Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:28815

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-09-07
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.62379
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
15.035 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel Jordanië - afvalligheid en bekering naar christendom - verweerder vindt het terecht niet geloofwaardig dat eiser problemen zou hebben vanwege het tonen van interesse in het christendom - verweerder heeft ook terecht gevonden dat de bekering naar het christendom niet geloofwaardig is - eiser heeft geen inzicht kunnen geven in het innerlijke proces van de bekering, hoe hij zijn nieuwe geloof beleeft en waarom dat voor hem van belang is - beroep ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.62379 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. C.C. Smit), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Amakodo). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Eiser heeft op 11 november 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 30 april 2026 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen. Het beroep van eiser ziet van rechtswege ook op dit besluit. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Het onderzoek ter zitting is aangehouden en voortgezet op 4 augustus 2026. Aan de zittingen hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder (bij de tweede zitting; bij de eerste zitting was dit mr. D.A.H. van den Tillaar) en H. Al Attabi (eerste zitting) en L. Murad (tweede zitting) als tolken. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Jordaanse nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij zich in Jordanië heeft afgekeerd van de islam, interesse heeft getoond in het christendom en daardoor in de problemen is gekomen met een imam. Eiser heeft verklaard dat hij in Jordanië drie keer een christelijke kerk heeft bezocht, daarbij is betrapt door de imam en dat deze hem vervolgens met de dood heeft bedreigd en heeft achtervolgd. Eiser heeft verklaard dat ook zijn kinderen hierdoor problemen hebben ervaren. Ten slotte heeft eiser verklaard dat hij zich in Nederland heeft bekeerd tot het christendom. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit vier asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Afwending van de islam; 3. Problemen vanwege het tonen van interesse in het christendom; 4. Bekering tot het christendom. 3.1. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig en gelooft ook dat eiser zich heeft afgewend van de islam. Verweerder vindt de gestelde problemen in Jordanië vanwege het tonen van interesse in het christendom niet geloofwaardig. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde problemen zijn ontstaan vanwege zijn interesse in het christendom. De link tussen eisers interesse in het christendom, zijn problemen en de problemen van zijn kinderen is onvoldoende onderbouwd. Ook is ongerijmd dat de gestelde problemen zouden zijn begonnen twee maanden voordat eiser interesse in het christendom zou hebben getoond. Verder heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij enkel vermoedens naar voren heeft gebracht over waarom de imam hem in de gaten zou houden. Niet is te volgen dat de imam eiser al na één kerkbezoek zou volgen en eiser heeft vaag verklaard over wat hij precies zag tijdens de achtervolgingen. Ook is eiser de imam nog tegenkomen op straat voordat hij Jordanië verliet en heeft hij daarbij geen problemen ervaren. 3.2. Verweerder vindt het ook niet geloofwaardig dat eiser is bekeerd tot het christendom nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een diepgewortelde overtuiging. Zo is het ongerijmd dat eiser pas één dag voor de zitting naar voren heeft gebracht dat hij is bekeerd. Verder vindt verweerder dat eiser slechts oppervlakkig heeft verklaard over het moment van zijn bekering, over wat hem persoonlijk aansprak in het christendom en wat hem heeft bewogen zich daartoe te bekeren, en over wat de bekering voor eiser betekent. Inzicht in zijn persoonlijke proces en innerlijke belevingswereld heeft eiser niet kunnen bieden. Verweerder heeft ook tegengeworpen dat eisers kennis over het christendom ontoereikend is, gelet op dat eiser al een aantal maanden bezig is met zijn interesse en gestelde bekering in het christendom. Ook over de activiteiten die eiser heeft ondernomen, heeft hij oppervlakkig verklaard. Eiser kan geen inzicht bieden in het belang van de activiteiten. Ten slotte vindt verweerder de door eiser overgelegde brieven subjectief en strookt de inhoud van de brieven – waarin wordt gesteld dat eiser diepgaande vragen stelt over het geloof – niet met het beeld dat rijst in het nader gehoor ten aanzien van de belijdenis van het geloof. 