Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:25376

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-08-26
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.55443
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
27.289 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

asiel; Nigeria; geloofwaardigheid; vaststelling asielmotieven; beroep ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.55443 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [x] , eiser (gemachtigde: mr. M. Erik), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.R. de Groot). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister acht eisers problemen wegens de moord op zijn vader namelijk terecht ongeloofwaardig. Ook heeft de minister eisers asielmotieven deugdelijk vastgesteld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 november 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026. Het asielrelaas 4. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eisers vader was de leider van de gemeenschap van het dorp Agbor. Politici vroegen regelmatig om steun bij hem. In 2016 kwamen politici van de politieke partij Peoples Democratic Party (PDP) om steun vragen, maar eisers vader wilde dit niet omdat zij hun islamitische religie aan de gemeenschap wilden opleggen. Het bezoek van de PDP eindigde in ruzie en een doodsdreigement richting eisers vader. Eiser is vervolgens naar Edo State vertrokken. Toen hij enige tijd later terugkwam in Agbor zag hij een boze groep jongeren die vertelden dat zijn vader geld achter had gehouden. Eiser vertrok de ochtend daarna met zijn zus naar een boerderij. Toen hij later diezelfde dag terugkwam, trof hij zijn vader dood aan. Een boze menigte inclusief de politie kwam richting het huis, waarop eiser en zijn zus hebben besloten naar hun eigen woonadres te vluchten. Eiser kwam erachter dat de politie al op zoek was naar hem en zijn zus. Zij hebben een brief voor eiser achtergelaten waaruit blijkt dat zij naar hen op zoek zijn. Daarom heeft eiser besloten het land te verlaten. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij tot een minderheid behoort, problemen heeft ondervonden vanwege zijn etniciteit en religie en dat hij als politiek tegenstander worden gezien. 4.1 Eiser is in 2016 naar Italië gereisd, waar hij een asielaanvraag heeft ingediend. Die is afgewezen. Vervolgens is hij in 2021 naar Frankrijk gereisd, en in 2023 naar Nederland. Er is toen een Dublinprocedure gestart om eiser over te dragen aan Frankrijk, maar eiser is niet tijdig overgedragen. Nederland is daarom verantwoordelijk geworden voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - problemen wegens de moord op eisers vader. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Eisers problemen wegens de moord op zijn vader, zijn echter niet geloofwaardig. De minister heeft vervolgens beoordeeld of eisers identiteit, nationaliteit en herkomst reden geven om aan hem een asielvergunning te verlenen. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is. Zijn eisers problemen terecht ongeloofwaardig gevonden? 6. Eiser heeft niet betwist dat hij zijn problemen wegens de moord op zijn vader niet volledig heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft en eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. 6.1. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid mag beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen en afzien van het gebruik van de bewoordingen ‘niet ten onrechte’. Dit in aanmerking genomen volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat eisers problemen ongeloofwaardig zijn. De rechtbank licht dat oordeel hierna verder toe voor de verschillende onderdelen van het asielmotief die de minister in het bestreden besluit onderscheidt en aan de hand van dat wat eiser daartegen heeft aangevoerd. Heeft eiser onvoldoende documenten overgelegd, zonder goede verklaring? 7. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd. Eiser heeft een bevredigende verklaring gegeven voor het ontbreken van documenten. In de zienswijze is naar voren gebracht dat eiser in een vluchtsituatie zat en dus geen mogelijkheid had om documenten mee te nemen om zijn relaas te onderbouwen. Eiser had ook geen mogelijkheid om via anderen aan documenten te komen. Hieraan is de minister ten onrechte voorbijgegaan. Eiser heeft ook aangegeven dat hij niets meer bij zich had toen hij eenmaal de Middellandse Zee was overgestoken. Gelet op de omstandigheden van de reis is het niet bevreemdend dat eiser documenten verliest. Dat betekent ook niet dat eiser onvoorzichtig is geweest. De enkele reactie van de minister dat deze uitleg het ontbreken van documenten niet “verschoont”, is onvoldoende gemotiveerd. 7.1. Het betoog slaagt niet. Zoals de minister tegenwerpt had eiser verschillende documenten over het overlijden van zijn vader en de nasleep ervan kunnen overleggen, zoals een overlijdensakte. Zo’n akte is immers nodig voor verschillende handelingen die volgen op het overlijden, zoals de begrafenis of de beëindiging van een bankrekening en andere juridische handelingen. De minister heeft er ook terecht op gewezen dat in zo’n geval forensisch onderzoek moet plaatsvinden en een doodsoorzaak moet worden vastgesteld door de autoriteiten, waarover documentatie beschikbaar moet zijn. Bovendien heeft eiser verklaard dat de politie een brief voor hem had achtergelaten op zijn woonadres in Benin City, waaruit zou blijken dat hij wordt gezocht. Die brief heeft eiser niet overgelegd. Zoals de minister ook opmerkt had eiser moeten weten dat het indienen van bewijsstukken van belang is en heeft eiser ook veel tijd gehad om dergelijke documenten op te vragen. Hij is namelijk sinds 2016 in Europa en heeft in Italië een asielprocedure doorlopen waarbij hem hoogstwaarschijnlijk ook is gevraagd naar documenten. De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat eiser geen verschoonbare verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van deze documenten. Zo heeft eiser verklaard geen overlijdensakte te hebben omdat zijn vader nooit naar het mortuarium is gebracht, maar heeft hij niet uitgelegd waarom dit niet is gebeurd en waarom dat ertoe zou leiden dat hij geen overlijdensakte zou kunnen verkrijgen. Hij stelt ook dat hij geen mogelijkheid zou hebben gehad om via anderen aan documenten te komen, maar hij heeft niet toegelicht waarom dat voor hem niet mogelijk was. Daarbij heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat van pogingen hiertoe door eiser niet is gebleken. Eisers moeder is inmiddels overleden, maar hij had haar ten tijde van zijn asielaanvraag, en tijdens zijn voorafgaande verblijf elders in Europa, kunnen vragen om documenten naar hem op te sturen. Ter zitting heeft eiser desgevraagd laten weten dat het ook niet mogelijk was om documenten bij zijn tante in Benin City op te vragen, maar eiser heeft verder niet uitgelegd waarom dat niet mogelijk was. Aangezien het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om zijn asielrelaas te onderbouwen met documenten, vormt het feit dat eiser in een vluchtsituatie stelt te hebben gezeten gelet hierop nog geen verschoonbare reden. Vormen eisers verklaringen een samenhangend en aannemelijk geheel? 8. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser op een aantal onderdelen tegenstrijdige, wisselende en vage verklaringen heeft afgelegd. Eiser betwist dit. De rechtbank zal hierna de verschillende tegenwerpingen en de betwisting door eiser bespreken. Overleden familieleden 8.1. Volgens eiser werpt de minister ten onrechte tegen dat eiser de dood van zijn vader en zus niet heeft genoemd in het aanmeldgehoor. Eiser heeft in de zienswijze naar voren gebracht dat hij het verslag van het aanmeldgehoor niet vooraf heeft kunnen doornemen en corrigeren met zijn gemachtigde. Verder heeft eiser erop gewezen dat het misverstand wellicht is ontstaan omdat eiser ervan uitging dat slechts de onnatuurlijke dood van zijn naasten relevant was. De minister is hier ten onrechte aan voorbij gegaan. 