Zaak

ECLI:NL:RVS:2020:572

Instantie
Raad van State
Datum
2020-02-25
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
201602215/1/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.573 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 19 februari 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

05Kern

Materiële kern

201602215/1/V2. Datum uitspraak: 25 februari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 8 maart 2016 in zaak nr. 14/9575 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (nu: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid). Procesverloop Bij besluit van 19 februari 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij uitspraak van 8 maart 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep voor zover gericht tegen het uitgevaardigde inreisverbod ongegrond verklaard en het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). 1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 22 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3954, over de beoordeling van het Unierechtelijke openbare ordecriterium als artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 2.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Duyster, griffier. w.g. Verheij    w.g. Duyster voorzitter    griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2020 664.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...