Zaak

ECLI:NL:RVS:2019:2996

Instantie
Raad van State
Datum
2019-09-04
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
201905641/1/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
4.026 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 24 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw niet in behandeling genomen.

05Kern

Materiële kern

201905641/1/V3. Datum uitspraak: 4 september 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 juli 2019 in zaak nr. NL19.14650 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 24 juni 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw niet in behandeling genomen. Bij mondelinge uitspraak van 16 juli 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris onmiddellijk de asielaanvraag van de vreemdeling in behandeling neemt en op voortvarende wijze behandelt. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling opnieuw niet in behandeling genomen, omdat volgens hem Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 2. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag aan zich te trekken en de aanvraag inhoudelijk te behandelen, gelet op de eerdere uitspraak van die rechtbank van 14 december 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:9050, die bij uitspraak van 13 mei 2019 is bevestigd door de Afdeling. Daarin is volgens de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris in redelijkheid niet kon weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180). De staatssecretaris was daaraan gebonden, aldus de rechtbank. 3. De staatssecretaris voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in de uitspraak van 14 december 2018 niet al is bepaald dat de staatssecretaris gehouden is om in het nieuwe besluit gebruik te maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Uit die uitspraak volgt slechts dat er in de eerdere procedure sprake was van een motiveringsgebrek. De rechtbank heeft in die uitspraak immers overwogen dat de staatssecretaris de in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening gemaakte belangenafweging niet deugdelijk heeft gemotiveerd en dat de staatssecretaris de door de vreemdeling aangevoerde bijzondere omstandigheden onvoldoende kenbaar en onvoldoende in samenhang met de door hem gegeven verklaring bij zijn weging heeft betrokken. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, was de staatssecretaris dus niet gehouden om de aanvraag inhoudelijk te behandelen. 3.1. De grief slaagt. 4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van wat hiervoor is overwogen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 juli 2019 in zaak nr. NL19.14650; III. wijst de zaak naar de rechtbank terug. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier. w.g. Verheij w.g. Vonk voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019 345-872.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...