ECLI:NL:RBDHA:2026:27252
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-09-18
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Prejudiciële vragen Asiel- en Migratiebeheer Verordening - Overname / omvang rechtsmiddel / belang van het kind / aanvang overdrachtstermijn. Verzoekers zijn een gehuwde man en vrouw en hun baby. Zij zijn afkomstig uit Libië en hebben op 7 juli 2026 een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend. De Italiaanse autoriteiten hebben erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling hiervan omdat zij visa aan verzoekers hebben verleend. De rechtbank moet uitspraak doen op het overdrachtsbesluit en op het verzoek om een voorlopige voorziening. De Uniewetgever lijkt in de regeling van de rechtsmiddelen, die is neergelegd in artikel 43 van Verordening 2024/1351, de draagwijdte van de omvang van het rechtsmiddel te hebben beperkt tot drie concreet opgesomde situaties. De rechtbank vraagt het Hof of deze beperking geldig is indien de Uniewetgever daadwerkelijk heeft beoogd dat verzoekers geen beroep kunnen doen op het belang van het kind en heeft beoogd om het belang van het kind uit te sluiten van de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten. De rechtbank vraagt het Hof voorts om te verduidelijken op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar eigen verplichting om het belang van het kind een eerste overweging te laten zijn. De rechtbank vraagt zich af of zij gehouden is om, in dit geval ambtshalve omdat partijen dit niet hebben gedaan, zich nader te vergewissen wat het belang van het kind is en te onderzoeken, op grond van het dossier en mogelijk door het benoemen van een deskundige, of een mogelijke overdracht aan Italië indruist tegen dit belang. Tot slot rijst de vraag wanneer in het hoofdgeding de overdrachtstermijn aanvangt. Verzoekers hebben door het enkele verzoeken om een voorlopige voorziening reeds opschortende werking verkregen en bereikt dat zij niet kunnen worden overdragen aan Italië. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet toegewezen door de rechtbank en kan niet worden toegewezen met als doel om de overdrachtstermijn veilig te stellen omdat dit een rechtsmiddel is dat uitsluitend aan verzoekers toekomt. De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of in deze situatie de overdrachtstermijn aanvangt als de rechtbank uitspraak doet op het beroep of dat de overdrachtstermijn verloopt als zes maanden na de aanvaarding van de overnameverzoeken verstrijken voordat de rechtbank uitspraak doet. Indien het Hof arrest wijst na deze termijn wordt Nederland mogelijk verantwoordelijk vanwege het enkele tijdsverloop. De rechtbank stelt het Hof drie prejudiciële vragen en verzoekt het Hof om de vragen in de spoedprocedure te behandelen (PPU). De behandeling van het beroep wordt geschorst totdat het Hof de vragen heeft beantwoord.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: NL26.49371 en NL26.49369 Verwijzing Verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1990, verzoeker, [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1995, verzoekster, mede namens hun minderjarige kind: [naam kind] , geboren op [geboortedatum] 2025, tezamen: verzoekers, allen de Libische nationaliteit, (gemachtigde: mr. E.J.P. Cats), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: L. Verhaegh). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de navolgende vragen in de prejudiciële spoedprocedure (PPU) , conform artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. I Is artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en artikelen 7, 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden? II Dient artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken? III Dient artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3 door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend of volstaat hiertoe dat om opschortende werking is verzocht? Motivering van de spoedeisendheid (PPU) , conform het bepaalde in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Verzoekers betreffen een man, zijn echtgenote en hun baby van 11 maanden. Zij hebben de Libische nationaliteit en hebben een verzoek om internationale bescherming ingediend in Nederland. De Italiaanse autoriteiten hebben voorafgaand aan dit verzoek visa aan verzoekers verleend en hebben erkend vanwege deze visaverlening verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming. Verweerder heeft overdrachtsbesluiten vastgesteld. Verzoekers hebben een rechtsmiddel ingesteld tegen de overdrachtsbesluiten en om opschortende werking verzocht. De rechtbank moet in het hoofdgeding uitspraak doen op de opschortingsverzoeken en de beroepen tegen de overdrachtsbesluiten. De uitvoering van de overdrachtsbesluiten is opgeschort omdat verzoekers (tijdig) om opschortende werking hebben verzocht. De opschortende werking is niet door een beslissing van een rechterlijke instantie toegekend. De prejudiciële verwijzing heeft betrekking op de geldigheid en uitlegging van bepalingen uit Verordening 2024/1351 