Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:23195

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-08-17
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.20120
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
6.369 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Verzet ongegrond, Dublin Zwitserland

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.20120 V uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [opposante] , opposante V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. van Werven), tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 mei 2026 in het geding tussen opposante en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 13 mei 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante na vereenvoudigde behandeling (kennelijk) ongegrond heeft verklaard. 1.1. De verzetsrechter heeft het verzet op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Opposante en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de verzetsrechter 2. De verzetsprocedure is geen hernieuwde inhoudelijke behandeling van het beroep. Artikel 8:54 van de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening van het beroep als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. De verzetsrechter beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 13 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Hij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden wordt pas weer toegekomen als het verzet gegrond is. 3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 13 mei 2026 het beroep van opposante ‘kennelijk’ ongegrond verklaard. Het beroep was gericht tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen, omdat opposante niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder ten aanzien van Zwitserland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en dat er in het geval van opposante ook geen medische beletselen zijn om opposante aan Zwitserland over te dragen. 4. Opposante heeft aangevoerd dat de rechtbank met de vereenvoudigde behandeling van haar beroep mogelijk in strijd heeft gehandeld met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest . Opposante vindt dat zij met deze handelwijze geen effectief rechtsmiddel in handen heeft gehad. Verder stelt zij dat de rechtbank ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij vindt dat ten aanzien van Zwitserland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zij stelt dat er in de Zwitserse asielprocedure sprake is van gebreken ten aanzien van Eritreeërs. Volgens opposante hebben Eritreeërs in Zwitserland geen recht op een eerlijke asielprocedure en wordt een dergelijke asielaanvraag gezien als een aanvraag met geen grote kans van slagen. 5. De verzetsrechter komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de verzetsrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 6. Wat opposante in verzet heeft aangevoerd, leidt niet tot twijfel ten aanzien van het oordeel van de rechtbank dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dat opposante niet over haar beroepsgronden is gehoord op een zitting, wil niet zonder meer zeggen dat zij geen effectief rechtsmiddel in handen heeft gehad. De rechtbank heeft de mogelijkheid om een beroep vereenvoudigd af te doen als voortzetting van het onderzoek niet nodig is vanwege – bijvoorbeeld – de kennelijke ongegrondheid van het beroep. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 13 mei 2026 op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat daarvan in dit geval sprake was. De rechtbank is in de uitspraak van 13 mei 2026 al inhoudelijk ingegaan op verzetsgronden van opposante. De rechtbank heeft namelijk gemotiveerd overwogen dat opposante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland zodanige systematische tekortkomingen kent dat opposante bij overdracht terecht zal komen in omstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De rechtbank is daarbij ook ingegaan op de behandeling van asielaanvragen van specifiek Eritreeërs. De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat asielaanvragen van Eritreeërs in Zwitserland niet individueel worden onderzocht op het risico van refoulement. De rechtbank is in de uitspraak ook ingegaan op het in de verzetsgronden aangehaalde AIDA-rapport . Niet valt in te zien dat de rechtbank met de vereenvoudigde behandeling van het beroep in strijd heeft gehandeld met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. 7. Opposante heeft met haar verzetsgronden ook niet aannemelijk gemaakt dat de rechtbank met de vereenvoudigde afdoening van haar beroep onvoldoende aandacht heeft gehad voor haar persoonlijke medische situatie. De rechtbank heeft in de uitspraak overwogen dat zij opposante niet volgt dat verweerder in zijn besluit de medisch-psychische omstandigheden te beperkt heeft beoordeeld. Dat opposante in Zwitserland behandeling heeft gehad voor haar medische klachten, was bij de rechtbank bekend. Opposante heeft in verzet gesteld dat zij inmiddels in Nederland psychologische ondersteuning krijgt, dat zij daarvoor twee afspraken heeft gehad en dat een derde afspraak is gepland, maar heeft niet met medische stukken onderbouwd waar die psychologische ondersteuning dan uit bestaat, wat het behandelplan is, en dat zij voor die behandeling aan Nederland gebonden is. Conclusie en gevolgen 8. De verzetsrechter komt tot de conclusie dat de rechtbank uitspraak heeft kunnen doen op het beroep zonder opposante op een zitting te horen. De gronden van het verzet slagen niet. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 13 mei 2026 in stand blijft. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 17 augustus 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Algemene wet bestuursrecht Dat wil zeggen: op basis van de stukken, zonder zitting. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden Handvest van de Europese Unie Country Report on Switzerland – Update on 2024, mei 2025

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...