ECLI:NL:RBDHA:2026:28814
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-08-18
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel Syrië - mondelinge uitspraak - verweerder had moeten beoordelen of eiser een risico loopt vanwege de werkzaamheden van zijn vader (in een hoge functie) bij een aan Assad-gelieerd bedrijf - beroep gegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.19942 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer] , (gemachtigde: mr. P.H. Hillen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen). Procesverloop Bij besluit van 2 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.M. Al Temimi. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Overwegingen 1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat eiser, zijn vader en zijn broers worden bedreigd omdat zijn vader in Syrië in een hoge functie werkte voor een bedrijf dat was gelieerd aan de familie Assad en omdat zijn vader had geweigerd zich aan te sluiten bij de oppositie. Eiser heeft ook verklaard dat hij vreest voor problemen omdat hij zich niet wil conformeren aan de strenge vorm van de islam, omdat zijn moeder is opgeroepen zich te melden bij de veiligheidsdienst en vanwege de algemene veiligheidssituatie in Syrië. 3. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder vindt het niet geloofwaardig dat eiser persoonlijk bedreigd is via de bedreigingen aan zijn vader. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk kunnen maken wie de bedreigingen hebben geuit en wat de intentie is van de bedreigingen. Ook heeft verweerder tegengeworpen dat eisers vader nog steeds in Syrië verblijft en hem niets is overkomen. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft vanwege het niet willen naleven van strenge islamitische voorschriften en dat er geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15 van de Kwalificatieverordening. 4. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft in zijn aanvullende beroepsgronden en ter zitting toegelicht en verduidelijkt dat hij vreest voor vervolging omdat zijn vader (in een hoge functie) werkzaam was voor een bedrijf wat aan de familie Assad is gelinkt – en dus niet alleen vanwege de bedreigingen die zijn vader heeft ontvangen. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard over de werkzaamheden en functie van zijn vader en heeft twee documenten overgelegd om deze verklaringen te onderbouwen. Tijdens de zitting heeft de rechtbank met behulp van de aanwezige tolk kennis kunnen nemen van de inhoud van deze documenten. 4.1. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat hij dit onderdeel van de verklaringen van eiser en deze twee documenten nog niet heeft beoordeeld. Hoewel verweerder zich in de besluitvorming heeft uitgelaten over de geloofwaardigheid van de gestelde bedreigingen, is er geen beoordeling gemaakt van de geloofwaardigheid van de gestelde functie van eisers vader, de daaruit volgende associatie met de familie Assad en de daarbij behorende risico’s. Gelet daarop en gelet op wat eiser heeft verklaard en overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van verweerder niet volledig is geweest. Er is namelijk niet onderzocht of eiser te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege de gestelde werkzaamheden van zijn vader in een hoge functie voor een bedrijf gelieerd aan de familie Assad. 5. Er is sprake van een gebrek in de besluitvorming en daarom is het beroep van eiser gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Dat betekent dat verweerder opnieuw zal moeten beslissen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank draagt verweerder op om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser. 6. Ten slotte ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026 door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr.M.E. Jans, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)” dan doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold op 11 juni 2026, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet. Op grond van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw (oud). Verweerder heeft in de besluitvorming verwezen naar artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn). Deze is echter op 12 juni 2026 vervangen door de Verordening (EU) 2024/1347 (Kwalificatieverordening). Ingevolge artikel 41 van de Kwalificatieverordening gelden verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn als verwijzingen naar de Kwalificatieverordening. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...