Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:27492

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-09-21
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.51454
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
124.614 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Prejudiciële vragen Asiel- en Migratiebeheer Verordening – Terugname / grondrecht op behoorlijk bestuur & omvang rechtsmiddel / motiveren afzien persoonlijk onderhoud in terugnameprocedures bij minderjarigen / belang van het kind / aanvang overdrachtstermijn. Verzoekster is een alleenstaande moeder die afkomstig is uit Nigeria. Zij heeft mede namens haar drie kinderen, een baby van zes maanden en een tweeling van 4 jaar oud, die in België zijn geboren en net als verzoekster de Nigeriaanse nationaliteit hebben, een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend. Verweerder heeft een kennisgeving terzake terugname ingediend bij de Belgische autoriteiten en de Belgische autoriteiten hebben deze kennisgeving bevestigd en daarmee erkend verantwoordelijk te zijn voor het verzoek om internationale bescherming van verzoekster en haar kinderen. De rechtbank moet uitspraak doen op het overdrachtsbesluit en op het verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster maakt bezwaar tegen de overdracht aan België en legt hieraan met name ten grondslag dat verweerder essentiële procedurele waarborgen die Verordening 2024/1351 bevat niet heeft nageleefd en dat haar verdedigingsrechten zijn geschonden. De Uniewetgever lijkt in de regeling van de rechtsmiddelen, die is neergelegd in artikel 43 van Verordening 2024/1351, de draagwijdte van de omvang van het rechtsmiddel te hebben beperkt tot drie concreet opgesomde situaties. De rechtbank vraagt het Hof of deze beperking geldig is indien de Uniewetgever daadwerkelijk heeft beoogd dat verzoekster geen beroep kan doen op haar grondrecht op behoorlijk bestuur en heeft beoogd dat verzoekster de niet-naleving van essentiële procedurele waarborgen waarin Verordening 2024/1351 voorziet niet kan aanvoeren om het overdrachtsbesluit te betwisten. De Uniewetgever heeft de lidstaten in Verordening 2024/1351 niet verplicht om in terugnameprocedures een persoonlijk onderhoud te voeren. Verweerder voert beleid dat hij dit daarom ook niet doet, tenzij de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is. De rechtbank vraagt het Hof of de verplichting voor de lidstaten om het belang van (elk) minderjarig kind een eerste overweging te laten zijn meebrengt dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud in een terugnameprocedure moet worden gebaseerd op een beoordeling van de individuele omstandigheden van de verzoeker, indien deze verzoeker, of een van deze verzoekers, minderjarig is en vereist dat deze beslissing moet worden gemotiveerd. De rechtbank vraagt het Hof voorts om te verduidelijken op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar eigen verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn. De rechtbank vraagt zich af of zij gehouden is om, in dit geval ambtshalve omdat partijen dit niet hebben gedaan, zich nader te vergewissen wat het belang van het kind is en te onderzoeken, op grond van het dossier en mogelijk door het benoemen van een deskundige, of een mogelijke overdracht aan België indruist tegen dit belang. Tot slot rijst de vraag wanneer in het hoofdgeding de overdrachtstermijn aanvangt. Verzoekster heeft door het enkele verzoeken om een voorlopige voorziening reeds opschortende werking verkregen en bereikt dat zij en haar kinderen niet kunnen worden overdragen aan België totdat de rechtbank (eind)uitspraak doet. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet toegewezen door de rechtbank en kan niet worden toegewezen met als doel om de overdrachtstermijn veilig te stellen omdat dit een rechtsmiddel is dat uitsluitend aan verzoekster toekomt. De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of in deze situatie de overdrachtstermijn aanvangt als de rechtbank uitspraak doet op het beroep of dat de overdrachtstermijn verloopt als zes maanden na de bevestiging van de kennisgeving van de terugname verstrijken voordat de rechtbank uitspraak doet. Indien het Hof arrest wijst na deze termijn wordt Nederland mogelijk verantwoordelijk vanwege het enkele tijdsverloop. De rechtbank stelt het Hof vier prejudiciële vragen en verzoekt het Hof om de vragen in de spoedprocedure te behandelen (PPU). De rechtbank verzoekt het Hof tevens om deze verwijzing te voegen met de verwijzing van 18 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:27252, C-1023/26 (PPU) – Midsen), omdat de vragen in de verwijzingen deels gelijkluidend zijn. In de onderhavige procedure stelt de rechtbank een aanvullende vraag over de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud als de verzoeker, of een van de verzoekers, minderjarig is. De behandeling van het beroep en het verzoek wordt geschorst totdat het Hof de vragen heeft beantwoord.