Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:17835

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-06-04
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.7791
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
13.066 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel Syrië - onvoldoende gemotiveerd dat problemen vanwege bloedwraak niet geloofwaardig zijn - verweerder had gedwongen rekrutering door familieclan moeten herkennen en beoordelen als asielmotief - beroep gegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7791 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer] , (gemachtigde: mr. H. Yousef), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. A. Noordeloos). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Eiser heeft op 2 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. 1.2. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser was hierbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Rida. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die de zitting heeft bijgewoond door middel van een videoverbinding. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Syrië in 2016 heeft verlaten vanwege de oorlog en de militaire dienstplicht. Eiser vreest bij terugkeer naar Syrië slachtoffer te worden van geweld. Eiser heeft ook verklaard dat hij vreest te worden vermoord door zijn achterneven. Eisers broer heeft [naam] , de broer van zijn achterneven, vermoord. Zijn achterneven zullen ter vergelding van de moord op [naam] proberen eiser of één van zijn twee broers te vermoorden. Ten slotte heeft eiser verklaard dat hij vreest door het hoofd van zijn clan te worden gedwongen om deel te nemen aan gewapende gevechten. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. problemen met achterneven vanwege de bloedwraak. 3.1. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder vindt het niet geloofwaardig dat eiser te vrezen heeft voor bloedwraak in Syrië. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft zijn verklaringen over de clan, het overlijden van [naam] (de vermoorde achterneef) en de bloedwraak niet onderbouwd met documenten. De video’s die eiser heeft overgelegd waarin zijn familieleden verklaren over de bloedwraak zijn op verzoek afgelegd en daarmee geen objectief verifieerbare documenten. De stelling dat eiser niet aan andere documenten kan komen gelet op de aard van de bloedwraak en omdat er geen autoriteiten zijn, is niet onderbouwd. Van eiser mag verwacht worden dat hij bewijs kan verkrijgen. Bovendien baseert eiser zijn vrees op indirecte bronnen en verklaringen van derden; hij heeft zelf nooit directe bedreigingen ontvangen. 3.2. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië. Er is volgens verweerder geen sprake van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit het beleid van verweerder volgt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Er is sprake van een verbetering in de algemene veiligheids- en mensenrechtensituatie. Geweldsuitbarstingen zijn incidenteel van aard en het aantal burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld is laag, zo blijkt uit de ambtsberichten van mei 2025 en van januari 2026. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft geen risico-verhogende individuele omstandigheden aangevoerd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de problemen vanwege de bloedwraak niet geloofwaardig zijn. Eiser bevindt zich in bewijsnood, hij heeft geen toegang tot de autoriteiten en voor dit soort conflicten zijn er geen officiële documenten beschikbaar. In de stammencultuur worden dit soort conflicten namelijk onderling opgelost en afgehandeld. Het is niet duidelijk wat voor bewijsstukken verweerder van eiser verwacht en waarom dat van hem kan worden verwacht. Verweerder heeft bovendien de verklaringen en overgelegde bewijsstukken onvoldoende inhoudelijk en in samenhang beoordeeld. Eiser voert in dit kader ook aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser enkel uit indirecte bron heeft vernomen dat hij bedreigd wordt. Eisers verblijfplaats is niet bekend en hij heeft het nieuws gehoord van zijn broer (de moordenaar) en zijn oom (de bemiddelaar). 4.1. Eiser voert ook aan dat verweerder had moeten beoordelen of eiser te vrezen heeft vanwege rekrutering door zijn familieclan. Eiser heeft weliswaar het woord rekrutering niet gebruikt, maar hij vreest bij terugkeer door zijn clan te worden gedwongen om de wapens op te pakken. 4.2. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet te vrezen heeft vanwege de algemene veiligheidssituatie in Syrië. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld en dat eiser geen slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Uit landeninformatie blijkt dat er in Syrië en de regio [regio] (waar eiser vandaan komt), nog steeds sprake is van geweld en gevechten. Verweerder had ook de slechte humanitaire situatie in Syrië moeten betrekken in deze beoordeling. Eiser voert verder aan in dit kader dat verweerder de individuele omstandigheden van eiser ten onrechte niet heeft betrokken. Eiser wijst er daarbij op dat hij behoort tot een gewelddadige clan, dat hij vreest vanwege de bloedwraak, dat hij komt uit een woonplaats waar nog om wordt gevochten en waar IS actief is, dat hij in de landbouw werkte, dat er sprake is van medische omstandigheden en dat hij slechts beperkt onderwijs heeft genoten. Ten slotte voert eiser aan dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en de humanitaire omstandigheden in Syrië een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM . Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen. Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat niet geloofwaardig is dat eiser bedreigd wordt vanwege de bloedwraak? 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het niet geloofwaardig is dat eiser wordt bedreigd vanwege de bloedwraak. Verweerder heeft de verklaringen van eiser en de door hem overgelegde bewijsstukken namelijk onvoldoende in samenhang beoordeeld. In zijn motivering heeft verweerder met name uiteengezet dat van eiser verwacht mocht worden meer bewijsstukken te overleggen en dat de documenten en video’s die eiser heeft overgelegd om zijn relaas te onderbouwen, daartoe onvoldoende zijn. Verweerder heeft de verklaringen die eiser heeft afgelegd over de bloedwraak niet kenbaar bij de beoordeling betrokken. Ter zitting is gebleken dat niet in geschil is dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op de vragen of deze verklaringen gedetailleerd en consistent zijn en overeenkomen met wat bekend is over Syrië. De tegenwerping dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, is daarom niet houdbaar. De rechtbank overweegt daarbij dat verweerder ook onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op de uitleg van eiser over de redenen dat hij geen verdere bewijsstukken – waaronder de door verweerder gevraagde overlijdensakte van [naam] – kan overleggen. Dat eiser een volwassen man is, negen jaar onderwijs heeft gevolgd en twee jaar in Nederland verblijft, is daarvoor onvoldoende motivering. Ten slotte ziet de rechtbank niet in waarom verweerder aan eiser tegenwerpt dat hij slechts over de bloedwraak weet uit indirecte bron, nu verweerder niet betwist dat eiser in zijn relaas heeft aangegeven door zijn broer (die de moord heeft gepleegd) is geïnformeerd over de moord en bloedwraak. De beroepsgrond slaagt. Had verweerder moeten beoordelen of eiser te vrezen heeft vanwege gedwongen rekrutering door zijn familieclan? 7. De rechtbank stelt vast dat eiser aanvoert dat verweerder zijn gestelde vrees vanwege gedwongen rekrutering door zijn familieclan ten onrechte niet heeft beoordeeld als asielmotief. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en ter zitting op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestond om de gedwongen rekrutering door zijn familieclan vast te stellen en te beoordelen als asielmotief omdat eiser daar niet over heeft verklaard. 7.1. De rechtbank overweegt dat verweerder de door eiser gestelde vrees voor gedwongen rekrutering door zijn familieclan, had moeten herkennen en beoordelen als asielmotief. Eiser verklaart namelijk op verschillende momenten in zijn nader gehoor dat de familieclan waar hij toe behoort gewelddadig is, dat de clan jongens en mannen naar gevechten stuurt en dat hij bang is dat hij tegen zijn wil ook namens hen mee zal moeten doen met ‘de strijd’. Dat eiser daarbij niet uitdrukkelijk de woorden ‘gedwongen rekrutering’ gebruikt, doet er niet aan af dat verweerder deze onderdelen van het relaas als asielmotief had moeten herkennen en beoordelen. Ook deze beroepsgrond slaagt. De algemene veiligheidssituatie in Syrië 8. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep al gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. Hoewel de rechtbank daarom niet toekomt aan de beoordeling van de beroepsgronden gericht tegen de standpunten van verweerder over de algemene veiligheidssituatie in Syrië, wijst de rechtbank verweerder op de uitspraken die recentelijk zijn gedaan in de beroepen van andere Syrische eisers. De gebreken die in die uitspraken worden geconstateerd in de motivering van de 15c-beoordeling en de toetsing aan artikel 3 van het EVRM, waren ook in deze zaak aan de orde en hadden de rechtbank ook aanleiding gegeven om het besluit te vernietigen. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. 10. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 6 februari 2026; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking). Zie paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Zie bijvoorbeeld pagina 33 van het nader gehoor. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBDHA:2026:11440 en NL26.2579 (niet gepubliceerd). 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...