Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:30090

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-10-12
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.19647
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
12.290 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel. Kennelijk ongegrond (aanvraag niet zo snel als mogelijk ingediend). Beroep ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers verklaringen over zijn gestelde problemen met de autoriteiten en zijn oom terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank stelt vast dat de Koninklijke Marechaussee bericht heeft ontvangen van de Belgische autoriteiten dat eiser zijn asielaanvraag daar heeft ingetrokken en dat de Belgische autoriteiten een terugkeerbesluit aan eiser hebben uitgevaardigd. De rechtbank ziet geen reden om aan deze informatie te twijfelen. De minister had niet moeten afzien van het opleggen van een TKB en IRV op de grond dat eisers asielaanvraag in België niet zou zijn ingetrokken. Eisers asielaanvraag is verder terecht kennelijk ongegrond verklaard op de grond dat eiser zijn aanvraag niet zo snel als mogelijk heeft ingediend. Eiser verblijft al ongeveer een jaar in Nederland en heeft al die tijd geen asiel aangevraagd. Zoals hierboven overwogen blijkt uit informatie van de Koninklijke Marechaussee dat eiser zijn asielaanvraag in België heeft ingetrokken. De rechtbank volgt daarom niet dat eiser in de veronderstelling verkeerde dat zijn asielaanvraag in België nog doorliep. Dat eiser niet eerder is voorgehouden dat hij niet over de juiste verblijfsdocumenten beschikte, maakt niet dat de minister zijn asielaanvraag niet kennelijk ongegrond heeft mogen verklaren. Dat eiser te goeder trouw in Nederland was volgt de rechtbank niet, nu eiser na zijn aanhouding bij de politie verklaard heeft dat hij ‘her en der’ had geïnformeerd over het aanvragen van asiel in Nederland, maar dat zijn aanvraag hier weinig kans maakt omdat hij al asiel in België had aangevraagd.[1] De rechtbank maakt hieruit op dat eiser zich bewust was van de noodzaak van een (asiel)verblijfsvergunning en dat hij enkel geen aanvraag hiertoe heeft ingediend wegens een vermeende geringe slagingskans.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.19647 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1] , geboren op [geboortedag] 2000, van Turkse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. A.A. Hardoar) en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt dus ongelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat eisers asielrelaas. Onder 4 staat het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 april 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Toen eiser ongeveer elf jaar was is zijn vader opgepakt, mishandeld en weer vrijgelaten. Eiser weet niet waarom dit is gebeurd, maar hij vermoedt dat dit te maken had met het feit dat zijn vader lid was van de HDP . Toen eiser vijftien jaar was, overleed zijn vader. De oom van eiser heeft daarna eiser met de dood bedreigd. Alle bezittingen van eisers vader zijn in beslag genomen. Na het overlijden van zijn vader is eiser van zijn geloof gevallen. Verder heeft eiser de dienstplicht in Turkije geweigerd, omdat hij vreesde voor racisme en discriminatie binnen het leger vanwege zijn Koerdische afkomst. Ongeveer drie of vier maanden voor zijn vertrek uit Turkije is eiser telefonisch bedreigd en naar het bos gebracht door overheidsambtenaren in burgerkleding. In dat bos is hij twee dagen vastgehouden en mishandeld. Deze mishandeling was de directe aanleiding voor eiser om te vertrekken. Bij terugkeer stelt hij te worden opgepakt. Eiser heeft daarnaast verklaard dat hij in 2024 een asielaanvraag in België heeft ingediend. Hij betwist dat hij deze heeft ingetrokken, zoals de minister stelt. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. afvalligheid van de islam; 3. eiser is dienstplichtig; 4. problemen met de autoriteiten en eisers oom. De minister heeft asielmotief 1, 2 en 3 geloofwaardig geacht. De minister heeft asielmotief 4 ongeloofwaardig geacht. In zijn zienswijze is eiser alleen ingegaan op asielmotief 4, zodat alleen dat asielmotief nog ter discussie staat. