Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:26956

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-09-02
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
AWB 26/10015
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
11.567 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

asiel; Ivoorkust; derde opvolgende aanvraag; zelf procederende eiser; geloofwaardigheid; biseksualiteit; problemen met bazin; meerdere keren MOB; beroep ongegrond

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 26/10015 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [x] , eiser en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond in stand kan blijven. De minister heeft eisers biseksualiteit en de problemen met zijn vroegere bazin terecht ongeloofwaardig gevonden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 juni 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op 31 juli 2026 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026. Eerdere asielaanvragen 4. Eiser heeft de Ivoriaanse nationaliteit. Hij heeft op 19 september 2018 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Hij legde aan deze asielaanvraag ten grondslag dat hij biseksueel is en dat hij vreest voor zijn leven bij terugkeer naar Ivoorkust vanwege zijn seksuele gerichtheid. In het besluit van 5 mei 2021 is deze aanvraag afgewezen. Dit besluit staat in rechte vast. 4.1. Op 29 juli 2022 heeft eiser een tweede (opvolgende) aanvraag ingediend. Aan deze aanvraag legde hij ten grondslag dat zijn bazin in Ivoorkust boos was omdat hij in Nederland asiel had aangevraagd, en hiervoor het door haar bedrijf verkregen visum had gebruikt. Om die reden heeft zijn bazin hem bedreigd. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Ook dit besluit staat in rechte vast. Huidige asielaanvraag 5. Aan zijn huidige asielaanvraag heeft eiser opnieuw ten grondslag gelegd dat hij biseksueel is. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij nog steeds wordt bedreigd door zijn vroegere bazin vanwege fraude en oplichting. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser overlijdensaktes van zijn twee kinderen en per e-mail verstuurde bedreigingen overgelegd bij deze aanvraag. Het bestreden besluit 6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - biseksualiteit; - problemen met zijn vroegere bazin. De minister stelt zich op het standpunt dat in eisers vorige asielaanvragen al geconcludeerd is dat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Eisers biseksualiteit vindt de minister echter nog steeds niet geloofwaardig. Hetzelfde geldt voor eisers problemen met zijn vroegere bazin. 6.1. Voor beide asielmotieven geldt volgens de minister dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ten aanzien van eisers biseksualiteit heeft de minister eiser onder meer tegengeworpen dat zijn verklaringen over zijn biseksualiteit en zijn relatie met een man summier en oppervlakkig zijn. Daarbij komt dat eiser sinds 2022 een relatie met deze man stelt te hebben, maar hier geen verdere bewijzen van heeft overgelegd. Ten aanzien van de problemen met zijn vroegere bazin werpt de minister eiser onder meer tegen dat het slechts een vermoeden van eiser is dat de dreigmails van familie van zijn vroegere bazin afkomstig zijn. Daarnaast stelt eiser al vanaf 2019 vele malen via de mail en de telefoon te zijn bedreigd, maar heeft hij nu slechts deze vier dreigmails overgelegd. Verder werpt de minister tegen dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd, nu eiser meerdere keren met onbekende bestemming is vertrokken en zowel zijn tweede als zijn huidige asielaanvraag pas heeft ingediend kort nadat hij in bewaring werd gesteld, wat volgens de minister twijfel oproept over de noodzaak voor internationale bescherming. 6.2. Aangezien eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn geacht, heeft de minister vervolgens beoordeeld of deze reden geven om aan hem een asielvergunning te verlenen. Dat is volgens de minister niet het geval. Omdat het om een opvolgende asielaanvraag gaat, heeft de minister eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Zijn eisers biseksualiteit en de problemen met zijn bazin terecht ongeloofwaardig gevonden? 7. Eiser betoogt allereerst dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn biseksualiteit en de problemen met zijn bazin ongeloofwaardig zijn. Volgens eiser kunnen de tegenwerpingen van de minister over zijn verklaringen geen standhouden. Eiser leidt naar eigen zeggen al geruime tijd aan psychische problemen die verband houden met zijn verleden, zijn asielprocedure en de traumatische gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan zijn GZA-patiëntendossier overgelegd. Eiser betoogt dat de minister in die context niet aan hem tegen had mogen tegenwerpen dat hij niet alle documenten heeft overgelegd of dat zijn verklaringen onvolledig of tegenstrijdig zijn. Eiser heeft daarnaast foto's overgelegd als aanvullende onderbouwing van zijn biseksualiteit. Ook stelt eiser het in het bijzijn van autoriteiten moeilijk te vinden om volledig zijn verhaal te doen, zoals in dit geval bij een gehoormedewerker van de minister. Ten slotte stelt eiser de asielopvang twee keer te hebben verlaten omdat hij last had van stress en paniek. Eiser was bang voor een dreigende deportatie. Eiser betoogt dat deze context maakt dat de minister hem dit ook niet tegen had mogen werpen. 