Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:1324

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-01-27
Procedure
Tussenuitspraak
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL23.12804
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
83.065 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Prejudiciële vraag over bewijslast feitelijke toegankelijkheid van noodzakelijke medische zorg in land waar de terugkeerverplichting op ziet. Eiser is afkomstig uit Guinee en heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een homoseksuele geaardheid heeft en daardoor problemen heeft ondervonden in Guinee. De rechtbank overweegt, voorlopig oordelend, dat aan eiser geen internationale beschermingsstatus hoeft te worden verleend en dat het belang van het kind niet in de weg staat aan het vaststellen van een terugkeerbesluit. Eiser is ernstig ziek en wordt thans in Nederland behandeld. Uit het BMA-advies dat naar aanleiding van de zitting bij de rechtbank is opgemaakt, volgt dat indien de medische behandeling niet wordt voortgezet, er binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie zal ontstaan. In het BMA-advies is vermeld dat de noodzakelijke medische behandeling beschikbaar is in Guinee. In de nationale rechtspraktijk ligt de bewijslast van de feitelijke (on)toegankelijkheid van deze noodzakelijke medische behandeling bij de derdelander en draagt de derdelander ook het bewijsrisico omdat dit zou volgen uit het arrest Paposhvili van het EHRM. Verweerder is echter op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 verplicht om bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en dus ook bij het vaststellen van een terugkeerbesluit, rekening te houden met de gezondheidstoestand van eiser en om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vraagt zich dan ook af, voor zover deze bewijslastverdeling al zou volgen uit het arrest Paposhvili, of uit het Unierecht méér verplichtingen voor verweerder volgen dan uit het EVRM en of het Unierecht daarom méér bescherming aan ernstig zieke derdelanders biedt dan artikel 3 van het EVRM. De rechtbank stelt onder verwijzing naar de arresten van het Hof in de zaken X, Medicinale Cannabis van 22 november 2022 en Ararat van 17 oktober 2024 de vraag aan het Hof of artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, de verplichting voor verweerder omvat om, alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen, na te gaan of de voor eiser noodzakelijke medische behandeling ook daadwerkelijk voor hem feitelijk toegankelijk zal zijn na terugkeer. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep totdat het Hof de prejudiciële vraag van de rechtbank heeft beantwoord.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL23.12804 verwijzing verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] , Guinese nationaliteit, verzoeker in het hoofdgeding, (gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder in het hoofdgeding, (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de navolgende prejudiciële vraag: Dient artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat artikel 5 van richtlijn 2008/115 de verplichting voor de autoriteiten omvat om, alvorens een terugkeerbesluit jegens een ernstig zieke vreemdeling vast te stellen, na te gaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om een situatie als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten te voorkomen, feitelijk toegankelijk zal zijn voor deze ernstige zieke vreemdeling in het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet? De rechtbank geeft het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de rechtbank als volgt te beantwoorden: Artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, dient aldus te worden uitgelegd dat artikel 5 van richtlijn 2008/115 de verplichting voor de autoriteiten omvat om, alvorens een terugkeerbesluit jegens een ernstig zieke vreemdeling vast te stellen, na te gaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om een situatie als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten te voorkomen, feitelijk toegankelijk zal zijn voor deze ernstige zieke vreemdeling in het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet. Procesverloop Verzoeker in het hoofdgeding (hierna: verzoeker) heeft op 19 januari 2019 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Bij besluit van 16 juli 2021 heeft verweerder het verzoek afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep tegen de afwijzing van dit verzoek is door de rechtbank, zittingsplaats Arnhem, op 16 november 2021 gegrond verklaard en het besluit van 16 juli 2021 is vernietigd . Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel ingesteld. Verweerder in het hoofdgeding (hierna: verweerder) heeft het verzoek om internationale bescherming bij besluit van 31 maart 2023 afgewezen als ongegrond . In dit besluit heeft verweerder tevens bepaald dat aan verzoeker geen verblijfsvergunning op andere gronden wordt verleend en dat verzoeker geen uitstel van vertrek op medische gronden krijgt. Het besluit van 31 maart 2023 omvat een terugkeerbesluit waarin een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek is bepaald. De terugkeerverplichting ziet op Guinee. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 31 maart 2023. Doordat verzoeker een rechtsmiddel heeft ingesteld, zijn de rechtsgevolgen van het besluit geschorst en is het verzoeker toegestaan om de behandeling van het beroep in Nederland af te wachten. In het hoofgeding beoordeelt de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het besluit van 31 maart 2023. De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. Ter zitting is met partijen afgesproken dat, gelet op de door verzoeker overgelegde medische stukken, verweerder een advies van Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) zal aanvragen om te kunnen beoordelen of verzoeker in staat is om naar zijn land van herkomst te reizen en om te beoordelen of er om medische redenen een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) indien verzoeker moet terugkeren naar zijn land van herkomst. De rechtbank heeft verzoeker tevens in de gelegenheid gesteld om actuele gegevens over zijn gezondheid te overleggen en verzoeker heeft ter zitting, op vragen van de rechtbank, medegedeeld dat hij BMA toestemming verleent om contact op te nemen met zijn behandelaars en BMA inzage in zijn medische gegevens verleent . Verweerder heeft op 28 november 2025 het BMA-advies van 27 november 2025 overgelegd en zich op het standpunt gesteld dat verzoeker kan reizen en dat er geen risico op schending van artikel 3 van het EVRM bestaat indien verzoeker moet terugkeren naar zijn land van herkomst. Verzoeker heeft zich bij bericht van 19 december 2025 op het standpunt gesteld dat in het land van herkomst onvoldoende medische behandeling en begeleiding voor hem aanwezig en toegankelijk zal zijn. Omdat er daardoor een medische noodsituatie zal ontstaan, is zijn terugkeer volgens verzoeker in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft verweerder bij bericht van 5 januari 2026 in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door verzoeker gegeven reactie op het BMA-advies. De rechtbank heeft beide partijen tevens in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 16 januari 2026 een standpunt in te nemen over de vraag of het uitgangspunt dat verzoeker de bewijslast draagt voor de stelling dat de noodzakelijke en in beginsel in het land van herkomst beschikbare medische behandeling voor hem feitelijk niet toegankelijk zal zijn, verenigbaar is met artikel 5 van richtlijn 2008/115. Op verzoek van verweerder heeft de rechtbank op 12 januari 2026 de termijn voor partijen om een schriftelijk standpunt in te nemen verlengd tot en met 23 januari 2026. Beide partijen hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om een standpunt in te nemen over de door de rechtbank opgeworpen rechtsvraag. Bij bericht van 27 januari 2026 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de rechtbank het noodzakelijk acht om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof). Overwegingen Inzet van het hoofdgeding en standpunten van partijen 1. Verzoeker, die afkomstig is uit Guinee en de Guinese nationaliteit heeft, heeft aan zijn verzoek om internationale bescherming ten grondslag gelegd dat hij een homoseksuele geaardheid heeft en dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid problemen in Guinee heeft ondervonden. 2. Verweerder heeft de door verzoeker gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De door verzoeker gestelde homoseksuele geaardheid en de problemen die verzoeker hierdoor zou hebben ondervonden, heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. 3. Verzoeker komt in het hoofdgeding op tegen het besluit waarin zijn verzoek om internationale bescherming is afgewezen en een terugkeerbesluit is vastgesteld. Verzoeker heeft in zijn beroepsgronden onder meer aangevoerd dat hij het niet eens is met de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn verklaringen over zijn seksuele geaardheid en de problemen die hij heeft ondervonden. Verzoeker heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hij medische en psychische klachten heeft en deze medische omstandigheden noodzaken dat hij in Nederland kan verblijven. Verzoeker stelt zich tot slot op het standpunt dat hij ten tijde van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming een niet-begeleide minderjarige vreemdeling was en omdat er geen adequate opvang in zijn land van herkomst was, er daardoor geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld. 4. De rechtbank overweegt, voorlopig oordelend, dat verweerder de gestelde homoseksuele geaardheid van verzoeker en de gestelde hiervan ondervonden problemen ongeloofwaardig heeft mogen vinden en terecht heeft geconcludeerd dat aan verzoeker op dit moment geen vluchtelingrechtelijke of subsidiaire beschermingsstatus hoeft te worden verleend . De rechtbank komt ook, voorlopig oordelend, tot de conclusie, met inachtneming van de uitlegging door het Hof in het arrest TQ van 14 januari 2021 van artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5, onder a) van richtlijn 2008/115 en artikel 24, tweede lid, van het Handvest, dat adequate opvang in het land van herkomst niet heeft ontbroken en het belang van het kind niet in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit oordeel in haar einduitspraak nader motiveren. 