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eiser niet duidelijk heeft verklaard waarom hij problemen heeft vanwege zijn vader. Zijn verklaringen zijn summier en vaag. Eisers stelling dat de telefonische bedreigingen en de mishandeling zijn uitgevoerd door mensen van de overheid, is verder gebaseerd op zijn eigen aannames. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft vanwege zijn gestelde problemen. Dat eiser vanwege zijn Koerdische afkomst gediscrimineerd wordt, is onvoldoende voor de vluchtelingenstatus. Uit zijn verklaringen volgt namelijk niet dat sprake is geweest van dermate ernstige discriminatie dat eiser geen deel kon nemen aan het openbare leven. Hij is naar school geweest, heeft toegang gehad tot huisvesting en tot gezondheidszorg. Eiser heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer persoonlijk te vrezen heeft wegens discriminatie. Omdat eiser zijn asielaanvraag niet zo snel als mogelijk heeft ingediend, heeft de minister de asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw 2000 (oud). Heeft de minister de gestelde problemen van eiser terecht ongeloofwaardig geacht? 5. Eiser voert aan dat de minister de problemen met de Turkse autoriteiten en zijn oom ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser was vijftien jaar toen hij zijn vader verloor, wat een grote schok voor hem was. Vanwege zijn jonge leeftijd en die schok heeft eiser niet alle gebeurtenissen in detail meegekregen. Het was daarnaast cultureel niet gebruikelijk voor eiser om zich te mengen in het privéleven van zijn vader. Ook daardoor kan eiser niet veel vertellen over zijn vader. Bovendien heeft eiser alleen de basisschool afgerond, waardoor hij beperkt is in wat hij kan verklaren. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers verklaringen over zijn gestelde problemen met de autoriteiten terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Eisers verklaringen zijn vaag en oppervlakkig. Eiser heeft verklaard dat hij vreest dat de overheid hem zal oppakken vanwege de problemen van zijn vader. Eiser heeft over deze problemen van zijn vader verklaard dat zijn vader ooit door de autoriteiten is opgepakt, mishandeld en daarna weer is vrijgelaten. Eiser heeft verder niet uitgelegd hoe de problemen die zijn vader heeft ondervonden in verband staan met zijn eigen gestelde mishandeling. Daarnaast is eisers verklaring dat hij mishandeld is door mensen van de overheid gebaseerd op aannames. Eiser heeft verklaard dat hij wist dat het om mensen van de overheid ging omdat die mensen allemaal ‘blank’ zijn en ‘omdat een Koerd een andere Koerd geen kwaad doet’. Ook eisers verklaringen over de telefonische bedreiging die hij heeft ontvangen zijn vaag. Op de vraag waarom hij bedreigd werd heeft eiser geantwoord dat dit was omdat hij ‘de zoon van zijn vader was’. Dat deze bedreigingen afkomstig waren van de overheid, volgt de rechtbank net als de minister niet. Eiser heeft hierover verklaard dat hij tegen de bedreigers heeft gezegd dat hij naar de politie zou gaan en dat zij daarop hebben gezegd dat zij bij de politie horen. De rechtbank concludeert dat uit eisers verklaringen geen concrete aanwijzingen volgen dat hij daadwerkelijk gevaar loopt van de autoriteiten. 5.2. De minister heeft ook eisers verklaringen over de gestelde problemen met zijn oom terecht ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft verklaard dat zijn oom hem ‘vaak’ telefonisch heeft bedreigd, omdat hij rancune voelt jegens eisers vader en eiser. Ook vreest eiser dat zijn oom hem zal verraden bij terugkeer naar Turkije. Eiser heeft echter niet uitgelegd waar deze rancune vandaan komt en waar eiser dit uit afleidt. Ook heeft eiser niet kunnen uitleggen waarom hij vreest dat zijn oom hem zal verraden. 