ECLI:NL:RBDHA:2026:28818
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-09-28
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel Turkije - verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser niet te vrezen heeft van de autoriteiten, ondanks de in het verleden ervaren problemen - verweerder heeft terecht gewezen op het tijdsverloop sinds 2017 zonder problemen, op de omstandigheid dat de problemen met de politie voor eiser niet de aanleiding zijn geweest voor zijn vertrek uit Turkije en op het ontbreken van een concrete aanleiding om aan te nemen dat eiser op de radar staat van de autoriteiten - discriminatie vanwege Koerdische etniciteit behelst geen vervolging - beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.35230 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. N. Wouters), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E.C.J.M. Jansen). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn asielaanvraag en tegen het alsnog genomen besluit waarin verweerder zijn asielaanvraag heeft afgewezen. 1.1. Eiser heeft op 25 maart 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 30 juli 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. 1.2. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 eisers aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Omdat eiser zich niet kan verenigen met het genomen besluit, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook gericht tegen dit besluit. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E. Aydin als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd hij sinds 1994 meermaals is lastiggevallen en is mishandeld door de autoriteiten vanwege zijn Koerdische achtergrond en vanwege de klacht die zijn familie heeft ingediend tegen Turkije bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Eiser heeft verder aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij en zijn minderjarige zoon discriminatie hebben ervaren in Turkije vanwege hun Koerdische achtergrond. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. De problemen en ondervonden discriminatie vanwege Koerdische afkomst. 3.1. Verweerder heeft de problemen en discriminatie die eiser stelt te hebben ondervonden vanwege zijn Koerdische afkomst niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze problemen en discriminatie niet leiden tot gegronde vrees voor vervolging. De problemen die eiser stelt te hebben ervaren met de politie hebben niet de aanleiding gevormd tot zijn vertrek en eiser heeft verklaard dat hij in de negen jaren voorafgaand aan en tijdens zijn vertrek geen problemen heeft ervaren. Verder is niet gebleken dat de discriminatie die eiser heeft ervaren een dusdanig ernstige beperking heeft opgeleverd van zijn bestaansmogelijkheden dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij voert ten eerste aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege de problemen die hij en zijn familie met de autoriteten hebben. Eiser is in het verleden slachtoffer geweest van bedreigingen, intimidatie en mishandelingen door de politie en vreest dat dat in de toekomst opnieuw zal gebeuren. Eisers familie wordt gezien als terroristen en de politie is sinds zijn vertrek uit Turkije al twee keer bij eisers echtgenote langs geweest. Ten onrechte wordt eiser tegengeworpen dat uit het feit dat hij op legale wijze en zonder problemen is uitgereisd, zou blijken dat er geen problemen met de autoriteiten meer verwacht hoeven worden. Eiser heeft daarbij geluk gehad. 4.1. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat de discriminatie niet zodanig is dat eiser in zijn bestaansmogelijkheden wordt beperkt. Eiser is vaak ontslagen vanwege zijn etniciteit en heeft niet op normale wijze zijn basisonderwijs kunnen voltooien. Bovendien heeft verweerder hier ten onrechte niet bij betrokken dat eiser vanwege zijn familiegeschiedenis zich niet tot de autoriteiten kan wenden voor bescherming. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen. Omdat het beroep oorspronkelijk gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven. Het bHeaeroep niet tijdig beslissen 6. Eiser heeft verweerder met de brief van 9 juli 2025 in gebreke gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. Hierna zijn twee weken verstreken voordat eiser op 30 juli 2025 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 30 oktober 2025 heeft verweerder alsnog op eisers aanvraag beslist. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen. 6.1. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op eisers asielaanvraag is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Heeft eiser bij terugkeer naar Turkije te vrezen voor problemen met de autoriteiten vanwege zijn Koerdische achtergrond en de familiegeschiedenis? 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de problemen die hij in het verleden heeft gehad met de autoriteiten. Hoewel uit de verklaringen van eiser volgt dat hij in het verleden slachtoffer is geweest van ernstige mishandelingen en meerdere aanvaringen heeft gehad met de autoriteiten, heeft eiser verklaard dat hij sinds 2017 geen problemen meer heeft gehad met de autoriteiten behalve de weigering om aangifte op te nemen van de mishandeling van eisers zoon op school. Eiser heeft ook verklaard dat hij op verschillende momenten in de periode sinds 2017 contact heeft gehad met de autoriteiten; bij het aanvragen van (reis)documenten, bij het doen van aangifte en bij het uitreizen uit Turkije. Deze contactmomenten hebben niet geleid tot vervolging. Daarnaast volgt uit de verklaringen van eiser geen aanleiding om aan te nemen dat de autoriteiten actief naar hem op zoek zijn. Ter zitting heeft eiser weliswaar naar voren gebracht dat zijn echtgenote is bezocht door politie in burger, maar hij heeft dat niet nader kunnen toelichten of onderbouwen. Gelet op al het voorgaande heeft verweerder terecht gewezen op het tijdsverloop zonder problemen, op de omstandigheid dat de problemen met de politie voor eiser niet de aanleiding zijn geweest voor zijn vertrek uit Turkije en op het ontbreken van een concrete aanleiding om aan te nemen dat eiser op de radar staat van de autoriteiten. Onder deze omstandigheden heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer naar Turkije, ondanks de problemen die hij in het verleden heeft ervaren. De beroepsgrond slaagt niet. De discriminatie die eiser heeft ondervonden vanwege zijn Koerdische achtergrond 8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de discriminatie die eiser heeft ondervonden vanwege zijn Koerdische afkomst, niet dusdanig van aard is dat dit kan worden aangemerkt als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij, al dan niet op alternatieve wijze, onderwijs heeft kunnen volgen en daarna in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Eiser heeft kunnen werken in verschillende banen. Dat hij in het verleden is ontslagen vanwege zijn Koerdische etniciteit heeft eiser niet onderbouwd en dat heeft niet geresulteerd in moeilijkheden om in zijn levensonderhoud te voorzien. Onder deze omstandigheden kan de discriminatie – hoe verwerpelijk ook – niet worden beschouwd als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De stelling van eiser dat verweerder de ernst van de discriminatie niet erkent, volgt de rechtbank daarom niet. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser. Omdat verweerder te laat heeft beslist, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten voor het beroep niet tijdig beslissen. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 467,-. 10. Het beroep is ongegrond voor zover het is gericht tegen het alsnog genomen besluit. Voor een verdere proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit; verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit van 30 oktober 2025; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) doelt zij op de Vw zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw met daarachter “(oud)” dan doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw zoals dat gold op 11 juni 2026, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet. Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Op grond van paragraaf C3/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Zie ook informatiebericht 2022/102 en de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333 en ECLI:NL:RVS:2022:2332. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig beslissen met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor ½.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...