en derhalve op bepalingen uit het Unierecht die behoren tot de gebieden bedoeld in titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. De rechtbank verzoekt het Hof om drie prejudiciële vragen te beantwoorden. De eerste en tweede vraag hebben betrekking op de draagwijdte van het rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit, het belang van het kind en de wijze waarop de rechtbank het belang van het kind bij de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten moet betrekken. De derde vraag ziet op de verkregen opschortende werking en de gevolgen hiervan voor de aanvangsdatum van de overdrachtstermijn. De overdrachtstermijn bedraagt zes maanden en thans bestaat er geen bevoegdheid voor verweerder om deze termijn te verlengen. De rechtbank verzoekt het Hof om te verduidelijken of een beslissing van de rechtbank, waarin de opschortende werking is toegekend, is vereist om de ingangsdatum van de overdrachtstermijn te bepalen op het moment dat de rechtbank een definitieve beslissing neemt op het beroep tegen de overdrachtsbesluiten. Het antwoord van het Hof op de derde vraag is doorslaggevend voor het bepalen van de aanvang van de overdrachtstermijn. Deze vraag is geen louter hypothetische vraag. Indien het Hof deze vraag namelijk beantwoordt op de wijze zoals de rechtbank die voorstelt, betekent dit dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de behandeling van de verzoeken als de rechtbank niet binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van de overnameverzoeken uitspraak doet. De Italiaanse autoriteiten hebben het verzoek om overname ten aanzien van verzoekster op 6 augustus 2026 en ten aanzien van verzoeker en het kind van verzoekers op 10 augustus 2026 aanvaard. Indien het Hof de vragen niet in de prejudiciële spoedprocedure zal behandelen, kan dit mogelijk betekenen dat het hoofdgeding door het enkele verstrijken van de overdrachtstermijn wordt beslecht doordat Nederland verantwoordelijk wordt, terwijl de Italiaanse autoriteiten hebben erkend om verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming. Verzoekers hebben door het indienen van opschortingsverzoeken reeds bewerkstelligd dat zij door verweerder niet aan Italië kunnen worden overgedragen totdat de rechtbank op de opschortingsverzoeken beslist. De rechtbank is daartoe echter pas in staat als het Hof het Unierecht nader heeft verduidelijkt. De rechtbank kan de opschortingsverzoeken niet in afwachting van het arrest van het Hof toewijzen met als doel het verstrijken van de overdrachtstermijn te voorkomen. Dit druist naar het oordeel van de rechtbank namelijk in tegen de ratio en strekking van het rechtsmiddel dat -uitsluitend- aan verzoekers toekomt. De beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof heeft een rechtstreekse invloed op de uitkomst van het hoofdgeding en indien de rechtbank niet binnen een termijn van 6 maanden vanaf 6, respectievelijk 10 augustus 2026 uitspraak kan doen, kan dit bovendien leiden tot de beslechting van het hoofdgeding, zonder dat de overdrachtsbesluiten aan een rechterlijke controle zijn onderworpen. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het Hof om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure. Voorstel beantwoording De rechtbank wil het Hof conform artikel 107, tweede lid, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie in overweging geven om de gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden: I Artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en artikelen 7, 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is niet geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden. II Artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken. III Artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, dient aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3, door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend. Procesverloop Verzoekers zijn een gehuwde man en vrouw en hun baby die afkomstig zijn uit Tripoli, Libië, en de Libische nationaliteit hebben. De Italiaanse autoriteiten hebben aan verzoekers visa verleend die geldig waren van 8 juni 2026 tot en met 22 juli 2026. Verzoekers hebben Libië op 26 juni 2026 verlaten en zijn de Unie via Italië ingereisd en hebben op 7 juli 2026 een verzoek om internationale bescherming in Nederland ingediend. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op 4 augustus 2026 op grond van artikel 29, lid 2, van Verordening 2024/1351 verzocht om verzoekers over te nemen. De Italiaanse autoriteiten hebben het verzoek om overname ten aanzien van verzoekster op 6 augustus 2026 en ten aanzien van verzoeker en het kind van verzoekers op 10 augustus 2026 beantwoord en hebben erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming. Verweerder heeft op 24 augustus 2026 de verzoeken om internationale bescherming niet in behandeling genomen , maar overdrachtsbesluiten vastgesteld en daarin bepaald dat verzoekers aan Italië zullen worden overgedragen . Verzoekers hebben op 26 augustus 2026 beroep ingesteld tegen de overdrachtsbesluiten en daarnaast, tevens op 26 augustus, verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen om zodoende de uitvoering van de overdrachtsbesluiten op te schorten in afwachting van de uitkomst op hun beroep . Verweerder heeft op 9 september 2026 een verweerschrift uitgebracht. De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening op 10 september 2026 op zitting behandeld. