ECLI:NL:RBDHA:2026:2731
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-02-12
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel, Senegal, veilig land van herkomst, asielrelaas tijdens gehoor, geen voorbereidingstijd, gegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.49985 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond, omdat de minister het besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid. Het gehoor van eiser was gericht op een veilig land van herkomst, Senegal in het geval van eiser. Toen tijdens het gehoor duidelijk werd dat eiser een individueel asielrelaas had, was de minister gehouden het gehoor af te breken. Eiser heeft namelijk geen gelegenheid gehad om zich met zijn gemachtigde voor te bereiden op het gehoor over zijn homoseksuele geaardheid. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister het bestreden besluit zorgvuldig heeft voorbereid. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 december 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is homoseksueel en loopt daardoor risico in zijn land van herkomst. Hierdoor vreest eiser voor vervolging omdat homoseksualiteit strafbaar is in Senegal. Het bestreden besluit 4. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De homoseksualiteit van eiser en de bedreigingen als gevolg daarvan acht de minister niet geloofwaardig. Daarom merkt de minister Senegal aan als veilig land van herkomst. De in het landenbeleid geformuleerde uitzondering voor LHBTI is, gelet op het ongeloofwaardig geachte asielrelaas, namelijk niet op eiser van toepassing. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond. Verder wordt aan eiser een vertrektermijn onthouden en aan hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren. Naar aanleiding van de arresten van het Hof van Justitie van 1 augustus 2025 stelt de minister zich in beroep op het standpunt dat Senegal niet langer kan worden gezien als veilig land van herkomst. De minister handhaaft wel de afwijzing van de asielaanvraag en verzoekt de rechtbank zelf in de zaak te voorzien door eiser een vertrektermijn van vier weken op te leggen. Het opgelegde inreisverbod komt te vervallen. Heeft eiser ten onrechte geen gelegenheid gehad om het gehoor voor te bereiden? 5. Eiser betoogt dat de minister het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. Eiser voert aan dat de minister het gehoor ten onrechte niet heeft gestaakt toen bleek dat het asielrelaas van eiser zag op zijn homoseksuele gerichtheid is. Dat is een van de uitzonderingen in het landenbeleid voor Senegal, in welk geval Senegal niet kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. De minister had het gehoor dan ook moeten staken en had eiser de kans moeten geven om zich met zijn gemachtigde te kunnen voorbereiden op het gehoor. Dit volgt uit artikel 3.109, zevende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eiser betoogt dat de minister dit in andere zaken wel heeft gedaan. Dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De minister heeft hier geen verdere onderbouwing voor gegeven. Ook heeft eiser geen voorlichting of voorbereiding op het gehoor gehad. Er is enkel een groepsgesprek geweest met Vluchtelingenwerk. Dit ziet enkel op de procedure die spoor 2 heeft. Er is dan ook geen sprake van enige individuele voorbereiding op het gehoor. 5.1. In het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat artikel 3.109 van het Vb 2000 niet van toepassing is, omdat Senegal is aangemerkt als een veilig land van herkomst. In beroep heeft de minister haar standpunt gewijzigd, in zoverre dat zij heeft erkend dat de asielaanvraag van eiser niet had mogen worden behandeld in spoor 2, omdat Senegal achteraf ten onrechte is aangemerkt als veilig land van herkomst. Eiser is hierdoor niet in zijn belangen geschaad, omdat op de relevante onderdelen is doorgevraagd, waarbij rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Mocht er al sprake zijn van een onzorgvuldigheid dan is die niet van dien aard dat is gehandeld in strijd met de Kwalificatie- of Procedurerichtlijn. 5.2. Deze beroepsgrond slaagt. Aan eiser is geen rust- en voorbereidingstermijn gegeven, omdat hij zich tijdens zijn asielaanvraag in vreemdelingenbewaring bevond. Dat is tussen partijen niet in geschil. Wel is het de vraag of hem de gelegenheid had moeten worden gegeven om voorafgaand aan het gehoor door zijn gemachtigde hierop voorbereid te worden. Senegal wordt niet (meer) aangemerkt als veilig land van herkomst. Dit betekent dat het standpunt van de minister in het besluit dat artikel 3.109 van het Vb 2000 en het daarin opgenomen recht van eiser om voorafgaand aan het gehoor overleg te voeren met zijn advocaat geen toepassing vindt. Dit recht is opgenomen in artikel 3.109, zevende lid, van het Vb 2000. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser deze mogelijkheid niet heeft gehad. De minister heeft verder op zitting erkend dat het door eiser gevoerde gesprek met Vluchtelingenwerk daarmee niet gelijkgesteld kan worden. Dit betekent dat sprake is van een gebrek. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Het asielrelaas van eiser ziet op zijn seksuele geaardheid. Hierbij zijn bij uitstek de verklaringen van eiser van groot belang, zodat een goede voorlichting over het gehoor van belang is. Dit belang blijkt ook uit het verloop van het gehoor. Eiser heeft tijdens het gehoor aangegeven dat hij nog niet eerder heeft gepraat over zijn seksuele geaardheid (zie p. 2 en 28) dat hij de vragen moeilijk vindt (p. 15) en ook de vragen niet goed begrijpt (p. 29). De verwijzing van de minister naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam maakt dit niet anders. Uit deze uitspraak blijkt niet dat de vreemdeling de mogelijkheid was onthouden om voorafgaand aan het gehoor voorgelicht te worden door haar advocaat. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Omdat het beroep reeds om deze reden gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op de overige door eiser aangevoerde beroepsgronden. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond, omdat de minister gelet op hetgeen overwogen onder 5.2. heeft gehandeld in strijd met artikel 3.109, zevende lid, van het Vb 2000 en daarmee het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien door eiser een vertrektermijn van vier weken op te leggen. 6.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zestien weken, het zogenoemde 8+8 model. . Hierbij merkt de rechtbank op dat eiser nog geen nader gehoor heeft gehad omdat zijn asielaanvraag ten onrechte is behandeld in spoor 2. De rechtbank legt de minister dan ook op om eerst (alsnog) een nader gehoor met eiser te houden, voordat tot een nieuw besluit kan worden overgegaan. 6.1. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 7 december 2024; - draagt de minister op om binnen 16 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zaaknummers C-758/24 en C-759/24, ECLI:EU:C:2025:591. De minister wijst in dit kader naar artikel 3.109ca van het Vb 2000. Rb Den Haag, zp Amsterdam 17 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21447.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...