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL26.51454 Verwijzing Verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1991 in Nigeria, verzoekster, mede namens haar minderjarig kinderen, [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2026 in België, [kind 2], geboren op: [geboortedatum] 2022 in België; [kind 3], geboren op: [geboortedatum] 2022 in België; allen de Nigeriaanse nationaliteit, (gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder, (gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de navolgende vragen in de prejudiciële spoedprocedure (PPU) , conform artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. I Is artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikelen 41, lid 2 onder a) en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden? II Dient artikel 22 van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en met artikelen 24, lid 2, 41, lid 2 onder a), en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud in een procedure inzake terugname moet worden gebaseerd op een beoordeling van de individuele omstandigheden van de verzoeker, indien deze verzoeker, of een van deze verzoekers, minderjarig is en vereist dat deze beslissing moet worden gemotiveerd? III Dient artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikelen 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken? IV Dient artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3 door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend of volstaat hiertoe dat om opschortende werking is verzocht? Motivering van de spoedeisendheid (PPU) , conform het bepaalde in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Verzoekster is een alleenstaande moeder die afkomstig is uit Nigeria. Zij heeft mede namens haar drie kinderen, een baby van zes maanden en een tweeling van 4 jaar oud, die in België zijn geboren en net als verzoekster de Nigeriaanse nationaliteit hebben, een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend. Verweerder heeft een kennisgeving terzake terugname ingediend bij de Belgische autoriteiten en de Belgische autoriteiten hebben deze kennisgeving bevestigd en daarmee erkend verantwoordelijk te zijn voor het verzoek om internationale bescherming van verzoekster en haar kinderen. Verweerder heeft een overdrachtsbesluit vastgesteld en bepaald dat verzoekster en haar drie kinderen aan België zullen worden overgedragen. Verzoekster heeft een rechtsmiddel ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en om opschortende werking verzocht. De rechtbank moet in het hoofdgeding uitspraak doen op het opschortingsverzoek en het beroepen tegen het overdrachtsbesluit. De uitvoering van het overdrachtsbesluit is opgeschort omdat verzoekster (tijdig) om opschortende werking heeft verzocht. De opschortende werking is niet door een beslissing van een rechterlijke instantie toegekend. De prejudiciële verwijzing heeft betrekking op de geldigheid en uitlegging van bepalingen uit Verordening 2024/1351 en derhalve op bepalingen uit het Unierecht die behoren tot de gebieden bedoeld in titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. De rechtbank verzoekt het Hof om vier prejudiciële vragen te beantwoorden. De eerste drie vragen hebben betrekking op de draagwijdte van het rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit, de beslissing om geen persoonlijk onderhoud te houden in een terugnameprocedure, het belang van het kind en de wijze waarop de rechtbank het belang van het kind bij de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten moet betrekken. De spoedeisendheid houdt verband met de vierde vraag. Deze vraag ziet op de verkregen opschortende werking en de gevolgen hiervan voor de aanvangsdatum van de overdrachtstermijn. De overdrachtstermijn bedraagt maximaal zes maanden en thans bestaat er geen bevoegdheid voor verweerder om deze termijn te verlengen. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of een beslissing van de rechtbank, waarin de opschortende werking is toegekend, is vereist om de ingangsdatum van de overdrachtstermijn te bepalen op het moment dat de rechtbank een definitieve beslissing neemt op het beroep tegen het overdrachtsbesluit. Het antwoord van het Hof op de vierde vraag is doorslaggevend voor het bepalen van de aanvang van de overdrachtstermijn. Deze vraag is geen louter hypothetische vraag. Indien het Hof deze vraag namelijk beantwoordt op de wijze zoals de rechtbank die voorstelt, betekent dit dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming als de rechtbank niet binnen een termijn van zes maanden vanaf de bevestiging van de kennisgeving terzake de terugname uitspraak doet. De Belgische autoriteiten hebben de ontvangst van de kennisgeving op 21 augustus 2026 bevestigd. Indien het Hof de vragen niet in de prejudiciële spoedprocedure zal behandelen, kan dit mogelijk betekenen dat het hoofdgeding door het enkele verstrijken van de overdrachtstermijn wordt beslecht doordat Nederland verantwoordelijk wordt, terwijl de Belgische autoriteiten hebben erkend om verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming dat verzoekster mede namens haar drie minderjarige kinderen heeft ingediend. Verzoekster heeft door het indienen van een opschortingsverzoek reeds bewerkstelligd dat zij en haar kinderen door verweerder niet aan België kunnen worden overgedragen totdat de rechtbank op het opschortingsverzoek beslist. De rechtbank is daartoe echter pas in staat als het Hof het Unierecht nader heeft verduidelijkt. De rechtbank kan het opschortingsverzoek niet in afwachting van het arrest van het Hof toewijzen met als doel het verstrijken van de overdrachtstermijn te voorkomen. Dit druist naar het oordeel van de rechtbank namelijk in tegen de ratio en strekking van het rechtsmiddel dat -uitsluitend- aan verzoekers toekomt. De beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof heeft een rechtstreekse invloed op de uitkomst van het hoofdgeding en indien de rechtbank niet binnen een termijn van 6 maanden vanaf 21 augustus 2026 uitspraak kan doen, kan dit bovendien leiden tot de beslechting van het hoofdgeding, zonder dat het overdrachtsbesluit aan een rechterlijke controle is onderworpen. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het Hof om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure. Voorstel beantwoording De rechtbank wil het Hof conform artikel 107, tweede lid, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie in overweging geven om de gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden: I Artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikelen 41, lid 2 onder a) en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is niet geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden. II Artikel 22 van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en met artikelen 24, lid 2, 41, lid 2 onder a), en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient aldus te worden uitgelegd dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud in een procedure inzake terugname moet worden gebaseerd op een beoordeling van de individuele omstandigheden van de verzoeker, indien deze verzoeker, of een van deze verzoekers, minderjarig is en vereist dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud moet worden gemotiveerd. III Artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken. IV Artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, dient aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3, door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend. Verzoek voeging op grond van artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 18 september 2026 drie prejudiciële vragen aan het Hof gesteld en verzocht om toepassing van de spoedprocedure (PPU), (ECLI:NL:RBDHA:2026:27252). Die procedure is bij het Hof geregistreerd onder C-1023/26 (PPU) – Midsen. De rechtbank heeft heden vergelijkbare vragen en een aanvullende vraag gesteld. De vragen II en III in procedure C-1023/26 (PPU) – Midsen, zijn identiek aan vragen III en IV in de onderhavige verwijzing en de onderbouwing van deze vragen is gelijkluidend. De eerste vraag in beide verwijzingen is identiek maar heeft betrekking op andere grondrechten. De procedure C-1023/26 (PPU) – Midsen betreft een overnameprocedure en de onderhavige procedure betreft een terugnameprocedure. De ratio en strekking van de vragen komt evenwel overeen, met dien verstande dat de tweede vraag in de onderhavige procedure uitsluitend relevant is voor deze procedure. De rechtbank verzoekt Het Hof gelet op het bovenstaande om de onderhavige verwijzingsuitspraak op grond van artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wegens verknochtheid te voegen met de procedure C-1023/26 (PPU) – Midsen voor de schriftelijke of mondelinge behandeling