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door mr. S. Oukil als waarnemer van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de beroepen en verzoeken heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Bij bericht van 18 september 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen medegedeeld dat de rechtbank het noodzakelijk acht om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (hierna: Hof) te stellen. Overwegingen Inzet van het hoofdgeding en standpunten van partijen 1. Verzoekers hebben op 7 juli 2026 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verzoekers hebben bij hun aanmelding paspoorten overgelegd die door de Libische autoriteiten zijn afgegeven en na documentonderzoek door de Koninklijke Marechaussee in Nederland echt zijn bevonden . De paspoorten van verzoekers bevatten visa die zijn verleend door de Italiaanse autoriteiten en die geldig waren van 8 juni 2026 tot en met 22 juli 2026. 2. Verweerder heeft op 4 augustus 2026 met verzoekers een persoonlijk onderhoud zoals bedoeld in artikel 22 van Verordening 2024/1351 gevoerd en vervolgens de Italiaanse autoriteiten om overname verzocht. 3. De Italiaanse autoriteiten hebben vanwege de verlening van visa aan verzoekers erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming van verzoekers. Verweerder heeft daarop overdrachtsbesluiten vastgesteld. 4. Verzoekers maken bezwaar tegen de overdracht aan Italië en hebben dit kenbaar gemaakt in hun persoonlijk onderhoud, in een schriftelijke reactie naar aanleiding van het persoonlijk onderhoud , de gronden van beroep en ter zitting. Verzoekers beroepen zich mede op het belang van het kind, dat volgens verzoekers aan de overdracht in de weg staat. 5. Verweerder heeft zich in de overdrachtsbesluiten op het standpunt gesteld dat Italië vanwege het verlenen van visa verantwoordelijk is voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming die verzoekers in Nederland hebben ingediend. Volgens verweerder kan ten aanzien van Italië worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel zodat hij verzoekers mag overdragen. Voor zover verzoekers na overdracht problemen zullen ervaren, dienen zij zich tot de Italiaanse autoriteiten te wenden om zich te beklagen. Verweerder acht verzoekers niet bijzonder kwetsbaar en acht het niet noodzakelijk om individuele garanties te vragen aan de Italiaanse autoriteiten om zo te verzekeren dat verzoekers adequate opvangvoorzieningen en zorg zullen ontvangen. Ten aanzien van het belang van het kind heeft verweerder in de besluiten gewezen op artikel 23, lid 1, en artikel 36, lid 2, van Verordening 2024/1351. Verweerder heeft in de overdrachtsbesluiten vermeld dat het in het belang van het minderjarige kind van verzoekers is om bij zijn ouders te blijven. In de overdrachtsbesluiten is tevens vermeld dat de situatie van het kind van verzoekers onder de verantwoordelijkheid van Italië valt en dat verzoekers geen stukken hebben overgelegd waaruit blijkt dat overdracht aan Italië niet in het belang van hun kind is. 6. De rechtbank overweegt dat de bezwaren van verzoekers tegen een overdracht aan Italië mede verband houden met het belang van hun kind, die ten tijde van het onderzoek ter zitting en deze verwijzingsuitspraak 11 maanden oud is. De Uniewetgever heeft in Verordening 2024/1351 meerdere bepalingen opgenomen die zien op minderjarigen. Ten aanzien van het rechtsmiddel lijkt de Uniewetgever te hebben beoogd dat de omvang van het rechtsmiddel aanzienlijk wordt beperkt ten aanzien van de mogelijkheid die verzoekers op grond van Verordening 604/2013 zouden hebben gehad om op te komen tegen het overdrachtsbesluit. 7. Het belang van het kind is een in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerd grondrecht. Dit grondrecht is niet absoluut. De vraag komt evenwel op of kan worden uitgesloten dat verzoekers zich beroepen op dit grondrecht indien zij gebruik maken van hun recht om een rechtsmiddel in te stellen tegen de overdrachtsbesluiten. 8. De vraag die in dit verband ook opkomt ziet op de verplichtingen die de rechtbank heeft op grond van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, als zij de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit moet beoordelen en verweerder het belang van het kind niet heeft vastgesteld en ook niet heeft onderzocht of het belang van het kind zich verzet tegen de overdracht. Verzoekers hebben op grond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het recht op doeltreffende voorziening in rechte. In het hoofdgeding komt de vraag op of dit niet alleen betekent dat verzoekers door opschortingsverzoeken in te dienen moeten kunnen bewerkstelligen dat zij de uitkomst van de beslissing op hun eerste opschortingsverzoek en de uitkomst van hun beroep in Nederland mogen afwachten, maar of dit ook meebrengt dat de rechtbank, indien nodig ambtshalve, beoordeelt of de grondrechten van verzoekers op eerbiediging van hun familie- en gezinsleven en de rechten van het kind in acht zijn genomen bij de vaststelling van de overdrachtsbesluiten . 