8.2. Het betoogt slaagt niet. De minister heeft het terecht tegenstrijdig gevonden dat eiser in het aanmeldgehoor niet heeft verklaard over de dood van zijn vader en zus, maar alleen over het overlijden van zijn broer. Eiser heeft dit weliswaar gecorrigeerd in de correcties en aanvulling op het nader gehoor, maar zijn toelichting hierbij dat het een misverstand betrof en dat hij niet weet hoe het heeft kunnen gebeuren, heeft de minister terecht onvoldoende gevonden. Daarbij heeft de minister terecht opgemerkt dat de doodsoorzaken van zijn vader en zus beiden óók geen natuurlijke dood betreffen, zodat eisers toelichting dat hij dacht dat slechts naar onnatuurlijke overlijdens werd gevraagd niet aannemelijk is. Dat eiser het verslag van het aanmeldgehoor niet voorafgaand aan het nader gehoor of het voornemen heeft kunnen doornemen en corrigeren met zijn gemachtigde, maakt dit niet anders. Verklaringen over eisers vlucht naar Europa en met wie hij in Benin City woonde 8.3. Eiser betoogt verder dat de minister eisers verklaringen over zijn vlucht naar Europa met zijn zus en met wie hij in Benin City woonde ten onrechte tegenstrijdig en wisselend vindt. De minister werpt verklaringen tegen die zijn gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen. Daarin is ook aangegeven waarom er sprake is geweest van een misverstand of onduidelijkheid. 8.4. Het betoog slaagt niet. De minister werpt terecht tegen dat eiser inconsistent heeft verklaard over of hij alleen of met zijn zus Nigeria heeft verlaten. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser uit eigen beweging verklaard dat hij het land alleen heeft verlaten. Tijdens het nader gehoor heeft eiser vervolgens verklaard dat hij samen met zijn zus Nigeria heeft verlaten. Dit is tegenstrijdig. Bovendien heeft eiser tijdens zijn gesprek met de vreemdelingenpolitie verklaard dat hij zijn zus in Nigeria kan vragen om foto’s van zijn schooldiploma op te sturen. Dit verhoudt zich niet met zijn verklaring tijdens het nader gehoor dat zijn zus is overleden op de Middellandse Zee. Toen eiser naar deze tegenstrijdigheid is gevraagd tijdens het nader gehoor, verklaarde hij dat hij zijn tante als zijn zus beschouwt. Zoals de minister ook opmerkt, heeft eiser zijn tante op geen enkel moment daarvoor ‘zus’ genoemd. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij op het adres waar hij het laatst woonde, samen met zijn moeder woonde, terwijl hij in het nader gehoor heeft verklaard dat hij daar met zijn zus en tante woonde. Ook dit is dus tegenstrijdig. Eisers verklaring dat dit niet zo aan hem is gevraagd en dat hij zou hebben verklaard dat zijn moeder hem wel eens bezoekt maar niet permanent bij hem woont, heeft de minister terecht niet gevolgd, nu het onwaarschijnlijk is dat zowel de gestelde vraag als eisers antwoord daarop zodanig afwijkend in het verslag van het aanmeldgehoor zouden zijn genoteerd. De tijdlijn 8.5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd over de tijdlijn rondom de dood van zijn vader. De minister heeft de verklaringen van eiser onjuist geduid door de keer dat de politici met hun gevolg zijn vader kwamen bedreigen en de dag dat “de jeugd” zijn vader heeft vermoord, door elkaar te halen. Er is hier geen sprake van wisselende verklaringen, maar van verschillende incidenten. Er is sprake van een misverstand, die in de correcties en aanvullingen en zienswijze is gecorrigeerd. Ten onrechte heeft de minister deze correcties niet meegenomen. 8.6. Het betoog slaagt niet. Eiser heeft tijdens zijn vrije relaas verklaard dat hij uit Delta state komt, maar meestal in Edo State met zijn zus woonde. Toen hij op een dag bij zijn vader was, kwamen er drie mensen met bendes, waarvan sommige stokken of een geweer in de hand hadden. Eiser heeft later in het nader gehoor verduidelijkt dat de drie mensen politici van de PDP-partij waren. Zij vroegen zijn vader om steun, maar hij wilde dat niet geven, waardoor ruzie en het dreigement ontstond. Vervolgens verklaarde eiser dat hij ‘na een tijdje’ weer terugkwam van Edo State en toen in aanraking kwam met een boze groep jongeren die vertelden dat zijn vader geld achter had gehouden. De dag dáárna zou hij naar de boerderij zijn gegaan om te werken. Eiser verklaart dan zonder tijdsindicatie “We zijn teruggekomen.” en hij trof zijn vader dood aan. In de loop van het nader gehoor wijzigt eiser deze tijdlijn echter in die zin dat de ruzie met de politici van PDP een dag voor de moord op zijn vader plaatsvond, en dat de jongeren met wapens en stokken pas kwamen nadat hij zijn vader dood aantrof. Hoewel uit de gestelde vragen blijkt dat de hoormedewerker de tijdlijn zoals eiser die in zijn vrije relaas uiteenzette anders heeft begrepen – en de hoormedewerker in zoverre heeft bijgedragen aan eisers wisselende verklaringen hierover – heeft de minister terecht opgemerkt dat eiser de tijdlijn zoals de hoormedewerker die heeft begrepen niet heeft weersproken. Er is geen reden om te denken dat dit niet van eiser had kunnen worden gevergd. Uit het nader gehoor blijkt niet dat de vraagstelling door de hoormedewerker op dit punt sturend is geweest. Uit eiser verklaringen tijdens het nader gehoor blijkt bovendien dat hij ook uit eigen beweging is meegegaan in de afwijkende tijdlijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de onduidelijkheid over de tijdlijn dus niet volledig, maar wel in overwegende mate, door eiser zelf veroorzaakt. De minister heeft er ook terecht op gewezen dat eiser ook aan het eind van het gehoor heeft ingestemd met de afwijkende tijdlijn toen zijn relaas door de hoormedewerker is samengevat. Hoewel de rechtbank de wisselende verklaringen van eiser gelet op het voorgaande in mindere mate in zijn nadeel meeweegt, is zij toch van oordeel dat de minister dit terecht aan eiser heeft tegengeworpen. Dat eiser de tijdlijn van zijn relaas zelf ook niet meer scherp had – zoals zijn gemachtigde tijdens de zitting naar voren heeft gebracht – leidt niet tot een andere conclusie. Het gaat immers om ingrijpende gebeurtenissen. Dat eiser de tijdlijn van dergelijke gebeurtenissen ook in hoofdlijnen niet meer scherp zou hebben, is onvoldoende om eisers wisselende verklaringen hierover niet aan hem tegen te werpen. Verkiezingen in de door eiser genoemde periode 8.7. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat er geen verkiezingen plaatsvonden in de door eiser genoemde periode. Dit is gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen. Nu er sprake is van een correctie, is het niet duidelijk waarom een toelichting nodig zou zijn. De minister heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat verklaringen zijn veranderd zonder toelichting en dat een correctie zonder toelichting niet wordt meegenomen. 8.8. Het betoog slaagt niet. Eiser heeft verklaard dat politici altijd ten tijde van een verkiezing bij zijn vader langskwamen voor steun, en dat dat ook de achtergrond was van het incident in 2016 waarbij zijn vader door politici van de PDP is bedreigd. Toen eiser is gevraagd om welke verkiezingen het ging, verklaarde eiser dat het gouverneursverkiezingen voor Delta State waren. De minister heeft echter terecht tegengeworpen dat in die periode dergelijke dan wel andere verkiezingen niet hebben plaatsgevonden. De correctie van eiser dat het bij het incident ging om algemene steun voor de PDP en niet om specifieke verkiezingen, doet aan deze tegenwerping niet af, omdat eiser in het nader gehoor duidelijk heeft verklaard dat er op dat moment verkiezingen plaatsvonden en hij hierin volhardde toen hem werd voorgehouden dat dit niet het geval was. Eiser heeft niet toegelicht waarom hij zijn verklaring dan in de zienswijze op deze manier wijzigt. Eiser wordt er ook niet in gevolgd dat een correctie op een verslag van een gehoor niet zou hoeven worden toegelicht. Als een vreemdeling in de correcties en aanvullingen wijzigt wat hij volgens de verslagen van de gehoren heeft verklaard, mag de minister van hem verwachten dat hij toelicht hoe het kan dat hij kennelijk eerst iets anders heeft verklaard. Anders zou een vreemdeling elke voor hem ongunstige verklaring simpelweg in zijn voordeel kunnen wijzigen. Nieuwsbericht over de moord op eisers vader 8.9. Eiser betoogt dat de minister het ten onrechte niet aannemelijk heeft gevonden dat er geen nieuwsbericht is over de dood van eisers vader. Eiser heeft aangegeven dat zijn vader niet een officieel gekozen leider was. Hij was op de voorgrond omdat hij een opleiding had en omdat dit zo was ontstaan in het verleden. De aanname van de minister dat er hierom een artikel in de krant moet verschijnen is op niets gebaseerd. Ook gaat het te ver om van eiser te verlangen om iets te bewijzen dat er niet is. 8.10. Het betoog slaagt niet. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard dat zijn vader leider was van de gemeenschap Agbor, waartoe volgens eiser meer dan duizend mensen behoren. Ook heeft eiser verklaard dat politici altijd ten tijde van een verkiezingsperiode bij zijn vader langskwamen voor steun. Gezien de positie van eisers vader was het te verwachten dat de moord op hem lokaal, regionaal of zelfs nationaal in het nieuws zou zijn gekomen, zodat het bevreemdt dat dit niet zou zijn gebeurd. Dat eisers vader niet een officieel gekozen leider zou zijn geweest maakt dat niet anders, waarbij de rechtbank opmerkt dat eiser in het nader gehoor uitdrukkelijk heeft verklaard dat zijn vader door de gemeenschap werd verkozen. Het niet bellen van de politie 8.11. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat eiser de politie niet heeft gebeld toen hij zijn vader dood aantrof. Eiser kan geen bescherming krijgen van de autoriteiten. Het is daarom niet bevreemdend dat hij de Nigeriaanse autoriteiten niet contacteert. Eiser heeft hiertoe verwezen naar het landgebonden asielbeleid en erop gewezen dat de minister er ook niet van uitgaat dat het mogelijk is bescherming te krijgen van de autoriteiten. Ook is onduidelijk waar de minister op baseert dat er sprake is van een uitzonderingssituatie waarbij er evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat wel bescherming mogelijk is, nu er juist aanwijzingen zijn voor het tegenovergestelde. 8.12. Het betoog slaagt niet. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt waarom hij de politie niet belde toen hij zijn vader dood aantrof. Toen eiser hierover is bevraagd, verklaarde eiser dat hij de politie niet belde, omdat hij niet wist wat hij moest doen en het de situatie alleen maar erger zou maken. Gelet op eisers verklaringen dat hij wél om hulp heeft geroepen, zijn moeder heeft gebeld en op dat moment nog niet wist dat er een boze menigte op hem afkwam, is dit niet overtuigend. Het enkele feit dat in het landgebonden beleid voor Nigeria is opgenomen dat het in beginsel niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten en/of internationale organisaties, maakt dit niet anders omdat dit er nog geen verklaring voor biedt waarom eiser geen aangifte heeft gedaan wegens moord. Eisers stelling is ook strijdig met zijn verklaring dat hij zijn vader zelf zou hebben heeft geadviseerd naar de politie te gaan toen hij werd bedreigd door de politici van de PDP. Conclusie 9. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepsgrond niet slaagt. De minister heeft eisers problemen wegens de moord op zijn vader terecht ongeloofwaardig geacht, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft, en zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zijn eisers asielmotieven deugdelijk vastgesteld? 10. Eiser betoogt dat de minister zijn asielmotieven niet compleet en correct heeft vastgesteld. Eiser heeft ook verklaard dat hij te maken heeft gehad met discriminatie en problemen vanwege zijn etniciteit en religie en dat zijn familie ervan wordt verdacht tot de afsplitsingsbeweging Biafra te behoren. Eiser wordt dus ook toegedicht dat hij een opposant is en zijn vader is hierom vermoord. De combinatie en samenhang tussen etniciteit, religie en politieke beweging is in dit geval een belangrijk asielmotief waarvoor bij de correcties en aanvullingen uitdrukkelijk aandacht is gevraagd en wat ten onrechte niet als asielmotief is vastgesteld en beoordeeld. Uit de samenwerkingsplicht volgt dat de minister hierover meer had moeten doorvragen of dat in ieder geval de correcties en aanvullingen aanleiding hadden moeten geven voor een aanvullend nader gehoor. 