Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:26255

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-09-09
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.8617
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
27.012 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel Georgië; transgender; ten onrechte geen actuele landeninformatie betrokken; onvoldoende gemotiveerd dat effectieve bescherming door autoriteiten mogelijk is; discriminatie.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.8617 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [X] , eiser (gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. L. Drenthe). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser bescherming van de autoriteiten kan inroepen tegen het geweld waarvoor hij bij terugkeer stelt te vrezen. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eisers vrees voor discriminatie onvoldoende zwaarwegend is. Het beroep is daarom gegrond en de minister moet een nieuw besluit nemen op de asielaanvraag. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop. Onder 3 tot en met 5 zet de rechtbank eisers asielrelaas, de kern van het bestreden besluit en het juridisch kader uiteen. In overweging 6 tot en met 12 volgt de beoordeling door de rechtbank. Aan het eind onder 13 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser zelf was niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser is afkomstig uit Georgië. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij op jonge leeftijd ontdekte dat hij op mannen valt en dat hij homoseksueel is. Ook kleedde eiser zich al vanaf jonge leeftijd vrouwelijker. Op latere leeftijd heeft eiser ervoor gekozen om als vrouw door het leven te gaan omdat hij zich meer vrouw voelt dan man. Dit heeft hij ook geuit in Georgië, voornamelijk tijdens zijn werk als sekswerker. Als gevolg van deze gebeurtenissen heeft eiser in Georgië meerdere problemen ondervonden. Hij is onder andere mishandeld. Hiervan heeft eiser aangifte gedaan, maar dit heeft niet geholpen. Hij kan geen bescherming krijgen van de Georgische autoriteiten vanwege het zijn van een transgender vrouw. Ook is het voor hem niet mogelijk om ander werk dan sekswerk te verrichten. 3.1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielrelaas geen documenten overgelegd. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - het behoren van eiser tot de LHBTI-gemeenschap en de problemen die hij om deze reden heeft ondervonden. De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst deels geloofwaardig. Eiser heeft volgens de minister geen oprechte inspanning verricht om het asielmotief met documenten te staven. Ook heeft eiser volgens de minister onvoldoende documenten overgelegd en daarvoor geen goede verklaring gegeven. Hij voldoet daarom niet aan artikel 31, zesde lid, onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Het asielmotief dat eiser tot de LHBTI-gemeenschap behoort en om deze reden problemen heeft gehad, acht de minister deels geloofwaardig. Eisers verklaringen vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel, zodat hij niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. De geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden acht de minister onvoldoende zwaarwegend. Wat is het juridisch kader? 5. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister de vanaf 1 juli 2024 geldende werkinstructie (WI) 2024/6 heeft toegepast. Deze WI is een uitwerking van artikel 31 van de Vw 2000, dat de implementatie is van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. 5.1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026. Heeft de minister eisers identiteit ten onrechte ongeloofwaardig geacht? 6. De minister heeft tijdens de zitting verduidelijkt dat de nationaliteit en herkomst van eiser, gelet op zijn verklaringen, wel worden geloofd en dat dit ook door middel van herkomstvragen (HIS-vragen) kon worden geverifieerd. De identiteit van eiser wordt echter niet geloofwaardig geacht. 7. Eiser betoogt dat de minister zijn identiteit ten onrechte ongeloofwaardig acht. Eiser is het ermee oneens dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn asielaanvraag met objectieve documenten te staven. Dat eisers paspoort en identiteitskaart zijn gestolen in België kan hem niet worden verweten, zodat niet valt in te zien waarom de minister aan hem tegenwerpt dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd. 7.1. