ECLI:NL:RBDHA:2026:30197
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-10-13
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bewaring, vervolgberoep, voortvarendheid, geen sprake van periode van langdurig stilzitten.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.56422 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. S. Akkas), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. K. Nunninga). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. Omdat op 25 september 2026 de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband beoordeelt de rechtbank onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig geweest. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 1 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 8 september 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard. 2.1. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding. 2.2. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. 2.3. De minister heeft op 25 september 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 4. Uit de uitspraak van 8 september 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 8 september 2026, rechtmatig is. Handelt de minister voldoende voortvarend? 5. Eiser voert aan dat de minister tijdens de vreemdelingenbewaring onvoldoende voortvarend werkte aan zijn verwijdering. Eiser is Roemeens staatsburger en daarmee burger van de Unie. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bij de voorgenomen uitzetting van een Unieburger meer dan gebruikelijke voortvarendheid moet worden betracht. Uit de voortgangsrapportage blijkt niet welke concrete uitzettingshandelingen tussen 9 en 21 september 2026 zijn verricht. Afhankelijkheid van een derde ontslaat de minister niet van de verplichting voortvarend te blijven handelen. De minister kan bijvoorbeeld rappelleren of andere uitzettingshandelingen verrichten. Het gedurende een periode enkel afwachten kan onvoldoende zijn. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2026. 6. Deze beroepsgrond slaagt niet. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkte aan zijn verwijdering uit Nederland. In dit verband is voor de rechtbank in de eerste plaats van belang dat de periode waarin geen handelingen zijn verricht korter is dan in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2026 (12 dagen tegenover 23 dagen). 7. Verder heeft de minister de volgende toelichting gegeven. Op 9 september 2026 is de vluchtaanvraag ingediend bij de Kmar , waarna een beoordeling is gemaakt of het vertrek moest plaatsvinden onder begeleiding van escorts. Op 14 september 2026 heeft de Kmar aangegeven dat vertrek zonder escorts mogelijk is naar de door eiser gewenste luchthaven. Na het akkoord van de Kmar is nog een periode van vijf werkdagen nodig voor het daadwerkelijk verkrijgen van een laissez passer voordat een vlucht kan worden geboekt. Uiterlijk op 21 september 2026 is de vlucht geboekt voor de verwijdering van eiser op 25 september 2026. Gelet op dit geheel van handelingen is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van een periode van langdurig stilzitten door de minister die maakt dat de bewaring onnodig lang heeft voortgeduurd. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van M.R. van Kerkwijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de vreemdelingenbewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de vreemdelingenbewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. ECLI:NL:RBDHA:2026:27744. Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw. ECLI:NL:RVS:2026:664. Koninklijke Marechaussee
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...