9. De rechtbank heeft partijen ter zitting gewezen op artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 en partijen de vraag voorgelegd of het belang van het kind ten grondslag kan worden gelegd aan het rechtsmiddel. De rechtbank heeft partijen tevens gevraagd of zij menen dat de rechtbank het belang van het kind zo mogelijk zelf moet vaststellen of moet laten vaststellen door deskundigen en vervolgens zich ambtshalve ervan moet vergewissen of het belang van het kind een eerste overweging is geweest bij de vaststelling van de overdrachtsbesluiten en het belang van het kind een eerste overweging bij de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten moet zijn. De rechtbank heeft hierbij opgemerkt dat verzoekers zich beroepen op het belang van het kind en verweerder zich op het standpunt stelt dat het belang van het kind voldoende is betrokken, maar dat geen van de partijen concreet heeft onderbouwd wat het belang van het kind van verzoekers is. 10. Verzoekers hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het belang van het kind moet worden betrokken bij de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten en dat de rechtbank verplicht is om, in voorkomend geval uit eigen beweging, na te gaan of het belang van het kind op juiste wijze is onderzocht en betrokken in de onderhavige procedure. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank verplicht is om na te gaan of Verordening 2024/1351 op juiste wijze is toegepast. De rechtbank moet zich daarbij echter beperken tot wat door verzoekers is aangevoerd, aldus verweerder. Verweerder is verplicht om het belang van het kind een essentiële overweging te laten zijn, maar mag uitgaan van de vooronderstelling dat het in het belang van het kind is om bij zijn ouders te blijven. Verweerder stelt zich ook op het standpunt dat indien het kind bij de ouders blijft, deze omstandigheid in beginsel volstaat om te voldoen aan de verplichting om het belang van het kind een essentiële overweging te laten zijn. Het is, aldus verweerder, aan verzoekers om aannemelijk te maken dat het belang van het kind aan de overdracht aan Italië in de weg staat. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat Verordening 2024/1351 geen mogelijkheid biedt om bezwaar te maken tegen het niet toepassen van de discretionaire clausule. Het belang van het kind kan daarom niet in de onderhavige procedure worden betrokken door aan te voeren dat verweerder van zijn bevoegdheid om de verzoeken om internationale bescherming onverplicht te behandelen gebruik had moeten maken. 11. De rechtbank zal uitspraak moeten doen op de verzoeken om voorlopige voorzieningen en het beroep. De rechtbank acht het noodzakelijk dat het Hof verduidelijkt of de rechtbank het belang van het kind moet betrekken bij haar beoordeling in het hoofdgeding. Artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 bepaalt uitdrukkelijk en concreet waartoe de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit is beperkt. De rechtbank stelt vast dat artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 niet bepaalt dat kan worden aangevoerd dat het belang van het kind geen eerste overweging bij de vaststelling van het overdrachtsbesluit heeft gevormd of dat het belang van het kind zich verzet tegen de overdracht. Artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 bepaalt echter dat bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, het belang van het kind de eerste overweging voor de lidstaten vormt. Artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen. De rechtbank vraagt zich af of het uitsluiten van het aanvoeren dat het belang van het kind niet (voldoende) in acht is genomen, verenigbaar is met deze bepalingen. Indien de rechterlijke controle en rechterlijke bescherming zich niet kunnen uitstrekken over deze verplichtingen van de autoriteiten, doet dit, naar het oordeel van de rechtbank, in aanzienlijke mate af aan de doeltreffendheid van het rechtsmiddel dat verzoekers hebben ingesteld. Tegelijkertijd kan artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 niet aldus worden uitgelegd dat het maken van beroep of bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht ook een beroep op het belang van het kind omvat. De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie daarom om te verduidelijken of de beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel, in die zin dat geen beroep kan worden gedaan op het belang van het kind, geldig is en verzoekt het Hof van Justitie om nader te verduidelijken op welke wijze de rechtbank invulling moet geven aan haar verplichtingen die volgen uit artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 12. De rechtbank ziet zich ook voor de vraag gesteld of de overdrachtstermijn aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet op de beroepen, indien de rechtbank deze uitspraak niet doet binnen zes maanden nadat de Italiaanse autoriteiten de verzoeken om overname hebben beantwoord en hebben erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming en de rechtbank niet heeft beslist op de verzoeken om een voorlopige voorzieningen. De rechtbank vraagt zich af of uitsluitend door een rechterlijke instantie toegewezen opschortingsverzoeken meebrengen dat de overdrachtstermijn aanvangt na de uitspraak op beroep, of dat hiervoor volstaat dat tijdig is verzocht om opschorting en het indienen van de opschortingsverzoeken tot gevolg heeft gehad dat de uitvoering van de overdrachtsbesluiten moest worden opgeschort. Indien het Hof deze vraag aldus beantwoordt dat een toegewezen opschortingsverzoek is vereist binnen een termijn van zes maanden na de erkenning van de verantwoordelijkheid door de Italiaanse autoriteiten omdat anders Nederland verantwoordelijk wordt, en indien de rechtbank niet binnen deze termijn uitspraak kan doen als het Hof de vragen beantwoordt na ommekomst van deze zes maanden na de erkenning van de verantwoordelijkheid, komt het belang van de vragen van de rechtbank te vervallen omdat Nederland dan vanwege het tijdsverloop in het hoofdgeding verantwoordelijk zal zijn voor de inhoudelijke behandeling van de verzoeken om internationale bescherming. Dan zal immers de termijn waarbinnen verweerder verzoekers moet overdragen zijn verstreken. 13. De rechtbank stelt daarom de navolgende prejudiciële vragen en verzoekt het Hof om deze vragen in de prejudiciële spoedprocedure (PPU) te behandelen: I Is artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351 en artikelen 7, 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geldig voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden? II Dient artikel 23, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit te controleren verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan wat het belang van het kind is en dit belang als een eerste overweging bij deze rechterlijke controle te betrekken? III Dient artikel 46, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in samenhang met artikel 43, lid 3, van Verordening 2024/1351, aldus te worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn uitsluitend aanvangt vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit, indien de opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3 door een rechterlijke beslissing op het eerste opschortingsverzoek is toegekend of volstaat hiertoe dat om opschortende werking is verzocht? 14. Toepasselijke bepalingen Verdrag inzake de rechten van het Kind Artikel 3 1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 8 - Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Artikel 13 – Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie. Verdrag betreffende de Europese Unie Artikel 3 (…) 5. In de betrekkingen met de rest van de wereld handhaaft de Unie haar waarden en belangen en zet zich ervoor in, en draagt zij bij tot de bescherming van haar burgers. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de Verenigde Naties. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Artikel 7- De eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en gezinsleven Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie. Artikel 24 – De rechten van het kind (…) 2. Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging. (…) Artikel 47 - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. (…) Artikel 51 - Toepassingsgebied 1. De bepalingen van dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld. (…) Artikel 52 – Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen 1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. 2. De door dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende rechten die voorkomen in bepalingen van de Verdragen, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die door deze Verdragen zijn gesteld. 3. Voor zover dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. (…) 7.De toelichting, die is opgesteld om richting te geven aan de uitlegging van dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, wordt door de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten naar behoren in acht genomen. Artikel 53 – Beschermingsniveau Geen van de bepalingen van dit Handvest van de grondrechten van de Europese Unie mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve toepassingsgebieden worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede door de grondwetten van de lidstaten. Verordening 2024/1351 (46) Overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening het belang van het kind de eerste overweging te vormen. Bij het beoordelen van het belang van het kind dienen de lidstaten met name het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige op de korte, middellange en lange termijn, overwegingen van veiligheid