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit ongeloofwaardig is. Eiser heeft geen inspanningen verricht om aan documenten te komen die zijn identiteit onderbouwen nadat zijn paspoort en identiteitskaart in België zijn gestolen, terwijl hij er toen op is gewezen dat hij naar een ambassade of consulaat moest voor nieuwe documenten. Daarbij weegt de minister ook mee dat uit eisers verklaringen niet duidelijk blijkt of hij aangifte heeft gedaan van de diefstal van zijn identiteitsdocumenten. Enerzijds heeft hij verklaard van wel, anderzijds wekken zijn verklaringen de indruk dat hij geen aangifte heeft gedaan van de diefstal van de identiteitsdocumenten. Daarnaast heeft eiser geen inspanning geleverd om nieuwe documenten aan te vragen tijdens zijn verblijf in Nederland, terwijl hij hier al geruime tijd is. Dat hij de minister toestemming heeft gegeven tot het verrichten van onderzoek in België doet niet af aan het feit dat het aan eiser persoonlijk is om een inspanning te verrichten en dit heeft hij niet gedaan. 7.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eisers identiteit niet geloofwaardig is. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser zijn identiteit niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. De minister heeft daarom beoordeeld of eiser voldoet aan de in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 opgenomen voorwaarden om de identiteit alsnog geloofwaardig te achten. Met de onder 7.1 weergegeven motivering heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder a en b, van de Vw 2000. Daarbij acht de rechtbank vooral van belang dat eiser in al de jaren nadat zijn paspoort en identiteitskaart zouden zijn gestolen, geen enkele (aantoonbare) poging heeft ondernomen om aan nieuwe identiteitsdocumenten te komen. De rechtbank wil verder niet onvermeld laten dat eiser zelf ook wisselend heeft verklaard over zijn identiteit. Bij de AVIM heeft eiser verklaard dat zijn naam ‘ [eiser] ’ is en dat hij is geboren op ‘ [geboortedag] 1988’ , terwijl eiser tijdens het aanmeldgehoor verklaart dat zijn achternaam ‘ [naam] ’ is en dat hij is geboren op ’ [geboortedag] 1982’. Geloofwaardigheid overige verklaringen 8. Dat eiser als transgender tot de LHBTI-gemeenschap behoort en om deze reden problemen heeft gehad, acht de minister geloofwaardig behoudens twee stellingen van eiser. De minister acht niet aannemelijk gemaakt dat eiser als transgender geen mogelijkheid had om te werken buiten de seksindustrie. Ook heeft de minister eiser tegengeworpen dat hij onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn contact met de autoriteiten ten aanzien van de mishandelingen die hij heeft meegemaakt. Eiser heeft geen documenten overgelegd die dit deel van het asielmotief onderbouwen en de verklaringen van eiser hierover vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel, zodat niet wordt voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. 8.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht niet geloofwaardig geacht dat eiser (destijds) geen werk kon vinden buiten de seksindustrie. Eiser baseert dit vooral op zijn eigen aanname en heeft zijn stelling verder niet onderbouwd met landeninformatie. Verder is van belang dat eiser heeft verklaard dat hij niet heeft geprobeerd om ander werk te krijgen als vrouw. Ook heeft de minister eiser tegen kunnen werpen dat hij wisselend heeft verklaard over de aangiften die hij heeft gedaan en wat daar vervolgens mee zou zijn gebeurd, zodat onduidelijk is of en, zo ja, in hoeverre eiser (destijds) bescherming van de autoriteiten had kunnen krijgen, Loopt eiser bij terugkeer naar Georgië een reëel risico op vervolging of ernstige schade? Dreiging vanuit oom 9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd dat er – ook al is geloofwaardig dat de oom eiser in het verleden heeft uitgescholden en bedreigd – op dit moment geen concrete dreiging uitgaat van de oom van eiser. Eiser heeft zelf verklaard dat zijn oom hem weliswaar uitschold en heeft bedreigd, maar dat hij niet denkt dat zijn oom in staat is om hem te vermoorden. Verder heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat hij als transvrouw ruim een jaar in Georgië heeft gewoond en dat zijn oom gedurende dat jaar de bedreigingen niet heeft uitgevoerd. Dit doet, anders dan eiser in beroep stelt, wel degelijk ter zake, omdat dit aansluit bij de verklaringen van eiser dat zijn oom wel dreigt, maar niet overgaat tot uitvoering van die bedreigingen. Dat eiser een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt vanwege de dreigementen van zijn oom is daarom niet aannemelijk. Kan eiser bescherming van de autoriteiten inroepen bij mishandelingen? 10. Eiser stelt dat hij van de zijde van de Georgische autoriteiten geen bescherming hoeft te verwachten. Eiser verwijst naar een rapport van de Raad van Europa over de humanitaire situatie in Georgië. Uit dit rapport volgt volgens eiser dat de justitiële autoriteiten in Georgië in veel gevallen niet optreden en zelfs wegkijken. Voor zover de minister stelt dat eiser in Georgië in beginsel de mogelijkheid heeft om bij de desbetreffende autoriteiten aandacht te vragen voor zijn situatie, volgt uit het rapport dat indien eiser een verzoek tot bescherming doet, deze bescherming niet wordt geboden door de Georgische autoriteiten. 