en het eindarrest en deze beide procedures in de prejudiciële spoedprocedure (PPU) te behandelen. Procesverloop Verzoekster heeft op 13 augustus 2026, mede namens haar drie minderjarige kinderen, in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft op 20 augustus 2026 een kennisgeving inzake terugname ingediend bij de Belgische autoriteiten. De Belgische autoriteiten hebben de ontvangst van de kennisgeving op 21 augustus 2026 bevestigd. Verweerder heeft op 27 augustus 2026 het verzoek om internationale bescherming niet in behandeling genomen , maar een overdrachtsbesluit vastgesteld en daarin bepaald dat verzoekster en haar minderjarige kinderen aan België zullen worden overgedragen. Verzoekster heeft op 2 september 2026 beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en daarnaast, tevens op 2 september 2026, verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om zodoende de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst op haar beroep. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 september 2026 op zitting behandeld. Verzoekster en haar gemachtigde zijn niet verschenen. De gemachtigde van verweerder is verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting na afloop van de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening niet gesloten en medegedeeld dat zij zich beraadt over het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Overwegingen Inzet van het hoofdgeding en standpunten van partijen 1. Verzoekster is een alleenstaande moeder die afkomstig is uit Nigeria. Zij heeft mede namens haar drie kinderen, een baby van zes maanden en een tweeling van vier jaar oud, die in België zijn geboren en net als verzoekster de Nigeriaanse nationaliteit hebben, een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend. 2. Het verzoek om internationale bescherming is ingediend op 13 augustus 2026. Verweerder heeft geen persoonlijk onderhoud zoals bedoeld in artikel 22 van Verordening 2024/1351 met verzoekster gevoerd. 3. Verweerder heeft verzoekster op 17 augustus 2026 per brief medegedeeld dat Italië mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van haar verzoek om internationale bescherming. 4. Verweerder heeft de Belgische autoriteiten op 20 augustus 2026 in kennis gesteld van de terugname, welk verzoek door de Belgische autoriteiten op 21 augustus 2026 is bevestigd. 5. Verweerder heeft verzoekster op 21 augustus 2026 per brief medegedeeld dat niet Italië, maar België waarschijnlijk verantwoordelijk is voor de behandeling van haar verzoek om internationale bescherming. In deze brief is medegedeeld dat verzoekster zelf of via haar advocaat per brief kan aangeven dat zij niet aan België kan worden overgedragen en bewijzen mee kan sturen om haar bezwaren te onderbouwen. In deze brief is niet vermeld binnen welke termijn verzoekster haar bezwaren tegen een overdracht aan België kenbaar moet maken. Verweerder heeft ter zitting op vragen van de rechtbank medegedeeld dat verweerder deze brief in persoon aan verzoekster heeft uitgereikt op 21 augustus 2026. 6. Verweerder heeft verzoekster op 25 augustus 2026 medegedeeld welke advocaat haar in het hoofdgeding zal bijstaan . 7. Verweerder heeft op 27 augustus 2026 een overdrachtsbesluit vastgesteld. 8. Verzoekster heeft een rechtsmiddel aangewend tegen het overdrachtsbesluit en gelijktijdig een verzoek om opschortende werking ingediend. Verzoekster maakt bezwaar tegen de overdracht aan België en voert daartoe onder meer aan dat het overdrachtsbesluit in strijd is genomen met de procedurele waarborgen waarin Verordening 2024/1351 voorziet. Verzoekster heeft gelet op het zeer korte tijdsverloop en de feitelijke gang van zaken geen reële mogelijkheid gehad om bezwaren tegen de overdracht aan België kenbaar te maken. Verzoekster acht het in het bijzonder van belang dat zij niet is gehoord om de gestelde verantwoordelijkheid van de Belgische autoriteiten voor haar verzoek om internationale bescherming te bespreken. Verzoekster stelt dat zij geen reële en effectieve mogelijkheid heeft gehad om juridische bijstand te verkrijgen en om de aan de procedure ten grondslag gelegde informatie met haar gemachtigde te bespreken. Verzoekster had ook de gelegenheid moeten krijgen om verweerder naar behoren gemotiveerde redenen voor te leggen om hem te doen overwegen om de discretionaire clausule toe te passen. Verweerder had dus niet kunnen afzien van het houden van een persoonlijk onderhoud. Verzoekster heeft tevens betwist dat ten aanzien van België kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en verzoekster vreest dat zij na overdracht verstoken zal blijven van opvangvoorzieningen omdat zij in België reeds een asielprocedure volledig heeft doorlopen en haar verzoek om internationale bescherming dat zij in Nederland heeft ingediend, zal worden aangemerkt als een volgend verzoek om internationale bescherming. 