5.3. Dat eiser als kind niet precies wist wat zijn vader deed en dat het overlijden van eisers vader een schok voor hem was, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Van eiser mag verwacht worden dat hij concrete verklaringen kan afleggen over zijn eigen problemen en wat de aanleiding daarvoor was. Zoals hierboven al is overwogen zijn eisers verklaringen over zijn problemen oppervlakkig en weinig concreet. Dat eiser beperkt is in zijn verklaringen omdat hij alleen de basisschool heeft afgerond volgt de rechtbank ook niet, nu eiser heeft verklaard dat hij online lessen aan de middelbare school volgt en in het laatste jaar zit. 5.4. Deze grond slaagt niet. Had de minister moeten afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod? 6. Eiser betwist dat hij zijn asielaanvraag in België zou hebben ingetrokken. Doordat de minister een terugkeerbesluit en een inreisverbod aan eiser heeft opgelegd kan eiser ook niet terug naar België om daar onderzoek te doen naar de status van zijn asielaanvraag. 6.1. De rechtbank stelt vast dat de Koninklijke Marechaussee bericht heeft ontvangen van de Belgische autoriteiten dat eiser zijn asielaanvraag daar op 25 juni 2025 heeft ingetrokken en dat de Belgische autoriteiten op 16 januari 2026 een terugkeerbesluit aan eiser hebben uitgevaardigd. De rechtbank ziet geen reden om aan deze informatie te twijfelen. Deze grond slaagt niet. Heeft de minister eisers aanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard? 7. Eiser voert aan dat de minister zijn aanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard op de grond dat hij niet zo snel als mogelijk asiel heeft aangevraagd in Nederland. Eiser verkeerde in de veronderstelling dat zijn asielaanvraag in België doorliep, daarom heeft hij niet eerder in Nederland asiel aangevraagd. Eiser is daarnaast meermaals aangehouden door de politie en niet eerder is hem voorgehouden dat hij de juiste verblijfsdocumenten niet had. Eiser is te allen tijde te goeder trouw geweest. 7.1. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 (oud) kon de minister een aanvraag kennelijk ongegrond verklaren als de vreemdeling in kwestie zonder gegronde reden zich niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst. 7.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers aanvraag terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij op het moment van het nader gehoor al ongeveer een jaar in Nederland verbleef. Al die tijd heeft eiser geen asiel aangevraagd. Zoals hierboven overwogen blijkt uit informatie van de Koninklijke Marechaussee dat eiser zijn asielaanvraag in België heeft ingetrokken. De rechtbank volgt daarom niet dat eiser in de veronderstelling verkeerde dat zijn asielaanvraag in België nog doorliep. Dat eiser niet eerder is voorgehouden dat hij niet over de juiste verblijfsdocumenten beschikte, maakt niet dat de minister zijn asielaanvraag niet kennelijk ongegrond heeft mogen verklaren. Dat eiser te goeder trouw in Nederland was volgt de rechtbank niet, nu eiser na zijn aanhouding bij de politie verklaard heeft dat hij ‘her en der’ had geïnformeerd over het aanvragen van asiel in Nederland, maar dat zijn aanvraag hier weinig kans maakt omdat hij al asiel in België had aangevraagd. De rechtbank maakt hieruit op dat eiser zich bewust was van de noodzaak van een (asiel)verblijfsvergunning en dat hij enkel geen aanvraag hiertoe heeft ingediend wegens een vermeende geringe slagingskans. 7.3. Deze grond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. 9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Halkların Demokratik Partisi, een pro-Koerdische partij in Turkije. Vreemdelingenwet 2000. Pagina 27 van het nader gehoor. Pagina 30 van het nader gehoor. Pagina 31 van het nader gehoor. Pagina 31 van het nader gehoor. Pagina’s 27 en 28 van het nader gehoor. Pagina’s 26 en 27 van het nader gehoor. Pagina 21 van het nader gehoor. Pagina 10 van het nader gehoor. Pagina 11 van het proces-verbaal van het politiegehoor van 27 februari 2026.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...