ECLI:NL:RBDHA:2026:29501
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-10-07
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring, had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?, het ontbreken van een ondertekende asielaanvraag, leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.56698 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. S.T.V. Le), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden). Procesverloop Met het bestreden besluit van 23 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser is niet ter zitting verschenen. De rechtbank heeft een afstandsverklaring ontvangen, waarin eiser te kennen geeft dat hij niet ter zitting wenst te verschijnen. Beoordeling door de rechtbank De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring 1. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan zijn asielaanvraag en die niet zouden kunnen worden verkregen indien eiser niet in bewaring zou worden gehouden (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw). Verweerder heeft in dit verband, gelet op artikel 5.7, eerste en tweede lid, en met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 1.1. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan zijn asielaanvraag (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw). De maatregel vermeldt niet concreet welke gegevens nog moeten worden vastgesteld en waarom bewaring daarvoor noodzakelijk is, aldus eiser. Tot slot stelt eiser dat de enkele verwijzing naar het bestaan van een onderduikrisico dit gebrek niet zonder meer kan herstellen. 1.2. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraken van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2852) en van 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2844) volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een onderduikrisico – door middel van de in artikel 5.6, tweede lid van het Vb opgenomen gronden – ook gegeven is dat een maatregel van vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een asielaanvraag en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden. 1.3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Daaruit volgt namelijk dat er sprake is van een onderduikrisico. Daarmee is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog het vaststellen van de gegevens die ten grondslag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een onjuiste (onvoldoende gemotiveerde) grondslag voor de maatregel van vreemdelingenbewaring. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel? 2. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser verbleef in een COA-locatie en was daarmee bekend bij verweerder. Eiser is door de regievoerder verteld over de mogelijkheid om zelfstandig naar Ter Apel te gaan. Aan het feit dat eiser dit niet heeft gedaan, kan niet de conclusie worden verbonden dat een minder dwingende maatregel niet doeltreffend had kunnen zijn. Daarbij is van belang dat eiser heeft verklaard niet te weten hoe hij naar Ter Apel moest reizen en of hij daar opvang zou krijgen. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend hadden kunnen worden toegepast. Zoals hiervoor onder 1.3. is overwogen volgt uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd dat er sprake is van een onderduikrisico bij eiser. Daarnaast zijn door eiser geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die hadden moeten leiden tot toepassing van een lichter middel. Niet is gebleken van omstandigheden die de bewaring onevenredig bezwarend maken. De stelling dat eiser niet naar Ter Apel is gegaan omdat hij niet wist hoe hij daar naar toe moest reizen en of hij daar opvang zou krijgen, is daarvoor onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het ontbreken van een ondertekende asielaanvraag 3. Eiser heeft namens zijn gemachtigde ter zitting meegedeeld dat hij zijn beroepsgrond over het ontbreken van een ondertekende asielaanvraag niet langer handhaaft. De rechtbank laat deze beroepsgrond daarom onbesproken. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Helsen, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...