Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:30205

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-10-13
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.58015
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
7.270 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bewaring, grensdetentie

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.58015 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V nummer] , eiseres, (gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. K. Nunninga). Procesverloop Bij besluit van 29 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Mardo. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. 2. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in een andere zaak prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over – onder andere – de noodzaak van grensdetentie en toepassen van een lichter middel. In afwachting van de beantwoording van die prejudiciële vragen conformeert de rechtbank zich aan de uitspraak van 2 september 2026 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister in het grensbewakingsbelang naar voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn op te leggen. Die noodzaak hoeft volgens de Afdeling niet nader te worden gemotiveerd. 3. In dezelfde uitspraak van de Afdeling is verder overwogen dar de grensprocedure onder meer tot doel heeft verzoeken die waarschijnlijk niet-ontvankelijk of ongegrond zullen zijn, snel kunnen worden beoordeeld, zodat personen zonder verblijfsrecht snel kunnen terugkeren en dat die procedure niet of niet langer mag worden toegepast indien de beslissingsautoriteit van oordeel is dat de gronden om een verzoek als niet-ontvankelijk af te wijzen of de versnelde behandelingsprocedure toe te passen, niet of niet langer van toepassing zijn. De werkwijze van de minister dat hij de asielaanvraag van iedere vreemdeling die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode in beginsel in de asielgrensprocedure behandelt en de grensdetentie opheft wanneer hij concludeert dat de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure, is daarmee in overeenstemming. 4. Omdat eiseres aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend en niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden mocht de minister dan ook de grensprocedure toepassen en aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel opleggen. Dat eiseres beschikt over een authentiek paspoort leidt niet tot een ander oordeel. 5. De rechtbank overweegt verder dat het niet aan de bewaringsrechter is om te beoordelen of eiseres’ asielzaak kansrijk moet worden geacht. Dit kan immers aan de orde worden gesteld in het kader van die procedure. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen staat het gesloten rechtsmiddelenstelsel van de Vw eraan in de weg dat de rechtbank bij de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring ook de rechtmatigheid van een ander (voorgenomen) besluit kan toetsen. 6. Anders dan eiseres is de rechtbank verder van oordeel dat voldoende duidelijk is op welk moment de zogenaamde ‘screening’ is geëindigd. Zoals ook door de minister gezegd op zitting volgt uit artikel 18, lid 5, van de Screeningsverordening dat de screening eindigt op het moment dat onderdanen van derde landen als bedoeld in artikel 5, leden 1 en 2, en artikel 7 van deze Verordening worden doorverwezen naar de passende procedure voor internationale bescherming, een procedure die in overeenstemming is met Richtlijn 2008/115/EG of naar de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat in verband met te herplaatsen onderdanen van derde landen. In dit geval is de screening dan ook geëindigd op het moment dat de minister heeft besloten de grensprocedure toe te passen en aan eiseres de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. 7.1 De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van gehoor van 29 september 2026 blijkt dat eiseres is gevraagd naar bijzondere of persoonlijke omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat wordt afgezien van het behandelen van de asielaanvraag in het detentiecentrum. Voor zover hier van belang is het volgende besproken: “V: Lijdt u aan een ernstige ziekte of lichamelijk aandoening waarvoor u direct medische hulp nodig heeft en zo ja, welke en kunt u dit aannemelijk maken? A: "Nee" V: Heeft u last van ander ziektes, lichamelijk aandoeningen of beperkingen waar u last van heeft en zo ja, welke zijn dat en kunt u dit aannemelijk maken: A: "Ja ik heb PCOS". V: Gebruikt u op het moment medicijnen en zo ja, welke en waartegen? A: "Nee" V: Zijn er andere spoedeisende of omstandigheden die aanleiding geven om aan u alsnog toegang te verlenen tot Nederland en u de gelegenheid te stellen uw asielaanvraag in vrijheid te doorlopen? A: "nee".” 7.2 De verklaring van eiseres bevat geen aanwijzingen dat sprake was van een situatie waarbij onmiddellijke medische zorg noodzakelijk was of dat eiseres psychische problemen had. De minister kon zich daarom op het standpunt stellen dat er geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding zijn voor de conclusie dat de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is. Verder volgt uit het besluit dat eiseres is gewezen op de in het detentiecentrum beschikbare medische faciliteiten. Vooralsnog is niet gebleken dat de (medische) faciliteiten tekortschieten wat betreft de zorg die eiseres nodig had of nog nodig heeft. 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van M.R. van Kerkwijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. ECLI:NL:RVS:2026:5077. Richtlijn (EU) 2024/1346. Vergelijk onder meer de uitspraak van 21 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9280. Verordening (EU) 2024/1356 van het Europees parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot invoering van de screening van onderdanen van derde landen aan de buitengrenzen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 767/2008, (EU) 2017/2226, (EU) 2018/1240 en (EU) 2019/817.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...