ECLI:NL:RBDHA:2026:23404
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-08-18
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bewaring – opgeheven – kennisgeving ingetrokken – proceskostenveroordeling).
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.44109 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoekster], verzoekster, V-nummer: [V-nummer], (gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. G. Cambier). Procesverloop Met het bestreden besluit van 4 augustus 2026 heeft verweerder aan verzoekster de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door verzoekster ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Verweerder heeft op 11 augustus 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven. Hierbij heeft verweerder verzoekster schadevergoeding aangeboden. Bij bericht van 11 augustus 2026 heeft gemachtigde van verzoekster het beroep ingetrokken en een verzoek gedaan tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Als waarnemer van de gemachtigde van verzoekster is mr. S.A.M. Fikken verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Verzoekster is op 4 augustus 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 11 augustus 2026 heeft verweerder de vreemdelingenbewaring opgeheven en een schadevergoeding aangeboden voor de gehele periode dat verzoekster in vreemdelingenbewaring heeft gezeten. Naar aanleiding hiervan heeft gemachtigde van verzoekster het beroep ingetrokken en een verzoek om proceskostenveroordeling gedaan. Ten aanzien van het intrekken van een kennisgeving 2. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het mogelijk is voor een vreemdeling om een kennisgeving als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw in te trekken. 3. Artikel 94, eerste lid, van de Vw bepaalt dat de minister de rechtbank onverwijld via een kennisgeving in kennis stelt van het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Zodra de rechtbank deze kennisgeving ontvangt wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. 4. De rechtbank overweegt dat een kennisgeving zoals bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw niet intrekbaar is zolang de maatregel voortduurt. In het geval dat de maatregel is opgeheven, acht de rechtbank het mogelijk dat de kennisgeving wordt ingetrokken door de vreemdeling. 5. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat, indien de bewaring door een administratieve instantie wordt bevolen, ambtshalve of op verzoek van de verzoeker, of beide, de rechtmatigheid van de bewaring door de rechter met spoed wordt getoetst. De wetgever heeft ervoor gekozen om de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring ambtshalve aan de rechter voor te leggen door middel van een kennisgeving die wordt verzonden door de minister. De mogelijkheid voor het instellen van beroep door de vreemdeling zelf is dus niet meer opgenomen in de Vw. In aanvulling hierop merkt de rechtbank op dat in de Memorie van Toelichting is opgetekend dat deze mogelijkheid komt te vervallen. Dit alles stelt de rechtbank in staat om de kortere uitspraaktermijn optimaal te benutten en de rechtmatigheid van de bewaring op korte termijn te toetsen. 6. In de situatie dat de maatregel van vreemdelingenbewaring is opgeheven vervalt de noodzaak tot een spoedige toetsing. De procedure omvat dan alleen nog het verzoek om schadevergoeding en een eventueel geschil ten aanzien van de proceskosten. In dat geval acht de rechtbank een vreemdeling zelf in staat om te beoordelen of de procedure kan worden ingetrokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kennisgeving in deze procedure terecht is ingetrokken door gemachtigde van verzoekster. Ten aanzien van de proceskosten 7. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. 8. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de gemaakte proceskosten. Gemachtigde van verzoekster heeft ter zitting verzocht om toekenning van twee punten, één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting. Verweerder voert aan dat er geen punt dient te worden toegekend voor het indienen van het beroepschrift, nu het niet de gemachtigde van verzoekster is die het beroepschrift heeft ingediend; dit is via een kennisgeving geschied. 9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op juiste gronden op het standpunt stelt dat er in het kader van de kennisgevingsprocedure geen punt dient te worden toegekend voor het indienen van een beroepschrift. De maatregel van vreemdelingenbewaring van 4 augustus 2026 is ingeleid met een kennisgeving vanuit verweerder aan de rechtbank en niet door middel van een door gemachtigde namens verzoekster ingediend beroep. Ook zijn er geen aparte schriftelijke gronden ingediend, die aangemerkt kunnen worden als aanvulling van de kennisgeving. Hoewel uit artikel 94, eerste lid, Vw volgt dat zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen de vreemdeling geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat met de verzending van de kennisgeving ook een proceshandeling is verricht die volgens het kader en forfaitair systeem van het Bpb in aanmerking komt voor vergoeding. Dit maakt dat de gemachtigde van verzoekster geen beroepschrift heeft ingediend, zoals vereist in de Bijlage bij het Bpb, waarvoor een punt kan worden toegekend. 10. Gemachtigde van verzoekster is wel ter zitting verschenen. Dat maakt dat de rechtbank de kosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vaststelt op € 934,- (te weten 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan op 18 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Vreemdelingenwet 2000. Richtlijn (EU) 2024/1346. MvT, 2025-2026, 36871, nr. 3, pagina 84 e.v. Besluit proceskosten bestuursrecht. In de zin van het Bpb.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...