10.1. De minister acht weliswaar geloofwaardig dat eiser in het verleden te maken heeft gehad met fysiek geweld vanwege zijn genderidentiteit en zijn seksuele gerichtheid, maar stelt dat de Georgische autoriteiten adequate bescherming kunnen bieden en dat in de praktijk ook doen. Dat de Georgische autoriteiten bescherming bieden tegen LHBTI-gerelateerd geweld blijkt onder andere uit het feit dat in de periode 2021-2023 verschillende strafrechtelijke onderzoeken en veroordelingen hebben plaatsgevonden. Volgens de minister blijkt uit de cijfers dat de autoriteiten aangiften in behandeling nemen, vervolging instellen en dat actoren worden veroordeeld. De minister erkent dat het inroepen van bescherming van de Georgische autoriteiten voor leden van de LHBTI-gemeenschap lastig kan zijn vanwege een ongevoelige houding van de politie. Echter, de houding van de politie is de afgelopen jaren verbeterd. Leden van de LHBTI-gemeenschap kunnen ook terecht bij de Public Defender, aldus de minister. 10.2. De rechtbank overweegt allereerst dat de minister tijdens de zitting heeft toegelicht dat hij het aannemelijk acht dat eiser bij terugkeer naar Georgië te vrezen heeft voor een herhaling van het al eerder ondervonden (fysieke) geweld. Niet in geschil is dat dit geweld als zodanig kan worden aangemerkt als daad van vervolging dan wel ernstige schade. In geschil is de vraag of de Georgische autoriteiten bescherming kunnen en willen bieden tegen deze gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade. De minister moet de vraag of bescherming van een vreemdeling mogelijk is, beoordelen op het moment waarop het besluit op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt genomen. 10.3. De beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiser in Georgië adequate bescherming kan krijgen van de Georgische autoriteiten tegen gender gerelateerd geweld. De minister heeft gehandeld in strijd met artikel 10, derde lid, onder b, van de Procedurerichtlijn, waaruit volgt dat de minister zijn besluitvorming moet baseren op nauwkeurige en actuele (landen)informatie. De minister heeft zijn standpunt dat de Georgische autoriteiten bescherming kunnen en willen bieden namelijk gebaseerd op gedateerde informatie en daardoor niet onderkend dat de situatie voor transgender personen sinds 2024 ernstig is verslechterd. Uit openbare landeninformatie blijkt dat in 2024 een anti-LHBTI-wet is aangenomen die veranderingen heeft aangebracht in achttien bestaande wetten, waarbij de rechten en vrijheden van de LHBTI-gemeenschap zijn ingeperkt. Ook nadien zijn nog meerdere anti-LHBTI-wetten aangenomen. Sinds 2024 is het vertrouwen in de politie sterk afgenomen. Veel slachtoffers met een LHBTI-achtergrond doen geen aangifte meer. Er zijn vaak moeilijkheden in de samenwerking met de politie. Ook is sprake van een groeiende afstand tussen LHBTI-organisaties en de Public Defender. Advocaten die juridische ondersteuning bieden stellen dat mechanismen voor mensenrechtenbescherming in de praktijk nauwelijks nog functioneren. Binnen de LHBTI-gemeenschap worden transgenders het meest blootgesteld aan geweld. Transgenders vormen dan ook het kwetsbaarste deel van de groep. Het zijn voornamelijk transgendervrouwen die te maken krijgen met de grootste obstakels bij het vinden van werk waardoor zij het vaakst belanden in sekswerk, waar zij opnieuw te maken krijgen met discriminatie en geweld. Ook op het gebied van toegang tot gezondheidszorg ondervinden LHBTI-personen hindernissen. Overigens merkt de rechtbank over deze informatie op dat deze afkomstig is uit het rapport waar de minister in de besluitvorming zelf ook naar verwijst, de rechtbank ziet (ook) daarom niet in waarom de minister de recente en actuele situatie niet heeft betrokken. De Europese Commissie schrijft in het (jaarlijkse) voortgangsrapport 2025 over Georgië: “The legal protection of the rights of LGBTIQ persons is largely insufficient and LGBTIQ persons face serious discrimination, intolerance and systemic violence. Homophobic and transphobic rhetoric, including messages incited and amplified by high-level officials, continued. The adoption of a legislative package on family values and the protection of minors in September 2024 reinforced a hostile environment for sections of the Georgian population and fuelled stigmatisation and discrimination, in addition to very adverse legal consequences for LGBTIQ persons. Its provisions include, among others, enshrining the prohibition for non-heterosexual persons to adopt children, preventing LGBTIQ persons from changing their gender marker on identification documents, and outlawing public gatherings and the distribution of information aimed at promoting LGBTIQ identities in educational settings and in the media. The Venice Commission considers the legislation to be incompatible