Zaak

ECLI:NL:RVS:2019:1089

Instantie
Raad van State
Datum
2019-04-08
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
201900994/1/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.347 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluiten van 4 december 2018 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

05Kern

Materiële kern

201900994/1/V2. Datum uitspraak: 8 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 januari 2019 in zaken nrs. 18/9441 en 18/9443 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluiten van 4 december 2018 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 24 januari 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door drs. F.W. King, rechtsbijstandverlener te Leiden, hoger beroep ingesteld. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder gemotiveerd te worden. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift, mede gelet op de uitspraken van de Afdeling van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1733 en 24 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2815, geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Het betoog van de vreemdelingen dat hun minderjarige kinderen in Nederland zijn geworteld en dat zij om die reden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning, komt aan de orde in de procedure die de vreemdelingen bij de Afdeling aanhangig hebben gemaakt in zaak nr. 201900943/1/V3. 2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Verheij    w.g. Van Loon voorzitter    griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2019 284-806.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...