ECLI:NL:RBDHA:2026:29848
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-10-09
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Dublin; Frankrijk; interstatelijk vertrouwensbeginsel; motiveringsgebrek; gebrek passeren; discretionaire bevoegdheid; medische situatie en de gestelde afhankelijkheid van eisers familie is niet onderbouwd; ongegrond; de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33100 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. N. Imminga), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Kamphuis). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, A. Ahmed als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het bestreden besluit 4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Op grond daarvan neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard. Toepasselijk recht 4. Op 22 mei 2024 is in het Publicatieblad van de Europese Unie de Verordening (2024/1351) betreffende asiel- en migratiebeheer (AMBV) gepubliceerd. Deze verordening is vanaf 12 juni 2026 van toepassing. Dat volgt uit artikel 85 van de AMBV. Per 12 juni 2026 is ook de Dublinverordening (604/2013) ingetrokken. Dat volgt uit artikel 83 van de AMBV. De AMBV bevat een overgangsbepaling in geval het verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 is geregistreerd. Op grond van artikel 84, tweede lid, van de AMBV wordt op basis van de in de Dublinverordening vastgelegde criteria bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een dergelijk verzoek. Mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel? 5. Eiser voert aan dat Frankrijk consistent tekortschiet in zijn verplichtingen op opvang te bieden aan asielzoekers. De rechtbank begrijpt het beroep van eiser zo dat hij bij een overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU-Handvest en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De minister mag daarom niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst daarbij naar een artikel van Netzwerk Fluchtforschung uit 2025 en naar pagina 128 van het AIDA rapport 2025 (update mei 2026). In dit AIDA rapport is opgenomen dat in 2025 nog altijd 59,1 % van de asielzoekers geen opvang heeft. Frankrijk is herhaaldelijk opgedragen de opvangsituatie te verbeteren, maar dat is niet gebeurd. Bovendien zijn de meeste opvanglocaties ingericht op gezinnen. Eiser is alleenstaand en loopt daarom een groot risico om bij overdracht verstoken te zijn van een opvangplek. De gemachtigde van eiser weet van ander cliënten dat zij als Dublinterugkeerders in Frankrijk geen opvangplek hebben en op straat terechtkomen. Daarmee ontstaat een situatie als bedoeld in het arrest Jawo. 5.1. De rechtbank overweegt dat de minister in beginsel ten opzichte van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met internationale verplichtingen zullen behandelen. Daarbij geldt dat de minister alleen dan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan als eiser een reëel risico loopt op een onmenselijke en vernederende behandeling en daarmee van schending van artikel 4 van het EU-Handvest. Daarbij geldt als maatstaf dat de tekortkomingen in de asiel- en opvangprocedure structureel moeten zijn en de hoge drempel van zwaarwegendheid moeten bereiken. Deze drempel van zwaarwegendheid komt er in de kern op neer dat een persoon buiten zijn wil om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt. De lidstaat moet daarover bovendien onverschillig zijn. Dit volgt uit het arrest Jawo. 5.2. De rechtbank constateert dat eiser zich in zijn zienswijze onder verwijzing naar concrete informatie uit onder andere AIDA rapporten over de opvangsituatie in Frankrijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de minister niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan vanwege ernstige en structurele tekortkomingen in die opvangvoorzieningen. De minister is in het bestreden besluit echter niet inhoudelijk ingegaan op datgene wat eiser concreet naar voren heeft gebracht. De minister heeft daarom niet goed gemotiveerd waarom hij vindt dat hij, ondanks dat wat eiser heeft aangevoerd, toch van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. In zoverre kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank zal dit gebrek passeren op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en legt dat hierna uit. 5.3. De rechtbank stelt vast dat de minister op de zitting een aanvullende motivering heeft gegeven. Die motivering houdt in dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in 2025 heeft geoordeeld dat de minister van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Het AIDA rapport 2025 (update mei 2026) schetst geen wezenlijk ander beeld van de situatie. 5.4. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het AIDA rapport 2025 (update mei 2026) geen wezenlijk ander beeld schetst dan waarover de Afdeling reeds een oordeel heeft gegeven. De Afdeling heeft bij uitspraak van 27 november 2025 immers geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij heeft de Afdeling het AIDA rapport 2024 (update juni 2025) betrokken. Volgens de Afdeling kan weliswaar worden aangenomen dat in Frankrijk sprake was van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen, maar deze problemen zijn niet zo structureel en ernstig dat er op voorhand een reëel risico is op schending van artikel 4 van het EU-Handvest en artikel 3 EVRM. 5.5. Het AIDA rapport 2025 (update mei 2026), laat over het percentage asielzoekers dat geen opvang heeft en waarnaar eiser verwijst, geen wezenlijk ander beeld zien dan beschreven in het AIDA rapport 2024 (update juni 2025). Ook toen was aan de orde dat niet voor alle asielzoekers een opvangplek beschikbaar was. Bovendien blijkt uit het AIDA rapport 2025 (update mei 2026) dat het percentage asielzoekers dat geen opvang heeft, afneemt. Dit percentage betrof in 2024 immers 61,3% en in 2025 59,1% en dat kan als een verbetering van de situatie worden gezien. Bovendien heeft de Afdeling in een recente uitspraak van 26 augustus 2026 specifiek bevestigd dat ten aanzien van de opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Tot slot biedt het artikel van Netzwerk Fluchtforschung onvoldoende feitelijke en concrete aanknopingspunten over de huidige opvangsituatie in Frankrijk. De minister heeft alleen daarom al in dit artikel geen aanleiding hoeven zien om een ander standpunt in te nemen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. 