en de opvattingen van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en mate van volwassenheid, alsook met diens achtergrond, terdege in aanmerking te nemen. Voorts dienen voor niet-begeleide minderjarigen vanwege hun kwetsbaarheid specifieke procedurele waarborgen te worden vastgelegd, waaronder de aanstelling van een vertegenwoordiger. (48) Overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven een eerste overweging te vormen. (62) Teneinde de grondrechten van verzoekers op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, de rechten van het kind en de bescherming tegen onmenselijke en vernederende behandeling als gevolg van een overdracht daadwerkelijk te beschermen, dienen verzoekers te kunnen beschikken over het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, beperkt tot die rechten, overeenkomstig met name artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. (87) Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die worden gewaarborgd in het Unie- en het internationaal recht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze verordening is met name gericht op volledige waarborging van het recht op asiel dat wordt gegarandeerd door artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van de rechten die worden erkend uit hoofde van de artikelen 1, 4, 7, 24 en 47 daarvan. De lidstaten moeten deze verordening derhalve dienovereenkomstig toepassen, met volledige inachtneming van die grondrechten. Artikel 23 – Waarborgen voor minderjarigen 1. Bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, vormt het belang van het kind de eerste overweging voor de lidstaten. (…) (…) Artikel 36 - Verplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat (…) 2. Voor de toepassing van deze verordening is het niet mogelijk de situatie van een minderjarige die de verzoeker vergezelt en onder de definitie van gezinslid valt, te scheiden van de situatie van het gezinslid, en de minderjarige wordt overgenomen of teruggenomen door de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van dat gezinslid, zonder dat daarvoor schriftelijke instemming van de betrokken persoon vereist is, ook al is de minderjarige zelf geen individuele verzoeker, tenzij wordt aangetoond dat dat niet in het belang van het kind is. Hetzelfde geldt voor kinderen die na de aankomst van de verzoeker op het grondgebied van de lidstaten zijn geboren, zonder dat een nieuwe procedure voor hun overname hoeft te worden ingeleid. (…) Artikel 43 – Rechtsmiddelen 1.De verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 36, lid 1, punten b) en c), heeft het recht tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen, in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht. De draagwijdte van een dergelijk rechtsmiddel is beperkt tot een beoordeling of: a)De overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van de grondrechten; b)er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening; c)inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen. (…) 3. De betrokken persoon heeft het recht om binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van het overdrachtsbesluit, die in ieder geval niet langer mag zijn dan de door de lidstaten op grond van lid 2 vastgestelde termijn, een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van zijn of haar beroep of bezwaar. De lidstaten kunnen in hun nationale recht bepalen dat het verzoek om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten samen met het beroep op grond van lid 1 moet worden ingediend. De lidstaten zorgen ervoor dat er een doeltreffend rechtsmiddel beschikbaar is door de overdracht op te schorten totdat de beslissing over het eerste opschortingsverzoek is gegeven. Een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit wordt genomen binnen een maand na de datum waarop de bevoegde rechterlijke instantie dat verzoek heeft ontvangen. Indien de betrokken persoon zijn of haar recht om om opschortende werking te verzoeken, niet heeft uitgeoefend, schort het beroep of bezwaar tegen het overdrachtsbesluit de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op. Een beslissing om de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op te schorten wordt gemotiveerd. Indien opschortende werking wordt toegekend, tracht de rechterlijke instantie binnen een maand na de beslissing om opschortende werking toe te kennen, een beslissing ten gronde te nemen over het beroep of het bezwaar. Artikel 46 - Gedetailleerde voorschriften en termijnen 1. Een verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 36, lid 1, punten b) en c), wordt overeenkomstig het nationale recht van de overdragende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de overdragende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat, zodra dat praktisch mogelijk is en binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname door een andere lidstaat, of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar tegen een overdrachtsbesluit met opschortende werking overeenkomstig artikel 43, lid 3.