Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:29689

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-10-08
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.13828 + NL26.13829
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
4.862 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde geeft daarmee te kennen dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Er is aldus geen sprake van procesbelang

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL26.13828 (beroep) NL26.13829 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister (gemachtigde: mr. R. van Dooren). Procesverloop Bij besluit van 9 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 5 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Overwegingen 1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd en met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit dient te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is anders als een vreemdeling na de MOB-melding nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. 2. De minister heeft de rechtbank op 15 september 2026 bericht dat eiser met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van het COa , waaruit blijkt dat eiser op 5 augustus 2026 mob staat gemeld. Daarnaast heeft de minister meegedeeld dat niet is gebleken dat eiser zich inmiddels opnieuw heeft gemeld bij de IND , het COa, de AVIM of de DT&V . 3. De rechtbank heeft aan de gemachtigde van eiser gevraagd om op deze melding te reageren. Op 30 september 2026 heeft de gemachtigde van eiser als reactie laten weten dat zij geen contact meer heeft met eiser. Eiser is ook niet op de zitting verschenen. 4. Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Het is de rechtbank ook niet gebleken van concrete aanknopingspunten om hiervan af te wijken. Daarom bestaat geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het beroep en is het beroep niet-ontvankelijk. 5. Onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest Bahaddar kan de noodzaak bestaan om ter voorkoming van schending van artikel 3 van het EVRM een in het nationale recht neergelegde procedureregel niet tegen te werpen. Daarvoor is vereist dat wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de minister bij uitzetting van die vreemdeling artikel 3 van het EVRM zou schenden. Naar het oordeel van de rechtbank doen die feiten en omstandigheden zich in dit geval niet voor. 6. Nu op het beroep is beslist bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Ook wordt geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. 7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026 door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Immigratie- en naturalisatiedienst. Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel. Dienst Terugkeer en Vertrek. Europees Hof voor de Rechten van de Mens 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Afdeling 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...