7.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank vindt dat de minister eiser wel degelijk mocht houden aan zijn verklaringen tijdens zijn gehoren. De tegenwerpingen die de minister heeft gedaan over de verklaringen van eiser kunnen dus standhouden. Dat dit niet zou kunnen vanwege psychische problemen van eiser volgt de rechtbank niet. Uit eisers GZA-patiëntendossier blijkt dat eiser door de jaren heen veel stress heeft gehad en somber is geweest door zijn procedures, en dat het overlijden van zijn kinderen enorme impact op hem heeft gehad. Hoewel de rechtbank begrijpt dat deze omstandigheden voor eiser zeer moeilijk zijn geweest, is zij van oordeel dat het patiëntendossier geen aanwijzingen bevat dat eiser ten tijde van zijn gehoor op 2 juni 2026 psychisch niet in staat was om volledig te verklaren. Zo heeft de minister tijdens de zitting terecht opgemerkt dat er tussen 19 november 2025 en 27 juli 2026 geen notities in het patiëntendossier zijn gemaakt. De laatste notitie die over eisers psychische gezondheid gaat, dateert van 8 november 2024. Uit deze notitie blijkt dat eiser niet lekker in zijn vel zat. Los van het feit dat deze notitie al enige tijd geleden is gemaakt, is dat op zichzelf ook onvoldoende om de conclusie te trekken dat eiser niet goed kon verklaren. Eiser heeft verder in zijn beroepsgronden aangegeven dat hij op 25 mei 2021 verward was en in 2023 moest stoppen met zijn werk als heftruckchauffeur omdat hij zich niet kon concentreren. Dit blijkt echter niet uit de stukken, en ook deze gebeurtenissen vonden bovendien een aantal jaren vóór het gehoor van 2 juni 2026 plaats. Die gebeurtenissen kunnen daarom ook niet tot de conclusie leiden dat eiser tijdens zijn gehoor van dit jaar psychisch niet in staat was om te verklaren. Hetzelfde geldt voor eisers stelling dat hij een aantal jaren geleden door een psycholoog is behandeld. Daarbij komt dat eiser tijdens de zitting zelf ook heeft verklaard dat hij momenteel niet bij een psycholoog in behandeling is. Verder biedt ook het verslag van het gehoor van 2 juni 2026 geen aanwijzingen dat eiser op dat moment niet in staat was om volledig te verklaren. Zo heeft eiser tijdens het gehoor zelf aangegeven geestelijk en lichamelijk in staat te zijn geweest om te verklaren, en dat er niets was waar de gehoormedewerker rekening mee moest houden. Ook blijkt niet uit eisers verklaringen dat hij verward was, moeite had zich te concentreren of anderszins niet in staat was om volledig te verklaren. Dat eiser stelt het moeilijk te vinden om in het bijzijn van een gehoormedewerker zijn verhaal te doen, biedt ten slotte ook onvoldoende reden om te oordelen dat eiser niet zou mogen worden gehouden aan zijn verklaringen. 7.2. Verder heeft de minister zich over de door eiser overgelegde foto’s terecht op het standpunt gesteld dat ook deze onvoldoende gewicht in de schaal leggen om eisers biseksualiteit alsnog geloofwaardig te achten. Op deze foto’s is namelijk alleen te zien dat eiser naast verschillende mannen staat. De rechtbank is het bovendien met de minister eens dat bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van de biseksuele gerichtheid het meeste gewicht toekomt aan eisers eigen verklaringen over zijn ervaringen en persoonlijke beleving hiervan. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, heeft de minister deze terecht te algemeen en summier gevonden, en dit ook terecht aan hem tegengeworpen. 7.3. Ten slotte heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan beschouwd, omdat hij meerdere keren met onbekende bestemming uit de asielopvang is vertrokken. Dat eiser stress had en angstig was, is op zichzelf geen verschoonbare reden om de asielopvang te verlaten zonder iets te laten weten. De minister heeft eiser dit dan ook terecht tegengeworpen. De minister heeft hier ook terecht bij betrokken dat eiser zowel zijn tweede asielaanvraag als de huidige asielaanvraag pas heeft ingediend kort nadat hij staande werd gehouden en in bewaring werd gesteld. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier. griffier rechter Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026 Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw 2000. Artikel 29, eerste lid aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Artikel 30b, eerste lid aanhef en onder g, van de Vw 2000. Verslag van het gehoor opvolgende aanvraag van 2 juni 2026, pagina 2. Zie werkinstructie 2019/17, pagina 5.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...