with relevant European and international standards. Its adoption contributed to a surge in hate crimes and increased barriers for LGBTIQ persons in enjoying their rights related to healthcare, education, and employment. The authorities not only fail to recognise and address the systemic nature of discrimination against LGBTIQ persons but amplify discrimination, intolerance and systemic violence. The national strategy for the protection of human rights and its action plan for 2024-26 omit considerations for the rights of LGBTIQ persons. Georgia has systematically failed in implementing ECtHR rulings, including in the A.D and others v. Georgia case. The impunity of instigators and organisers of violence that target LGBTIQ persons, including at Tbilisi Pride in 2021 and 2023, continues.” Gelet op de inhoud van deze informatie over de actuele situatie heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat de Georgische autoriteiten adequate bescherming kunnen en willen bieden tegen gender gerelateerd geweld. Sterker nog, uit het voortgangsrapport van de Europese Commissie over 2025 blijkt juist dat de Georgische autoriteiten zélf een versterkende rol hebben (‘amplify’) bij de discriminatie, intolerantie en het systematische geweld. Dat er in de periode 2021-2023 verschillende strafrechtelijke onderzoeken en veroordelingen voor LHBTI-geweld hebben plaatsgevonden, zoals in het bestreden besluit staat, laat onverlet dat de situatie voor LHBTI-personen nadien sterk is gewijzigd en de minister deze ontwikkeling niet in zijn beoordeling heeft betrokken. Dat geldt ook voor het argument van de minister dat de houding van de politie de afgelopen jaren is verbeterd. Uit de landeninformatie waar de minister naar verwijst, blijkt dat dat deze informatie betrekking heeft op de situatie vóór 2022. Dat de rechtbank onder 8.1 heeft overwogen dat eiser wisselend heeft verklaard over het doen van en de uitkomst van aangiften, is in dit kader evenmin relevant, omdat de houding van de autoriteiten nadien is gewijzigd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de minister op de zitting nog verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 21 april 2026. Uit deze uitspraak blijkt echter niet dat actuele landeninformatie is betrokken of is uitgegaan van de actuele situatie in Georgië – het gaat om dezelfde gedateerde informatie die de minister in onderhavige besluitvorming heeft gebruikt –, zodat alleen daarom al het beroep op deze uitspraak niet slaagt. 10.4. Het voorgaande betekent ook dat de minister de premisse van artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000 niet heeft weerlegd. Uit dit artikel volgt dat als een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd dat een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat zich dergelijke goede redenen voordoen. Is de vrees voor discriminatie voldoende zwaarwegend? 11. Eiser betoogt dat de achterstelling en discriminatie die hij heeft ervaren een dermate ernstig karakter hadden dat deze effect hebben op zijn maatschappelijk en sociaal functioneren. Feitelijk komt het erop neer dat eiser in Georgië door deze ernstige vormen van discriminatie en achterstelling, gedoemd is tot een leven aan de randen van de maatschappij. Door deze vormen van achterstelling en discriminatie kan eiser zich maatschappelijk niet wezenlijk ontplooien bijvoorbeeld doordat hij geen ander werk kan vinden dan werkzaamheden in de seksindustrie/prostitutie. Daar komt bij dat eiser in Georgië geen genderbevestigende zorg kan krijgen en ook de registratie van zijn geslacht niet kan wijzigen. Dit belemmert eiser in zijn identiteitsontwikkeling. 11.1. De minister acht weliswaar aannemelijk dat eiser op straat onheus is bejegend en dat dit in de toekomst opnieuw zou kunnen gebeuren, maar deze vorm van discriminatie is volgens de minister onvoldoende zwaarwegend om eiser als vluchteling aan te merken. De discriminatie die eiser heeft meegemaakt heeft namelijk niet een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden opgeleverd dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Eiser had in Georgië namelijk toegang tot medische zorg en woonvoorzieningen. Dat eiser geen werk kan vinden buiten de seksindustrie heeft hij niet aannemelijk gemaakt. 11.2. In geschil is of eiser met de door hem aangedragen persoonlijke feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem ondervonden – en na terugkeer te ondervinden – discriminatie moet worden aangemerkt als daad van vervolging. Hiervan is sprake als hij door deze discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. 11.3. De beroepsgrond slaagt. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat de na terugkeer te ondervinden discriminatie niet zo ernstig is dat eiser wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden, waardoor hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Allereerst is van belang dat de minister zich enkel heeft gebaseerd op het verleden, maar geen actuele beoordeling heeft gemaakt. Dat eiser in het verleden woonruimte had of toegang had tot medische zorg laat onverlet – dat zoals de rechtbank onder 10.3 heeft overwogen – de situatie voor transgenders sinds 2024 significant is verslechterd. Dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het verleden geen ander werk dan sekswerk kon vinden (zie onder 8.1), laat onverlet dat de minister ook moet beoordelen of de te ondervinden discriminatie bij terugkeer zwaarwegend genoeg is, zeker als sprake is van een gewijzigde situatie. Zoals onder 10.3 is overwogen blijkt uit actuele landeninformatie dat het voor transgenders zeer moeilijk is om buiten de seksindustrie werk te vinden. Uit die landeninformatie rijst het actuele beeld dat de LHBTI-gemeenschap, met name als het gaat om transgenders, een zeer gemarginaliseerde positie heeft in Georgië. Zij zijn een van de kwetsbaarste groepen in Georgië. De minister heeft dat niet onderkend. Verder is van belang dat – zoals onder 10.2 en 10.3 is overwogen – de minister het aannemelijk acht dat eiser bij terugkeer te maken krijgt met (gendergerelateerd) geweld en dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser daartegen adequate bescherming kan krijgen van de Georgische autoriteiten. Dat eiser in Georgië onbeschermd is tegen (fysiek) geweld – waarvan niet in geschil is dat dit geweld zich bij terugkeer kan voordoen – maakt al dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser desondanks op maatschappelijk en sociaal gebied kan (blijven) functioneren. Te meer als ook wordt betrokken dat de minister niet heeft betwist dat eiser overdag als transgender nauwelijks over straat kon vanwege alle beledigingen en geweld die eiser dan te verduren kreeg. Zichtbaarheid speelt namelijk een aanzienlijke rol bij de vraag of een LHBT-persoon in het dagelijks leven wordt geconfronteerd met homofobe daden. Hoewel de enkele afwezigheid van genderbevestigende zorg niet voldoende is voor vluchtelingschap , is dat wel een relevant gegeven in samenhang met de overige omstandigheden. De minister heeft de verschillende feiten en omstandigheden dan ook onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld. 12. De rechtbank merkt tot slot op dat zij ermee bekend is dat Georgië sinds 24 februari 2026 is geplaatst op de Europese lijst van veilige landen van herkomst omdat Georgië kandidaat-lidstaat is en vanwege die status wordt geacht te voldoen aan de verplichtingen die volgen uit het internationaal recht. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel omdat uit overweging 3 van de preambule van de verordening volgt dat ook bij landen die geplaatst zijn op de lijst van veilige landen van herkomst een individuele beoordeling noodzakelijk blijft. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is gegrond. De minister heeft het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Ook is het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid. Het besluit zal daarom worden vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. De minister moet met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiser beslissen. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken de tijd. 13.1. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). De tarieven staan in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van € 1.868 aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Hoewel eiser zich thans (ook) als vrouw manifesteert, hanteert de rechtbank de mannelijke termen ‘eiser’ en ‘hij’, omdat eiser zo staat geregistreerd en eiser in het bestreden besluit en in de beroepsgronden zo wordt aangeduid. Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel. Proces-verbaal van verhoor van 27 november 2022, p. 2. Rapport gehoor aanmeldfase van 21 mei 2024, p 4. Rapport nader gehoor, p. 18. Rapport nader gehoor, p. 22. Council of Europe, Memorandum on the human rights situation in Georgia , 10 maart 2025. United Kingdom Home Office, Country Policy and Information Note Georgia: Sexual orientation and gender identity and expression, september 2024, onder 4.1.2. C2/3.4 Vc 2000. COI Focus Georgië, seksuele en genderminderheden , september 2025, p.16. Idem, p. 18. Idem, p. 24. Idem, p. 2 en 27. Idem, p. 2. Idem, p. 32. Idem, p. 42. Idem, p. 2. European Commission, Progress report on the preparation for EU membership (Georgia 2025 Report) , 4 november 2025, p. 40. COI Focus Georgië, seksuele en genderminderheden , september 2025, p. 24. ECLI:NL:RBDHA:2026:10792. COI Focus Georgië, seksuele en genderminderheden, september 2025, p. 41. Rapport nader gehoor, p. 23. COI Focus Georgië, seksuele en genderminderheden, september 2025, p. 34. C2/3.2.5.2.3 Vc 2000. Verordening (EU) 2026/464.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...