Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:16606

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-02-09
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.40024
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
20.345 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asielaanvraag, Turkije, Koerd, transgender, vrees voor familie en aanhoudingsbevel. Het beroep is ongegrond.

05Kern

Materiële kern

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40024 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. O. Saraç), en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De minister heeft op het bericht gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep,1 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister, en E. Atasoy als tolk. Op de zitting heeft de rechtbank de zaak aangehouden in afwachting van een andere reactie van de minister op een bron van Human Rights Watch (HRW),2 waar de rechtbank ambtshalve op heeft gewezen. Eiser is ook in de gelegenheid gesteld om te reageren op de reactie van de minister. Na ontvangst van beide reacties en met toestemming 1. Zaak NL25.40025. 2 [internetsite 1] . van beide partijen om de zaak zonder nadere zitting af te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.3 Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser is van Turkse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] 1993. Hij behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. In 2022 heeft hij zijn eerste asielaanvraag ingediend. Toen was hij nog vrouw en voerde hij aan dat hij biseksueel was. Om die reden had hij vrees bij terugkeer naar Turkije. De ongegrondverklaring van eisers eerste asielaanvraag is onherroepelijk.4 In 2024 heeft eiser een nieuwe asielaanvraag ingediend maar nu als transgender man. Hij stelt dat hij in verband met zijn genderidentiteit en de omstandigheid dat hij in Turkije wordt gezocht, vreest voor vervolging bij terugkeer naar Turkije. Hij verwijst hiervoor naar een bedreiging die hij van zijn vader heeft ontvangen via Whatsapp en een Turks aanhoudingsbevel dat hem is opgelegd. Door het aanhoudingsbevel bestaat er bij eiser de vrees dat hij zal worden aangehouden. Als dat gebeurt, vreest hij dat zijn familie op de hoogte zal raken van zijn genderidentiteit, wat kan resulteren in eergerelateerd geweld of erger. Daardoor ziet eiser terugkeren naar Turkije als een groot risico. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; en 2. eiser is transgender. 4.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser over deze asielmotieven geloofwaardig zijn, maar dat hieruit niet volgt dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico op ernstige schade loopt. Daartoe overweegt de minister dat eiser persoonlijk onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn genderidentiteit en het uiten daarvan in de problemen zal komen bij terugkeer naar Turkije. De overgelegde screenshot van de bedreiging van de vader van eiser via Whatsapp is volgens de minister onvoldoende objectief en verifieerbaar om als bewijs te dienen, waardoor dit – in combinatie met eisers verklaringen – ook niet kan leiden tot de conclusie dat het aannemelijk is dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor zijn familie. Het bestaan van het aanhoudingsbevel verandert dit standpunt van de minister niet. Het bevel is namelijk niet gebaseerd op eisers geaardheid of genderidentiteit, maar op problemen die te maken hebben gehad met zijn ex-vriendin toen eiser nog een lesbische vrouw was. Alles in samenhang bezien, stelt de minister zich op het standpunt dat eiser ten opzichte van zijn vorige asielaanvraag zich niet in een wezenlijk andere situatie bevindt. Daarom wijst de minister de asielaanvraag als kennelijk ongegrond. Verder legt de minister eiser een inreisverbod van twee jaar op. Algemene situatie in Turkije voor lhbti-personen en de persoonlijke situatie voor eiser 5. Eiser voert aan dat de minister miskent dat er een fundamenteel onderscheid bestaat tussen iemands seksuele geaardheid en genderidentiteit. Door dit niet te erkennen 3 Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht. 4 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 augustus 2022 (202203730/1/1V2, niet gepubliceerd). gaat de minister voorbij aan het juridische en feitelijke verschil tussen beide waardoor er een onjuiste beoordeling plaatsvindt van de bescherming die eiser toekomt. Eiser kan zich als transgender niet