Zaak

ECLI:NL:RVS:2019:4056

Instantie
Raad van State
Datum
2019-12-04
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
201702382/1/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.409 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 8 februari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

05Kern

Materiële kern

201702382/1/V3. Datum uitspraak: 4 december 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 15 maart 2017 in zaak nr. 17/3061 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 8 februari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 15 maart 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Benchaïb, advocaat te Emmeloord, hoger beroep ingesteld. Naar aanleiding van de bij uitspraken van 27 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2571 en ECLI:NL:RVS:2017:2572, door de Afdeling gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie heeft de Afdeling partijen bericht dat de behandeling van deze zaak wordt aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof. Bij arrest van 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280, heeft het Hof deze vragen beantwoord. De vreemdeling en de staatssecretaris hebben desgevraagd een reactie ingediend. Vervolgens hebben de vreemdeling en de staatssecretaris desgevraagd nog een nadere reactie ingediend. Overwegingen 1.    Uit de door de staatssecretaris en de vreemdeling overgelegde informatie blijkt dat de vreemdeling in Duitsland verblijft (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579) en daar naar aanleiding van haar asielverzoek over een tijdelijke verblijfstitel voor de duur van twee jaar beschikt. Onder deze omstandigheden heeft de vreemdeling geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep. 2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Verweij, griffier. w.g. Verheij    w.g. Verweij lid van de enkelvoudige kamer    griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2019 722.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...