9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat Verordening 2024/1351 geen verplichting bevat om een persoonlijk onderhoud te houden als een procedure voor terugname wordt gevoerd. Artikel 22 van Verordening 2024/1351 ziet namelijk op procedures die zijn geregeld in artikel 39 van Verordening 2024/1351 en dat zijn de procedures voor overnameverzoeken. Verweerder voert daarom het beleid dat in terugnameprocedures in de regel geen persoonlijk onderhoud wordt gevoerd. Dit is alleen anders als de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is, omdat dan het belang van het kind moet worden getoetst. Ter zitting heeft verweerder op vragen van de rechtbank aangegeven dat verweerder vindt dat hij voldoende rekening heeft gehouden met het belang van het kind. Artikel 36, lid 2, van Verordening 2024/1351 bepaalt dat, kort gezegd, kinderen en ouders bij elkaar moeten blijven en daaraan is voldaan in het overdrachtsbesluit. Daarmee heeft verweerder het belang van het kind voldoende betrokken, aldus verweerder. Het is aan verzoekster om te stellen dat het belang van het kind zich verzet tegen de overdracht en om dit dan ook te onderbouwen. Verweerder heeft toegelicht dat deze verplichting om ouders en kinderen bij elkaar te houden niet aan de orde is bij niet-begeleide minderjarigen en dat verweerder in zijn beleid daarom – bij wijze van uitzondering- heeft bepaald dat met niet-begeleide minderjarigen in terugnameprocedures wel een persoonlijk onderhoud wordt gevoerd om zodoende het belang van het kind te kunnen toetsen. Verweerder heeft zich overigens, op vragen van de rechtbank, op het standpunt gesteld dat het belang van het kind niet aan de orde kan komen bij het beoordelen van het rechtsmiddel omdat de draagwijdte van het rechtsmiddel in artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 is beperkt tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden. Het belang van het kind kan daarom alleen worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zich verzet tegen de overdracht, aldus verweerder. 10. De rechtbank ziet zich in het hoofdgeding allereerst voor de vraag gesteld of verzoekster haar rechtsmiddel kan onderbouwen door te stellen dat een aantal procedurele waarborgen niet in acht is genomen. De Uniewetgever lijkt namelijk beoogd te hebben dat de draagwijdte van het rechtsmiddel beperkt is en niet alle grondrechten kunnen worden ingeroepen bij het betwisten van het overdrachtsbesluit. De rechtbank ziet zich ook voor de vraag gesteld of verzoekster haar verdedigingsrechten voldoende heeft kunnen uitoefenen en of verweerder in dat verband een persoonlijk onderhoud met verzoekster had moeten voeren. Ook indien de Uniewetgever de lidstaten niet heeft willen verplichten om een persoonlijk onderhoud te voeren in (alle) terugnameprocedures, dient immers toch voldaan te worden aan algemene zorgvuldigheidbeginselen en waarborgen. Verweerder is op grond van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 verplicht om bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, het belang van het kind de eerste overweging te laten vormen. Deze verplichting, die ook volgt uit artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, ziet dus ook op terugnameprocedures. De rechtbank vraagt zich af of deze verplichting meebrengt dat verweerder, zoals artikel 22, lid 1, van richtlijn 2024/1351 ten aanzien van overnameprocedures voorschrijft, ook bij een terugnameprocedure informatie moet verzamelen over de specifieke situatie van de verzoeker(s) door proactief vragen te stellen die kunnen helpen bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, indien de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat en een overdrachtsbesluit ziet op minderjarigen, danwel gevolgen heeft voor minderjarigen. De rechtbank vraagt zich in dat verband tevens af of verweerder als hij in deze situatie geen persoonlijk onderhoud voert, deze beslissing moet motiveren zodat de verzoeker en de rechtbank kunnen controleren hoe verweerder het belang van het kind heeft bepaald en heeft betrokken bij het vaststellen van het overdrachtsbesluit. Ook indien een andere lidstaat verantwoordelijk kan worden gehouden voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten zich niet tegen de overdracht verzet, kan het belang van het kind zich immers verzetten tegen de overdracht. Indien dat het geval is, kan het overdrachtsbesluit niet worden uitgevoerd. Dit is dus een andere situatie dan wanneer de autoriteiten wel bevoegd zouden zijn om een overdrachtsbesluit vast te stellen, maar daarvan afzien omdat zij toepassing willen geven aan de discretionaire clausule. 