Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:23563

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-08-18
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.44175
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
4.307 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Beroep – Dublin Duitsland – geen bezwaren kunnen inbrengen – ongegrond – geen pkv

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.44175 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer], (gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop In het besluit van 28 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank Eiser verklaart dat hij is geboren op [datum] 1990 en de Marokkaanse nationaliteit heeft. Hij heeft op 5 juli 2026 in Nederland asiel aangevraagd. Op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (hierna: AMBV) neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder uit Eurodac afgeleid dat eiser voorafgaand aan zijn asielaanvraag in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend in Duitsland. Daarom heeft verweerder op 14 juli 2026 een terugnameverzoek gedaan bij de Duitse autoriteiten. Dit verzoek is op 17 juli 2026 aanvaard. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij het bericht van verweerder van 6 juli 2026 met de mededeling dat Duitsland mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag, waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen, niet heeft ontvangen. Daarmee is de aankondiging van de overdracht aan Duitsland niet deugdelijk aan eiser bekend gemaakt en is hij ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren kenbaar te maken. Omdat Duitsland het verzoek op dat moment nog niet had geaccepteerd, was de brief ook prematuur. Het bestreden besluit is daarmee onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. Uit artikel 43, eerste lid, van de AMBV volgt de draagwijdte van het beroep. De beoordeling van het beroep is beperkt tot drie aspecten, namelijk of: de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten; er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening; inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen. 5. Hetgeen eiser aanvoert valt niet onder één van de genoemde aspecten en daarmee niet onder de draagwijdte van artikel 43, eerste lid, van de AMBV. De rechtbank constateert ten overvloede dat de genoemde brief wel in het dossier van eiser is opgenomen en bij zijn gemachtigde bekend is. Eiser heeft derhalve voldoende gelegenheid gehad zijn bezwaren kenbaar te maken. Bovendien had eiser de mogelijkheid om in de procedure bij de rechtbank zijn bezwaren tegen de overdracht naar Duitsland naar voren te brengen. Dat heeft hij nagelaten. 6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit van 28 juli 2026 in stand blijft. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 19 augustus 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Verordening (EU) 2024/1351.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...