3.3. Verweerder heeft verder geconcludeerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM vanwege zijn afwending van de islam. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij niets te vrezen heeft vanwege het afwenden van de islam en het niet praktiseren van de islam. Ook heeft hij verklaard dat hij zijn afwending van de islam niet met mensen bespreekt. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert ten eerste aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zijn problemen vanwege het (in Jordanië) tonen van interesse in het christendom ongeloofwaardig zouden zijn. Eiser heeft bij benadering verklaard over het tijdsverloop en heeft moeite met het verklaren over data, waardoor de gestelde ongerijmdheden over het tijdsverloop hem niet tegengeworpen kunnen worden. Verder heeft verweerder ten onrechte niet bij de besluitvorming betrokken dat eiser is gezien, geconfronteerd en bedreigd door de imam bij zijn eerste kerkbezoek. Dit had betrokken moeten worden als verklaring voor de redenen dat de imam eiser zou volgen. 4.1. Eiser voert ten tweede aan dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of hij vanwege toegedichte bekering te vrezen heeft voor vervolging. De betrapping bij het kerkbezoek zal leiden tot toedichting te zijn bekeerd tot het christendom. 4.2. Ten derde voert eiser aan dat verweerder ten onrechte zijn bekering naar het christendom niet geloofwaardig vindt. Eiser heeft wel degelijk inzicht geboden in zijn persoonlijke belevingswereld. Eiser wijst daarbij op zijn verklaringen over het ervaren van rust en blijheid, het niet langer ervaren van angst, de gedachte dat als hij mocht komen te overlijden hij naar Jezus gaat, en het ervaren van dankbaarheid en met zijn nieuwe geloof kunnen bieden van vergeving. Verweerder heeft bovendien onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de bekering eiser is overkomen en er geen bewuste keuze aan vooraf is gegaan. Ook heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser geen kennis heeft over de stromingen binnen het christendom, nu hij aangeeft dat het bestaan van stromingen niet belangrijk is voor zijn beleving van het christendom en nu zijn bekering niet berust op kennis opgedaan via onderzoek. Verder heeft eiser in beroep foto’s overgelegd ter onderbouwing van zijn bekering. 4.3. Ten slotte voert eiser aan dat hem ten onrechte een vestigingsalternatief wordt tegengeworpen. Dat kan namelijk pas wanneer de asielmotieven geloofwaardig zijn, daar een risico op vervolging uit volgt en er aan de voorwaarden voor een vestigingsalternatief wordt voldaan. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen. 5.1. In het arrest Ebilum van 4 juni 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de enigszins terughoudende toets – zoals de Nederlandse rechter die voorheen verrichte bij de toetsing van de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken – niet verenigbaar is met het Europese recht. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten naar de relevante feitelijke elementen. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu in zijn geheel vol en zal de rechtbank niet langer beoordelen of verweerder zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij problemen heeft vanwege het tonen van interesse in het christendom toen hij nog in Jordanië was? 6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het niet geloofwaardig is dat eiser problemen heeft ervaren vanwege het tonen van interesse in het christendom in Jordanië. Eiser heeft de link tussen (het onderzoeken van) zijn nieuwsgierigheid naar het christendom en de gestelde problemen, bedreiging en achtervolgingen niet aannemelijk gemaakt. Uit de verklaringen van eiser wordt niet duidelijk waarom de imam eiser in de gaten zou zijn gaan houden, zou zijn gaan volgen, en zou hebben opgewacht bij zijn laatste kerkbezoek. Eiser heeft daarover verklaard te vermoeden dat de imam hem volgde omdat eiser minder vaak in de moskee kwam, maar heeft dit vermoeden verder niet toegelicht of concreet gemaakt. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij de imam heeft geconfronteerd bij het laatste incident, maar ook uit zijn verklaringen over die confrontatie volgt geen duidelijke aanleiding waarom de imam hem in de gaten zou houden en acties zou ondernemen. Hoewel de rechtbank niet van eiser verlangt dat hij de beweegredenen van zijn gestelde vervolger volledig kan uiteenzetten, volgt uit het geheel van zijn verklaringen onvoldoende dat de gestelde interesse in het christendom opgepikt zou zijn door de imam en zou hebben geleid tot achtervolgingen en een bedreiging. De rechtbank overweegt verder dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eiser geen duidelijk beeld heeft kunnen schetsen van de gestelde achtervolgingen en dat de verklaringen van eiser geen aanleiding geven om aan te nemen dat de ruzie die zijn kinderen zouden hebben met de kinderen van de imam zou samenhangen met zijn interesse in het christendom. Ten slotte betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat eiser heeft verklaard dat hij de imam nog is tegenkomen in zijn wijk gedurende de twee maanden tussen de gestelde achtervolgingen en zijn vertrek uit Jordanië. Eiser heeft daarbij geen problemen ervaren of bedreigingen ontvangen van de imam. De beroepsgrond slaagt niet. 6.1. De rechtbank merkt ten overvloede op dat verweerder ten onrechte heeft betrokken dat de verklaringen van eiser over de tijdlijn ongerijmd zouden zijn. Eiser heeft tijdens het gehoor aangegeven dat hij alleen bij benadering kan verklaren over data en tijdsverloop, zoals ook volgt uit het medisch advies. Verweerder heeft de verklaringen over de tijdlijn daarom niet op deze manier mogen tegenwerpen. Gelet op de voorgaande overwegingen, maakt dit het oordeel van de rechtbank over de geloofwaardigheid van de gestelde problemen in Jordanië echter niet anders. 7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank verder van oordeel dat – anders dan eiser stelt – verweerder niet had hoeven beoordelen of eiser naar aanleiding van de gestelde betrapping door de imam te vrezen heeft voor vervolging vanwege een toegedichte bekering tot het christendom. Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij is bekeerd tot het christendom? 8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook terecht heeft geconcludeerd dat het niet geloofwaardig is dat eiser is bekeerd naar het christendom. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eiser de bekering met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft kunnen maken omdat de verklaringen onvoldoende inzicht bieden in het innerlijke proces van de bekering en in hoe eiser zijn nieuwe geloof beleeft en waarom dat voor hem van belang is. De rechtbank merkt op dat eiser uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard over de redenen waarom hij zich heeft afgewend van de islam. Bij de beantwoording van veel van de vragen over zijn bekering naar het christendom gaat eiser vooral in op waarom hij niet langer in de islam wil geloven. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat er meer verwacht mocht worden van eiser ten aanzien van het bieden van inzicht in de redenen waarom hij zich heeft bekeerd tot het christendom en wat die bekering en het gestelde nieuwe geloof hem brengt. De rechtbank betrekt daarbij dat uit het gehoor blijkt dat eiser veel kans is geboden om hierover te verklaren, waarbij verweerder de vraagstellingen heeft laten aansluiten bij de verklaringen van eiser. 8.1. De rechtbank overweegt verder dat verweerder ook terecht heeft betrokken dat eiser weinig kennis heeft over het christendom. Dat verhoudt zich niet goed met de verklaringen van eiser over dat hij regelmatig bijbellessen volgt en in de kerk veel kritische en onderzoekende vragen stelt – al vanaf zijn aankomst in Nederland. Gelet op deze verklaringen en de gestelde interesse die eiser al had in het christendom in Jordanië, kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn stelling dat van hem weinig kennis kan worden verwacht omdat er sprake zou zijn van een ‘passieve bekering’ waar geen onderzoek aan vooraf is gegaan. Ten slotte bieden de overgelegde foto’s en de hierop tijdens de zitting gegeven toelichting enig inzicht in de activiteiten die eiser onderneemt in het kader van zijn gestelde nieuwe geloof, maar deze stukken zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt niet. Vlucht- en vestigingsalternatief 9. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat verweerder in de bestreden besluiten geen vlucht- of vestigingsalternatief heeft tegengeworpen. De beroepsgrond die daarover gaat, behoeft daarom geen bespreking. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) doelt zij op de Vw zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw met daarachter “(oud)” dan doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw zoals dat gold op 11 juni 2026, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet. Op grond van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vreemdelingenwet (Vw) (oud). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448. Nader gehoor pagina 17.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...