11. De rechtbank vraagt zich tevens af wat in het hoofdgeding de omvang van haar eigen verplichting is om het belang van het kind te betrekken bij haar beslissing op het rechtsmiddel tegen het overdrachtsbesluit en haar beslissing op het verzoek om opschortende werking. Verzoekster heeft drie zeer jonge kinderen. Verweerder heeft geen enkele informatie over deze kinderen vergaard en weet alleen wanneer en waar deze kinderen zijn geboren en welk geslacht en welke nationaliteit zij hebben. Verzoekster heeft uit eigen beweging geen informatie aan verweerder verschaft over haar kinderen, maar uit het dossier blijkt dat zij zeer kort voor het vaststellen van het overdrachtsbesluit pas op de hoogte is geraakt dat niet de Italiaanse autoriteiten, maar de Belgische autoriteiten door verweerder verantwoordelijk worden geacht voor haar verzoek om internationale bescherming en dat verzoekster pas op 25 augustus 2026 is geïnformeerd wie haar gemachtigde is en op 27 augustus 2026 reeds een overdrachtsbesluit is vastgesteld. De rechtbank stelt echter ook vast dat verzoekster haar bezwaren tegen de overdracht aan België niet heeft onderbouwd door zich te beroepen op het belang van het kind en dat verzoekster niet is verschenen ter zitting om haar bezwaren tegen de overdracht toe te lichten. De rechtbank merkt hierbij wel op dat de gemachtigde van verzoekster de rechtbank op 15 september 2026 heeft medegedeeld dat zij zelf niet aanwezig kan zijn en daarom in overleg met verzoekster is besloten niet ter zitting zullen verschijnen. De rechtbank meent dat de verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn ook betrekking heeft op de rechterlijke instantie en dat dit volgt uit het Verdragsrecht en het Unierecht. De rechtbank verzoekt het Hof om nader te verduidelijken op welke wijze de rechtbank in het hoofdgeding invulling moet geven aan haar verplichtingen die volgen uit artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 12. De rechtbank twijfelt bovendien of de overdrachtstermijn aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet op het beroep indien de rechtbank deze uitspraak niet doet binnen zes maanden na de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door de Belgische autoriteiten en de rechtbank op dat moment niet heeft beslist op het opschortingsverzoek. De rechtbank vraagt zich af of uitsluitend een door een rechterlijke instantie toegewezen opschortingsverzoek meebrengt dat de overdrachtstermijn aanvangt na de uitspraak op beroep, of dat hiervoor volstaat dat (tijdig) is verzocht om opschorting en het indienen van het opschortingsverzoek tot gevolg heeft gehad dat de uitvoering van het overdrachtsbesluit moest worden opgeschort. Indien het Hof deze vraag aldus beantwoordt dat een toegewezen opschortingsverzoek is vereist binnen een termijn van maximaal zes maanden na de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door de Belgische autoriteiten omdat anders Nederland verantwoordelijk wordt, en indien de rechtbank niet binnen deze termijn uitspraak kan doen als het Hof de vragen beantwoordt na ommekomst van deze zes maanden na de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door de Belgische autoriteiten, komt het belang van de vragen van de rechtbank te vervallen omdat Nederland dan vanwege het tijdsverloop in het hoofdgeding verantwoordelijk zal zijn voor de inhoudelijke behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Dan zal immers de termijn waarbinnen verweerder verzoekster moet overdragen zijn verstreken en is niet langer relevant of de rechtbank het overdrachtsbesluit rechtmatig acht omdat dit besluit in dat geval niet meer kan worden uitgevoerd. 13. De rechtbank stelt daarom de navolgende prejudiciële vragen en verzoekt het Hof om deze vragen in de prejudiciële spoedprocedure (PPU) te behandelen: (…) I Is artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikelen 41, lid 2 onder a) en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden? II Dient artikel 22 van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en met artikelen 24, lid 2, 41, lid 2 onder a), en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de beslissing om af te zien van een persoonlijk onderhoud in een procedure inzake terugname moet worden gebaseerd op een beoordeling van de individuele omstandigheden van de verzoeker, indien deze verzoeker, of een van deze verzoekers, minderjarig is en vereist dat deze beslissing moet worden gemotiveerd? III Dient artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikelen 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken? IV Dient artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3 door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend of volstaat hiertoe dat om opschortende werking is verzocht? 