Zaak

ECLI:NL:RVS:2019:2973

Instantie
Raad van State
Datum
2019-08-30
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
201808047/1/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
3.988 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 3 februari 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

05Kern

Materiële kern

201808047/1/V2. Datum uitspraak: 30 augustus 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van: 1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, 2.    [de vreemdeling], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 september 2018 in zaak nr. 17/4844 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 3 februari 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 7 september 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.A. Nijland, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 6 mei 2019 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen. De vreemdeling heeft hiertegen gronden aangevoerd. Voorts heeft de vreemdeling een nader stuk ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1.    De in grief 4 in het hogerberoepschrift van de staatssecretaris opgeworpen rechtsvraag over de rol van individuele omstandigheden bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (PB 2011, L 337) heeft de Afdeling bij uitspraak van 18 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2489, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de grief slaagt. 2.    Wat de staatssecretaris voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. 3.    Het incidenteel hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). 4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond en het incidenteel hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld met inachtneming van wat hiervoor is overwogen. 5.    Het besluit van 6 mei 2019 wordt ingevolge artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, in de beoordeling betrokken. Uit 4. volgt dat aan dit besluit, dat ter uitvoering van de vernietigde uitspraak is genomen, de grondslag is komen te ontvallen. Het besluit wordt daarom vernietigd. 6.    De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gegrond; II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond; III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 september 2018 in zaak nr. 17/4844; IV.    wijst de zaak naar de rechtbank terug; V.    vernietigt het besluit van 6 mei 2019, V-nummer […]. Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier. w.g. Van Eck    w.g. Bosma lid van de enkelvoudige kamer    griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2019 572-894.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...