10.1. Volgens het beleid van de minister is een asielmotief een onderwerp of verhaallijn in het asielrelaas van een vreemdeling dat verband houdt met of relevant is bij de beoordeling of iemand te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Hieronder vallen de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. 10.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Vooropgesteld wordt dat dat minister eisers verklaringen over discriminatie en problemen vanwege zijn etniciteit en religie heeft beoordeeld, deze onaannemelijk heeft gevonden en dat heeft toegelicht in het besluit. Of de minister eisers verklaringen hierover wel of niet als een apart asielmotief heeft benoemd, doet daarom uiteindelijk niet ter zake – zoals de minister ook terecht heeft opgemerkt in het bestreden besluit. De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat uit het nader gehoor niet is gebleken dat eiser in dit verband persoonlijke problemen heeft ondervonden. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser verklaarde geen persoonlijke problemen te hebben ondervonden vanwege zijn politieke overtuiging of activiteiten toen hem daarnaar is gevraagd. Ook verklaarde eiser zelf geen problemen te hebben ondervonden vanwege zijn religie. Weliswaar verklaarde eiser wél persoonlijke problemen te hebben ondervonden vanwege zijn etnische afkomst of stam en is daar in het nader gehoor niet meteen op doorgevraagd, maar later in het nader gehoor heeft eiser wel de gelegenheid had om hier meer over te verklaren. Zo is eiser gevraagd naar zijn verklaring dat zijn stam wordt vermoord, wat hij als asielreden opgaf tijdens het aanmeldgehoor. Eiser verklaarde daarop dat dat heel lang geleden was toen ‘ze’ aan de macht waren gekomen, dat ze proberen hun religie op eisers stam op te drukken, en dat ze mensen vermoorden en anderen beschuldigen van wat zij hebben gedaan, zoals ze bij eiser hebben gedaan. Eiser heeft vervolgens echter geen directe persoonlijke problemen naar voren gebracht die verband houden met zijn geloofsgemeenschap of stam – behalve de moord op zijn vader. Ook is uit zijn verklaring op te maken dat hij met zijn stam eigenlijk alle christenen bedoelt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze verklaring te algemeen is. De minister heeft er ook terecht op gewezen dat eiser als christen niet tot een religieuze minderheid behoort, nu uit openbare bronnen volgt dat het christendom de dominante religie in het zuiden van Nigeria is. Aangezien eiser ook in de correcties en aanvullingen en de zienswijze niets concreets over persoonlijke problemen vanwege zijn afkomst of religie naar voren heeft gebracht, afgezien van het meermaals verwijzen naar de verklaringen over de dood van zijn vader – die de minister terecht ongeloofwaardig heeft gevonden – heeft de minister ten slotte terecht overwogen dat hij eiser hierover niet nogmaals heeft hoeven horen. Conclusie en gevolgen 11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Noordhof, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 29, eerste lid aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Hof van Justitie 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58. Verslag van het nader gehoor van 5 november 2025, pagina 16. Verslag van het nader gehoor van 5 november 2025, pagina 17. Verslag van het aanmeldgehoor van 1 juni 2025, pagina 7. Idem, pagina 8. Verslag van het nader gehoor van 5 november 2025, pagina 6. Proces-verbaal van verhoor van 5 april 2023, pagina 2. Verslag van het nader gehoor van 5 november 2025, pagina 5. Idem, pagina 22. Verslag van het aanmeldgehoor van 1 juni 2025, pagina 7. Verslag van het nader gehoor van 5 november 2025, pagina 7. Idem, pagina 21. Idem, pagina 8. Idem, pagina’s 4-5. Idem, pagina’s 8-10 en 17. Zie bijvoorbeeld pagina 12 van het verslag van het nader gehoor van 5 november 2025. Idem, pagina 23. Idem, pagina 10. Idem, pagina’s 20-21. Idem, pagina 7. Idem, pagina 4. Idem, pagina 17. Idem, pagina 7. Idem, pagina 13. Idem. Idem, pagina 4. Paragraaf C1/4.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Idem, pagina 5. Idem, pagina 18. Idem.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...