14. Toepasselijke bepalingen Verdrag inzake de rechten van het Kind Artikel 3 1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 8 - Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Artikel 13 – Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie. Verdrag betreffende de Europese Unie Artikel 3 (…) 5. In de betrekkingen met de rest van de wereld handhaaft de Unie haar waarden en belangen en zet zich ervoor in, en draagt zij bij tot de bescherming van haar burgers. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de Verenigde Naties. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Artikel 7- De eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie. Artikel 24 – De rechten van het kind (…) 2. Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging. (…) Artikel 41 – Recht op een behoorlijk bestuur 1.Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld. 2.Dit recht behelst met name: a. a) het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen; (…) Artikel 47 - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. (…) Artikel 51 - Toepassingsgebied 1. De bepalingen van dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld. (…) Artikel 52 – Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen 1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. 2. De door dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende rechten die voorkomen in bepalingen van de Verdragen, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die door deze Verdragen zijn gesteld. 3. Voor zover dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. (…) 7.De toelichting, die is opgesteld om richting te geven aan de uitlegging van dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, wordt door de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten naar behoren in acht genomen. Artikel 53 – Beschermingsniveau Geen van de bepalingen van dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve toepassingsgebieden worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede door de grondwetten van de lidstaten. Verordening 2024/1351 (46) Overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening het belang van het kind de eerste overweging te vormen. Bij het beoordelen van het belang van het kind dienen de lidstaten met name het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige op de korte, middellange en lange termijn, overwegingen van veiligheid en de opvattingen van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en mate van volwassenheid, alsook met diens achtergrond, terdege in aanmerking te nemen. Voorts dienen voor niet-begeleide minderjarigen vanwege hun kwetsbaarheid specifieke procedurele waarborgen te worden vastgelegd, waaronder de aanstelling van een vertegenwoordiger. (48) Overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven een eerste overweging te vormen. (60) Er dient een persoonlijk onderhoud met de verzoeker plaats te vinden om gemakkelijker te kunnen bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, tenzij de verzoeker is ondergedoken, het persoonlijk onderhoud niet heeft bijgewoond zonder gegronde redenen of de door de verzoeker verstrekte informatie toereikend is om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is. Om er zeker van te zijn dat alle relevante informatie van de verzoeker wordt verkregen om correct vast te kunnen stellen welke lidstaat verantwoordelijk is, moet een lidstaat die het persoonlijk onderhoud achterwege laat de verzoeker de mogelijkheid bieden om alle aanvullende informatie te overleggen, met inbegrip van naar behoren gemotiveerde redenen op basis waarvan de autoriteit de noodzaak van een persoonlijk onderhoud kan overwegen. Zodra het verzoek om internationale bescherming wordt geregistreerd, moet de verzoeker met name in kennis worden gesteld van de toepassing van deze verordening, van het feit dat op basis van objectieve criteria is bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn of haar verzoek om internationale bescherming, van zijn of haar rechten en verplichtingen uit hoofde van