langer verbergen, vanwege zijn transitie door onder meer hormoonbehandelingen, die hij zelf – vooralsnog zonder medische begeleiding – heeft gestart. Daardoor wordt hij kwetsbaar voor discriminatie, uitsluiting en geweld. Ter zitting heeft eiser gewezen op een uitspraak van deze rechtbank van 11 juni 2024 om dit nader te onderbouwen.5 Eiser verwijst ook naar het algemeen ambtsbericht van Turkije van februari 2025 en zijn persoonlijke situatie. Zo is uit de vorige asielprocedure gebleken dat eisers familie extreem gewelddadig en afwijzend is. Verder verwijst eiser naar zijn medische situatie en een artikel van Trans Europe and Central Asia van 27 maart 2025.6 Daaruit volgt volgens eiser dat medische transitie alleen mogelijk is via toestemming van staatsartsen, waardoor er voor hem een structurele belemmering bestaan. Dat zal leiden tot fysieke en psychische schade. Eiser stelt dat dit in zijn geval al zo is en wijst op zijn verklaringen waarin hij heeft aangegeven dat hij herhaaldelijk suïcidepogingen heeft ondernomen, zowel in Duitsland als in Nederland. Hij heeft geen sociaal netwerk, heeft last van voortdurende onzekerheid en kan als transgenderpersoon niet veilig in de opvang leven, ook niet in Nederland. Tevens blijkt uit het aangehaalde artikel dat er nog meer belemmeringen zijn voor transgenderpersonen ten aanzien van hormoonbehandelingen en dat sprake is van gedwongen sterilisatie als voorwaarde voor geslachtsverandering. Ook zou blijken dat er een gevangenisstraf van minimaal drie jaar staat op het zonder toestemming in transitie gaan. 5.1. De rechtbank stelt vast, zoals tussen partijen niet in geschil is, dat de situatie voor de lhbti-gemeenschap in Turkije slecht is en dat lhbti-rechten onder druk staan.7 Uit het beleid van de minister volgt dat de minister aanneemt dat het voor lhbti-personen niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties, tenzij sprake is van concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming wél mogelijk is.8 Zowel eiser als de minister verwijzen naar het algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025. Daarin staat dat het sociale klimaat voor lhbti-personen in Turkije in de periode 2023 tot begin 2025 slecht bleef. Dit blijkt onder andere uit negatieve uitspraken van de overheid, maatschappelijke afkeer, het verbod op films over de lhbti-gemeenschap en harde optredens tegen lhbti-rechtenorganisaties. Homoseksualiteit is in Turkije echter niet strafbaar en de gemeenschap is weerbaar, zichtbaar en georganiseerd, vooral in steden als [plaats 1] en [plaats 2] . Daarnaast zetten delen van het maatschappelijk middenveld (zoals belangenorganisaties, de advocatenorde en sommige oppositiepartijen) zich in voor de rechten van lhbti-personen. 5.1.1. Op 25 november 2025 heeft de minister een nadere reactie gegeven op de door de rechtbank tijdens de zitting aan de orde gestelde bron van HRW. De bron vermeldt het bestaan van wetsvoorstellen over strafrechtelijke vervolging van lhbti-personen en maatregelen tegen gender-affirming zorg. De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat gezien de ex nunc -beoordeling, hij de conceptwetsvoorstellen als een onzekere toekomstige gebeurtenis beschouwt die niet tot een andersluidend standpunt leidt dan het standpunt dat de minister in zijn besluitvorming al heeft ingenomen. De minister wijst 5 ECLI:NL:RBDHA:2024:9283. 6 [internetsite 2] . 7 Algemeen ambtsbericht van Turkije van februari 2025, pagina’s 83-90. 8 Paragraaf C7/34.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). verder op een beslisnota bij de Kamerbrief over het landenbeleid in Turkije van 3 februari 2025 en het algemeen ambtsbericht van Turkije van februari 2025. Volgens de minister volgt uit beide bronnen dat het sociale klimaat voor lbhti-personen in Turkije weliswaar slecht is, maar dat de lhbti-rechtenbeweging zich weerbaar toonde en sterk georganiseerd is in [plaats 2] en Istanboel. Daardoor kunnen lhbti-personen rekenen op steun van bondgenoten in het maatschappelijk debat. Ook wijst de minister erop dat er parlementsleden zijn die de schending van lhbti-rechten aan de orde stelden. 