ECLI:NL:RBDHA:2026:25384
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-08-21
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
asiel, Marokko, opvolgende aanvraag, niet-ontvankelijk, geen nieuwe elementen en/of bevindingen, beroep ongegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.38764 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [x] , eiser (gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.S. Helmus). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven omdat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 juli 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.38765, op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank (Eerdere) procedures 3. Eiser heeft op 3 maart 2023 voor de eerste keer een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag heeft de minister met het besluit van 15 januari 2025 buiten behandeling gesteld omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Dit besluit staat in rechte vast. 3.1. Op 9 april 2026 heeft eiser voor de tweede keer een asielaanvraag ingediend. Aan die aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Ook stelt hij problemen te hebben met zijn ooms vanwege een stuk grond. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 mei 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep dat eiser heeft ingesteld is door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 8 juni 2026 ongegrond verklaard. 3.2. Op 11 juni 2026 heeft eiser zijn derde, en huidige, asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser opnieuw ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft vanwege zijn homoseksuele gerichtheid en dat hij problemen heeft met zijn ooms vanwege een stuk grond. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat er sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Is er sprake van nieuwe elementen of bevindingen? 4. Eiser betoogt dat zich wel nieuwe elementen of bevindingen voordoen. Hij heeft namelijk een video met dreigberichten ontvangen. De minister stelt ten onrechte dat deze video al zou zijn betrokken tijdens de behandeling van zijn tweede asielaanvraag. Uit niets blijkt namelijk dat de rechtbank of de minister deze video daadwerkelijk heeft bekeken en meegewogen. 4.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. In het dossier bevindt zich geen video. De minister heeft op de zitting toegelicht dat hij in het kader van de onderhavige procedure geen video heeft ontvangen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de video niet aan de minister is toegezonden. 4.1.1. Voor het geval eiser de video bedoelt die hij in de beroepsprocedure tegen de afwijzing van zijn tweede asielaanvraag heeft overgelegd, blijkt uit de uitspraak van 8 juli 2026 uitdrukkelijk dat de minister en de rechtbank - anders dan eiser stelt - deze video hebben bekeken en meegewogen. De rechtbank verwijst daartoe naar de overwegingen 9 en 9.1 van deze uitspraak. Conclusie en gevolgen 5. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Rechtbank Den Haag, z.p. Haarlem, 8 juni 2026, zaaknummer NL26.27502 (niet gepubliceerd). De minister verwijst naar artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals deze gold vóór 12 juni 2026).
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...