(…) 2. Indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de in lid 1, eerste alinea, gestelde termijn, komt de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokken persoon over te nemen of terug te nemen, te vervallen, en gaat de verantwoordelijkheid over op de overdragende lidstaat. Die termijn kan, indien de overdracht niet kon worden uitgevoerd wegens de gevangenzetting van de betrokken persoon, worden verlengd tot ten hoogste één jaar, of, indien die betrokken persoon, of een gezinslid dat samen met de betrokken persoon moet worden overgedragen, is ondergedoken, zich fysiek tegen de overdracht verzet, er opzettelijk voor zorgt dat hij of zij niet in staat is te worden overgedragen, of niet aan de medische vereisten voor de overdracht voldoet, tot ten hoogste drie jaar vanaf het moment dat de verzoekende lidstaat de verantwoordelijke lidstaat daarvan in kennis stelt. Indien de betrokken persoon opnieuw ter beschikking van de autoriteiten komt en de resterende tijd van de in lid 1 bedoelde termijn minder dan drie maanden bedraagt, beschikt de overdragende lidstaat over een termijn van drie maanden om de overdracht uit te voeren. (…) Vreemdelingenwet 2000 Artikel 30 1. Onze Minister neemt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening, niet in behandeling wanneer op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. (…) Artikel 69 (…) 7.Het verzoek om een voorlopige voorziening om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten, bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, wordt gelijktijdig ingediend met het beroepschrift tegen een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a, of artikel 62b. Overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt de uitvoering van een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a of 62b niet opgeschort indien de vreemdeling geen verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend. Vreemdelingenbesluit 2000 Artikel 7.3 3. Overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt de uitvoering van het overdrachtsbesluit opgeschort, totdat: a.de termijn ingevolge artikel 69, zevende lid, van de Wet, waarbinnen een eerste verzoek om een voorlopige voorziening teneinde de overdracht op te schorten moet worden ingediend, is verstreken; of b. uitspraak is gedaan op het eerste verzoek om een voorlopige voorziening, welk verzoek binnen de termijn, bedoeld in onderdeel a, was ingediend. Rechtsvragen en overwegingen 15. Verzoekers hebben in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. De Italiaanse autoriteiten hebben erkend verantwoordelijk te zijn voor de behandeling hiervan en verweerder heeft overdrachtsbesluiten vastgesteld. Verzoekers hebben een rechtsmiddel aangewend tegen de overdrachtsbesluiten en leggen hieraan mede ten grondslag dat het belang van hun zoon, die thans 11 maanden oud is, zich tegen de overdracht aan Italië verzet. Tevens hebben zij verzocht om voorlopige voorzieningen om te bewerkstelligen dat de uitvoering van de overdrachtsbesluiten wordt opgeschort. Zij hebben deze verzoeken gelijktijdig met het instellen van beroep ingediend, zodat reeds hierdoor de uitvoering van de overdrachtsbesluiten is opgeschort en zij de beslissing van de rechtbank op deze verzoeken in Nederland mogen afwachten . 16. De vragen die in het hoofdgeding opkomen hebben betrekking op de draagwijdte van het rechtsmiddel en de wijze waarop de rechtbank het belang van het kind moet betrekken in de rechterlijke controle van de overdrachtsbesluiten. Tevens vraagt de rechtbank het Hof om te verduidelijken of de opschortende werking die is verkregen louter door het tijdig indienen van opschortingsverzoeken en dus zonder dat de opschortende werking in een rechterlijke beslissing is toegekend, meebrengt dat de overdrachtstermijn aanvangt op het moment dat de rechtbank uitspraak doet op het beroep. De rechtbank acht de beantwoording van deze vraag noodzakelijk omdat voorzienbaar is dat de rechtbank niet binnen zes maanden nadat de Italiaanse autoriteiten hun verantwoordelijkheid hebben erkend uitspraak zal kunnen doen op de opschortingsverzoeken als het Hof voor het verstrijken van die termijn de prejudiciële vragen niet heeft beantwoord. De rechtbank twijfelt of in dat geval Nederland reeds verantwoordelijk wordt voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming omdat er binnen deze termijn geen beslissing over de opschorting is genomen. De Uniewetgever heeft termijnen bepaald waarbinnen de rechterlijke instantie uitspraak moet doen over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit en, indien opschortende werking wordt toegekend door de rechterlijke instantie, een beslissing ten gronde moet nemen over het beroep. De Uniewetgever heeft geen gevolgen verbonden aan het niet voldoen aan deze termijnen door de rechterlijke instantie en partijen hebben geen mogelijkheid om de naleving van deze termijnen af te dwingen. De rechtbank vraagt zich af of dit gevolgen heeft voor de wijze waarop artikel 46, lid 1, van
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...