5.1.2. Op 26 november 2025 heeft eiser op de nadere reactie van de minister gereageerd. Eiser voert aan dat de minister een te beperkte uitleg geeft aan de ex nunc -beoordeling. De minister moet volgens eiser ook rekening houden met ontwikkelingen waarvan aannemelijk is dat zij de positie van de vreemdeling op korte termijn verslechteren. Daarvoor verwijst eiser naar twee uitspraken van de Afdeling van 22 juni 2022 en 11 juli 2025.9 Verder wijst eiser erop dat de in de bron genoemde wetsvoorstellen niet louter hypothetisch zijn, maar daadwerkelijk bestaan, en dat de minister voorbijgaat aan de kwetsbare positie van transgender personen. De maatschappelijke steun waarnaar de minister verwijst, is volgens hem in de praktijk niet voldoende om lhbti-personen te beschermen. 5.1.3. De rechtbank overweegt dat de positie van lhbti-personen in het algemeen in Turkije verder zou kunnen verslechteren als wetsvoorstellen zoals geschetst in het HRW-artikel daadwerkelijk zouden worden ingevoerd. Het gaat hier echter om conceptwetsvoorstellen waarvan de precieze inhoud nog onbekend is, die (nog) niet door het Turkse parlement zijn aangenomen en waarvan onzeker is of deze zullen worden aangenomen. De minister heeft deze wetsvoorstellen daarom kunnen beschouwen als een onzekere toekomstige gebeurtenis die niet op dit moment al als zodanig ernstige verslechtering van de algemene situatie voor lhbti-personen moet worden beschouwd dat sprake is van gegronde vrees voor vervolging. De door eiser genoemde uitspraken10 leiden niet tot een ander oordeel. 5.2. Hoewel uit het voorgaande blijkt dat de situatie voor de lhbti-gemeenschap in Turkije erg zorgelijk is, betekent dit niet dat iemand afkomstig uit de lhbti-gemeenschap uit Turkije automatisch in aanmerking dient te komen voor bescherming. De minister moet daarom aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden beoordelen of iemand vanwege zijn genderidentiteit een zodanig risico loopt. De rechtbank oordeelt dat dit in de situatie van eiser niet het geval is; de minister is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat de individuele omstandigheden van eiser niet laten zien dat eiser vanwege zijn genderidentiteit een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade en daarom bescherming nodig heeft. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. 5.2.1. Ten aanzien van de familie van eiser geldt dat uit de eerdere procedure reeds is gebleken dat de vrees voor zijn familie niet aannemelijk is gemaakt.11 De rechtbank wijst in dit kader ook op de hiernavolgende rechtsoverweging 6.1 van deze uitspraak. 9 ECLI:NL:RVS:2022:1664 en ECLI:NL:RVS:2025:3166. 10 Zie voetnoot 6. 11 Zie NL22.6267, vanaf ro. 9.1. 5.2.2. Wat betreft de medische situatie waarin eiser als transgender bij terugkeer naar Turkije zou komen te verkeren, heeft de minister mogen stellen dat de maatregelen die in het artikel van Trans Europe and Central Asia worden genoemd, enkel voorgestelde maatregelen betreffen die nog niet daadwerkelijk zijn doorgevoerd. De ‘enige’ maatregel die daadwerkelijk is ingevoerd, betreft de afschaffing van hormoonbehandeling onder de 21 jaar. De minister heeft er terecht op gewezen dat deze maatregel eiser niet raakt, nu hij 32 jaar oud is. 5.2.3. Eiser heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer zal worden uitgesloten van de arbeidsmarkt, gezondheidszorg, huisvesting, of dat hij zal worden blootgesteld aan extreem geweld vanuit de samenleving. Evenmin heeft eiser onderbouwd dat hij geen steun zou kunnen krijgen van het maatschappelijk middenveld. 5.2.4. Dat eiser psychische schade heeft opgelopen en meermaals suïcidepogingen heeft ondernomen, is invoelbaar en zeer betreurenswaardig, maar vormt op zichzelf geen grond voor bescherming. Weliswaar vindt de rechtbank het voorstelbaar dat eiser, zoals hij stelt, als transgender vanwege uiterlijke kenmerken mogelijk andere risico’s loopt dan toen hij zich identificeerde als lesbische vrouw, maar dat uit dit enkele gegeven niet kan worden afgeleid dat eiser bij terugkeer automatisch een risico loopt op mishandeling of anderszins onmenselijke behandeling. Een dergelijk (groter) risico kan namelijk niet als zodanig uit de algemene informatie worden afgeleid en blijkt ook onvoldoende uit de persoonlijke omstandigheden van eiser. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 11 juni 202412 waar eiser ter zitting naar heeft verwezen, leidt niet tot een ander oordeel, omdat in die zaak, anders dan bij eiser, sprake was van eerdere vervolging door een niet-statelijke actor, voorafgaand aan het vertrek uit het land van herkomst. Vrees voor familie 6. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte voorbijgaat aan de inhoud van de overgelegde bedreiging door de vader aan eiser. Hij wijst erop dat de tekst ernstige, expliciete doodsbedreigingen bevat. Gezien de aangevoerde asielmotieven vindt eiser het daarom onbegrijpelijk dat de minister nalaat om inhoudelijk te reflecteren op de bedreiging. Volgens eiser had de minister nader onderzoek moeten doen naar de omstandigheden rondom de bedreiging. Eiser heeft verklaard dat hij via alternatieve telefoons en op discrete wijze contact onderhoudt met zijn zus. Dat is een gedragsverandering die consistent is met het gedrag van iemand die zich concreet bedreigd voelt, wat de minister zich had moeten afvragen ten aanzien voor de authenticiteit van de ernst van de bedreiging. Ter zitting heeft eiser zich in dit kader beroepen op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2022 (het L.H.-arrest).13 6.1. De rechtbank overweegt allereerst dat in de vorige procedure vast is komen te staan dat eisers vrees voor zijn familie vanwege eerwraak ten tijde van de vorige asielprocedure niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in onderhavige zaak op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser met de overgelegde bedreiging van vader via Whatsapp zijn vrees voor een actuele dreiging van zijn familie niet aannemelijk heeft gemaakt. Anders dan dat eiser kennelijk veronderstelt, heeft de minister het overgelegde screenshot van de bedreiging wel degelijk bij zijn beoordeling betrokken. 12 ECLI:NL:RBDHA:2024:9283. 13 ECLI:EU:C:2021:478. De minister heeft namelijk gekeken naar de datum van de bedreiging en naar de wijze waarop de vader van eiser aan zijn telefoonnummer zou zijn gekomen. Daarbij is van belang dat de datum ontbreekt en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt op welke manier zijn vader achter zijn telefoonnummer is gekomen. De minister stelt terecht dat de veronderstelling dat hij het via zijn zus heeft verkregen, is gebaseerd op een vermoeden. Uit het contact dat eiser na ontvangst van de bedreiging met zijn zus heeft gehad, is niet gebleken dat zijn vader daadwerkelijk in haar telefoon heeft gekeken om eisers nummer te achterhalen of dat zijn vader dat op een andere manier heeft geprobeerd. Daarnaast is niet gebleken dat eiser na deze bedreiging nog door zijn vader of andere familieleden is benaderd. Gelet op de omstandigheden waaronder de gestelde bedreiging heeft plaatsgevonden, mocht de minister concluderen dat de bedreiging op zichzelf niet objectief vaststaat of verifieerbaar is. Hierdoor kan aan de inhoud van de bedreiging niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan toegekend wil zien. Anders dan eiser aanvoert, is het besluit niet in strijd met het L.H.-arrest. De beroepsgrond slaagt niet. Aanhoudingsbevel 7. Voorts is eiser van mening dat de minister miskent dat er een fundamenteel verschil zit tussen de situatie van eiser tijdens de vorige procedure en zijn huidige omstandigheden. Eiser was eerst een lesbische vrouw en nu een transgender man. Dat maakt dat hij zijn presentatie als persoon en identiteit niet kan verbergen, mede gelet op de omstandigheid dat hij hormoonbehandelingen ondergaat. Dit maakt hem aanzienlijk kwetsbaarder, zeker in een context waarin transgenderpersonen een verhoogd risico lopen op discriminatie en geweld. Het risico dat eiser dus zal lopen door het aanhoudingsbevel is anders ten opzichte van de vorige procedure. 7.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het aanhoudingsbevel geen indicatie vormt dat eiser bij terugkeer zal worden vervolgd vanwege zijn geaardheid of genderidentiteit. Niet in geschil is dat het aanhoudingsbevel niet is uitgevaardigd op grond van eisers geaardheid of genderidentiteit, maar vanwege problemen die eiser met zijn ex-vriendin heeft gehad. Een enkel beroep op het verschil tussen de situatie in de eerdere procedure en de huidige situatie van eiser is onvoldoende om aan te nemen dat eiser nu enkel vanwege zijn (veranderde) genderidentiteit zal worden opgepakt. Daar komt bij dat uit het algemeen ambtsbericht van Turkije van 2025 niet blijkt dat transgenders geen eerlijke rechtsgang kunnen krijgen of zodanig worden gediscrimineerd dat sprake is van vervolging.14 Dat is door eiser ook verder niet onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. 14 Zie pagina 88 van het algemeen ambtsbericht van Turkije van 2025. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 09 februari 2026 Documentcode: [Documentcode] Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...