidt de Afdeling af dat de vreemdelingen niet langer bescherming in Nederland zoeken. 1.1 Nu de staatssecretaris met inachtneming van dit nieuwe gegeven opnieuw op de aanvragen zal moeten beslissen, hebben de door de staatssecretaris in het hogerberoepschrift bestreden overwegingen van de rechtbank in deze zaak geen praktische betekenis meer. Evenmin zijn deze overwegingen bindend in toekomstige geschillen. De staatssecretaris heeft om die reden geen belang meer bij een beoordeling van zijn grieven. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier. w.g. Kuijer w.g. Nienhuis lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2020 466-907.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...