5.6. Eiser heeft daarnaast ook niet aannemelijk gemaakt dat in zijn concrete geval, ondanks dat verweerder in het algemeen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, toch sprake zou zijn van een risico op onmenselijke en vernederende behandeling die de drempel van zwaarwegendheid bereikt. De enkele omstandigheid dat de meeste opvangplekken zijn ingericht voor gezinnen en eiser een alleenstaande man is, is daarvoor niet genoeg. Dat zegt immers niet dat voor eiser geen opvang beschikbaar zal zijn. Dat geldt ook voor de op zitting ingenomen stelling dat de gemachtigde van eiser andere gevallen bekend is waarbij Dublinterugkeerders geen opvang kregen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zelf niet in Frankrijk is geweest en daarom zelf geen ervaring heeft met de asielprocedure en -opvang in Frankrijk. De minister hoeft niet op voorhand de garantie te hebben dat voor eiser een opvangplek gereserveerd is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat Frankrijk met het claimakkoord gegarandeerd heeft om het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen. 5.7. De rechtbank concludeert dat de minister met de aanvullende motivering heeft kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Frankrijk de internationale verplichtingen nakomt. 5.8. Omdat de minister op de zitting alsnog een aanvullende motivering heeft gegeven zal de rechtbank het motiveringsgebrek passeren zoals de rechtbank onder 5.1. heeft overwogen. Dat doet de rechtbank omdat aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. Het is de rechtbank tijdens de zitting gebleken dat de gemachtigde van eiser voldoende op de aanvullende motivering heeft kunnen reageren. De discretionaire bevoegdheid 6. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV, bepaalt dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit is beperkt tot een beoordeling van de daar onder a), b) en c) genoemde aspecten. Hieronder valt niet de toepassing van de discretionaire bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen ook al is de lidstaat daartoe niet verplicht. De Afdeling heeft in de uitspraak van 7 oktober 2026 geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op effectieve rechtsbescherming dat is neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest, gelet op artikel 84, tweede lid, van de AMBV zich ertegen verzetten dat de procedureregel in artikel 43, eerste lid, van de AMBV onmiddellijke toepassing vindt in procedures waarin het verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 is geregistreerd en de minister de verantwoordelijke lidstaat dus heeft bepaald aan de hand van de in de Dublinverordening neergelegde criteria. De Afdeling vat dit begrip ‘criteria’ ruim op in die zin dat daaronder niet alleen de materiële criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat uit hoofdstuk III van de Dublinverordening in het geval van overname vallen, maar ook de bepalingen over terugname en de discretionaire en procedurele bepalingen, zoals de artikelen 17 en 29 van de Dublinverordening. De rechtbank zal daarom het beroep van eiser op de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening toetsen. 6.1. Eiser voert aan dat overdracht aan Frankrijk in dit geval onevenredig hard is. Eiser wist niet dat hij via een Frans Schengenvisum op Europees grondgebied is gekomen en is nog nooit in Frankrijk geweest. Eiser heeft bewust in Nederland asiel aangevraagd, omdat hij hier twee broers heeft wonen. Bovendien heeft hij nierproblemen en een hoge bloeddruk en is voor ondersteuning bij zijn medische situatie afhankelijk van zijn broers. 6.2. Eiser heeft zijn medische situatie en de gestelde afhankelijkheid van zijn familie niet onderbouwd zodat niet aannemelijk is gemaakt dat deze omstandigheden zich voordoen. In wat eiser voor het overige heeft aangevoerd heeft de minister in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om te oordelen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat hij gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en kan worden overgedragen naar Frankrijk. 7.1. Omdat het bestreden besluit wel een motiveringsgebrek bevat, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die door eiser zijn gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,-. aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Piksen, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier en uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punten 91-93. ABRvS 27 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5715. ABRvS, 20 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4827. ABRvS 7 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5867, r.o. 4 tot en met 4.2.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...