Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:29410

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-10-02
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.53886
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
2.248 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bewaring, vervolgberoep, stelling dat vreemdeling bij familie kan verblijven niet onderbouwd, ook geen volledige medewerking, daarom geen lichter middel, duur LP-procedure nog niet zodanig lang dat zicht op uitzetting ontbreekt, ook niet gebleken maatregel onevenredig.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.53886 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. B. Snoeij), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt). Procesverloop Met het besluit van 28 april 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 22 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen de voortduring van de bewaring ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Overwegingen 1. Eisers niet onderbouwde stelling dat hij in afwachting van zijn verwijdering bij zijn in Nederland wonende zus kan verblijven is onvoldoende voor het oordeel dat de minister moet overgaan tot het toepassen van een lichter middel dan bewaring. Hierbij is onder meer ook van belang dat eiser eerder heeft verklaard te kunnen beschikken over een kopie van een paspoort, maar dat hij dit nog altijd niet heeft overgelegd. Ook is eiser niet verschenen op een op 7 september 2026 gepland vertrekgesprek. Er is dan ook geen sprake van (volledige) medewerking van eiser. 2. De aanvraag tot het verstrekken van een laissez passer is al geruime tijd in onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten, maar nog niet zodanig lang dat kan worden gezegd dat er geen reëel zicht op uitzetting is. Evenmin is gebleken van feiten en omstandigheden die maken dat de voortduring onevenredig bezwarend moet worden geacht. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van M.R. van Kerkwijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...