ECLI:NL:RBDHA:2026:29697
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-10-08
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Beroep bewaring art. 59 Vw. Schending inspanningsverplichting maakt bewaring niet onrechtmatig, art. 59 Vw is de juiste grondslag, voldoende rekening gehouden met crackverslaving. Beroep ongegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.57301 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V.M. Oliana), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister (gemachtigde: mr. O. Sari). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 27 september 2026 heeft de minister aan eiser, die de Albanese nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedatum] 1982, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zich voordoen. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 4.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 5. Eiser betoogt dat de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting, als bedoeld in paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Die verplichting is volgens de hiervoor genoemde paragraaf erop gericht om te voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. Eiser stelt dat de minister in zijn geval onvoldoende handelingen heeft verricht om dat te voorkomen. 5.1. Uit het dossier blijkt dat eiser direct voorafgaand aan het opleggen van de bestreden maatregel in strafrechtelijke detentie zat vanaf 11 september 2026. Eiser zat tot 14 september 2026 in voorlopige hechtenis en van 14 tot 27 september 2026 zat hij een gevangenisstraf van zestien dagen uit. 5.2. Uit recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat dat de datum van het strafrechtelijke vonnis geldt als startmoment waarop de minister via de ketenpartners in de migratieketen bekend is, of bekend geacht wordt te zijn, met de einddatum van een strafrechtelijke detentie. Voor zaken met een strafrechtelijke detentie van 30 dagen of korter geldt dat de minister vanaf dat moment aan zijn inspanningsverplichting invulling moet geven door uiterlijk op de zevende werkdag na de dag van het vonnis (of na de dag waarop feitelijk de executie van een eerder opgelegde gevangenisstraf is aangevangen), een eerste voorbereidingshandeling te verrichten. Daarbij moet de minister steeds rekening houden met de relevante feiten en omstandigheden van het geval. 5.3. In eisers geval dateert het strafrechtelijke vonnis van 14 september 2026 en was de minister er dus toe gehouden uiterlijk op 21 september 2026 een eerste voorbereidingshandeling te verrichten. Uit het dossier blijkt niet dat de minister dit heeft gedaan. De minister heeft zijn inspanningsverplichting om te voorkomen dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld, geschonden. 5.4. In het geval dat de minister geen of onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de inspanningsverplichting, betekent dat niet dat de maatregel van bewaring alleen daarom al onrechtmatig is. Volgens vaste rechtspraak is er dan namelijk ruimte voor een belangenafweging. 5.5. Uit recente rechtspraak volgt dat bij de belangenafweging na een schending van de inspanningsverplichting in ieder geval een rol spelen: - De duur van de schending van de inspanningsverplichting; - de duur van de vreemdelingenbewaring en de mate waarin de minister daarin voortvarend handelt gericht op de uitzetting of overdracht van een vreemdeling; - de mogelijkheden voor de minister om op korte termijn een terugkeer of overdracht vanuit vreemdelingenbewaring te realiseren; - de mate waarin een vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek of het vertrek frustreert of eerder heeft gefrustreerd. 5.6. De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging in dit geval uitvalt in het voordeel van de minister. Weliswaar heeft de minister geen enkele verifieerbare uitzettingshandeling verricht tijdens de strafrechtelijke detentie, maar de duur van de strafrechtelijke detentie en dus de schending van de inspanningsverplichting is beperkt. Daar komt bij dat er een reële mogelijkheid is dat eiser op korte termijn kan worden uitgezet, gelet op het feit dat een origineel paspoort voorhanden is en de minister op 1 oktober 2026 een vlucht heeft aangevraagd. De minister handelt daarmee ook voldoende voortvarend. De schending van de inspanningsverplichting maakt in dit geval dan ook niet dat het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig moet worden geacht. 6. Eiser betoogt verder dat hij niet op de juiste grondslag in bewaring is gesteld, omdat hij na zijn overdracht van Italië aan Nederland rechtmatig verblijf heeft. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Eisers asielaanvraag is bij besluit van 18 maart 2026 buiten behandeling gesteld, waarbij is bepaald dat het terugkeerbesluit van 11 december 2025 nog steeds van kracht is. Eiser moet Nederland dus verlaten en heeft derhalve geen rechtmatig verblijf. Dat de verantwoordelijkheid voor zijn procedure door Italië is overgedragen aan Nederland maakt dat niet anders. 7. Eiser betoogt ten slotte dat de minister bij het opleggen van de maatregel onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn crackverslaving. Uit de motivering in de maatregel blijkt niet dat de medische dienst voldoende is toegerust om eiser daarbij te helpen. 7.1. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond evenmin slaagt. De minister heeft daarover in de bestreden maatregel overwogen dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij en dat voor mensen die zich met moeite kunnen handhaven (meestal mensen met psychische problemen) in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is. Als zorg niet voldoende kan worden gegeven kan eiser worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. De rechtbank acht die motivering toereikend, mede in aanmerking genomen dat door eiser zelf is verklaard dat er geen behandeling mogelijk is tegen een crackverslaving. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Zie de uitspraak van 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5411. ECLI:NL:RVS:2026:5412. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...