deze verordening en van de gevolgen van niet-naleving van de verplichtingen. (62) Teneinde de grondrechten van verzoekers op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, de rechten van het kind en de bescherming tegen onmenselijke en vernederende behandeling als gevolg van een overdracht daadwerkelijk te beschermen, dienen verzoekers te kunnen beschikken over het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, beperkt tot die rechten, overeenkomstig met name artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. (87) Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die worden gewaarborgd in het Unie- en het internationaal recht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze verordening is met name gericht op volledige waarborging van het recht op asiel dat wordt gegarandeerd door artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van de rechten die worden erkend uit hoofde van de artikelen 1, 4, 7, 24 en 47 daarvan. De lidstaten moeten deze verordening derhalve dienovereenkomstig toepassen, met volledige inachtneming van die grondrechten. Artikel 23 – Waarborgen voor minderjarigen 1. Bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, vormt het belang van het kind de eerste overweging voor de lidstaten. (…) (…) Artikel 36 - Verplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat (…) 2. Voor de toepassing van deze verordening is het niet mogelijk de situatie van een minderjarige die de verzoeker vergezelt en onder de definitie van gezinslid valt, te scheiden van de situatie van het gezinslid, en de minderjarige wordt overgenomen of teruggenomen door de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van dat gezinslid, zonder dat daarvoor schriftelijke instemming van de betrokken persoon vereist is, ook al is de minderjarige zelf geen individuele verzoeker, tenzij wordt aangetoond dat dat niet in het belang van het kind is. Hetzelfde geldt voor kinderen die na de aankomst van de verzoeker op het grondgebied van de lidstaten zijn geboren, zonder dat een nieuwe procedure voor hun overname hoeft te worden ingeleid. (…) Artikel 43 – Rechtsmiddelen 1.De verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 36, lid 1, punten b) en c), heeft het recht tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen, in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht. De draagwijdte van een dergelijk rechtsmiddel is beperkt tot een beoordeling of: a)De overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de grondrechten; b)er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening; c)inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen. (…) 3. De betrokken persoon heeft het recht om binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van het overdrachtsbesluit, die in ieder geval niet langer mag zijn dan de door de lidstaten op grond van lid 2 vastgestelde termijn, een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van zijn of haar beroep of bezwaar. De lidstaten kunnen in hun nationale recht bepalen dat het verzoek om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten samen met het beroep op grond van lid 1 moet worden ingediend. De lidstaten zorgen ervoor dat er een doeltreffend rechtsmiddel beschikbaar is door de overdracht op te schorten totdat de beslissing over het eerste opschortingsverzoek is gegeven. Een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit wordt genomen binnen een maand na de datum waarop de bevoegde rechterlijke instantie dat verzoek heeft ontvangen. Indien de betrokken persoon zijn of haar recht om om opschortende werking te verzoeken, niet heeft uitgeoefend, schort het beroep of bezwaar tegen het overdrachtsbesluit de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op. Een beslissing om de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op te schorten wordt gemotiveerd. Indien opschortende werking wordt toegekend, tracht de rechterlijke instantie binnen een maand na de beslissing om opschortende werking toe te kennen, een beslissing ten gronde te nemen over het beroep of het bezwaar. Artikel 46 - Gedetailleerde voorschriften en termijnen 1. Een verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 36, lid 1, punten b) en c), wordt overeenkomstig het nationale recht van de overdragende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de overdragende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat, zodra dat praktisch mogelijk is en binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3.(…) 2. Indien de overdracht niet plaatsvindt

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...