5. Verzoeker heeft, nadat verweerder zijn besluit op het verzoek om internationale bescherming heeft genomen, stukken overgelegd waaruit blijkt dat verzoeker kampt met ernstige medische en psychische problematiek. Verzoeker is gediagnosticeerd met een ongespecificeerde schizofreniespectrum,- of andere psychotische stoornis en er is mogelijk sprake van een posttraumatische stressstoornis. 6. De rechtbank heeft ter zitting uit eigen beweging, gelet op haar verplichtingen ingevolge artikel 5 van richtlijn 2008/115, zoals verduidelijkt door het Hof in het arrest van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat , met partijen besproken het noodzakelijk te achten dat nader wordt onderzocht of de gezondheid van verzoeker in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. 7. Het Hof heeft in het arrest X van 22 november 2022 onder meer verduidelijkt dat artikel 5 en artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115 vereisen dat de lidstaten, alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt of hem te verwijderen, in staat zijn elke gegronde twijfel weg te nemen over het risico dat de terugkeer van die derdelander zal leiden tot een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verergering van die ziekte of van de daardoor veroorzaakte pijn. In de nationale rechtspraktijk vraagt verweerder aan BMA een advies om zodoende te onderzoeken wat de gevolgen voor de gezondheidssituatie van een ernstig zieke derdelander zullen zijn indien hij dient terug te keren naar het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet. Het advies van BMA ziet op de concrete vraag of indien de behandeling die de derdelander in Nederland ondergaat wordt gestaakt, binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie zal ontstaan. Indien dit het geval is, zal BMA onderzoeken of de derdelander in staat is om te reizen en of de behandeling die de derdelander in Nederland ondergaat beschikbaar is in het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet. Indien de vreemdeling, eventueel met reisvoorwaarden, kan reizen en deze of een verglijkbare behandeling beschikbaar is, zal verweerder concluderen dat er geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen bestaat indien de vreemdeling terugkeert naar het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet en de gezondheidssituatie van de vreemdeling daarom niet in de weg staat aan de vaststelling van een terugkeerbesluit. Met ‘een medische noodsituatie’ wordt dus een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM bedoeld. 8. De rechtbank overweegt dat, indien een medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen beschikbaar, maar na terugkeer niet daadwerkelijk feitelijk toegankelijk zal zijn voor de ernstig zieke vreemdeling, de medische noodsituatie zich zal voordoen. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat dit het geval is. In het hoofdgeding rijst in dit verband de vraag of verweerder, die gedurende de tenuitvoerlegging van richtlijn 2008/115 onder meer verplicht is om rekening te houden met de gezondheidssituatie van verzoeker en het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen, zich ook moet vergewissen van de feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke medische behandeling en niet kan volstaan met het nagaan of deze of een vergelijkbare medische behandeling in het land waar de terugkeerverplichting op ziet in het algemeen beschikbaar is. 9. Op grond van de nationale rechtspraak en het beleid moet de ernstig zieke derdelander aantonen dat de medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen na terugkeer voor hem niet feitelijk toegankelijk zal zijn. De rechtbank vraagt zich af of deze bewijslastverdeling verenigbaar is met het Unierecht. Meer in het bijzonder vraagt de rechtbank zich af of verweerder, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod en de verplichtingen die verweerder op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 en artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest heeft, zich ook moet vergewissen van de feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke medische zorg om na te gaan of het refoulementbeginsel zich niet verzet tegen de vaststelling van het terugkeerbesluit en de verwijdering van een ernstig zieke vreemdeling. 10. De rechtbank acht het noodzakelijk om gelet op deze opgekomen rechtsvraag een nadere verduidelijking van het Unierecht van het Hof te verkrijgen om het hoofdgeding volledig te kunnen beslechten en stelt daarom de navolgende prejudiciële vraag aan het Hof: (…) “Dient artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat artikel 5 van richtlijn 2008/115 de verplichting voor de autoriteiten omvat om, alvorens een terugkeerbesluit jegens een ernstig zieke vreemdeling vast te stellen, na te gaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om een situatie als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten te voorkomen, feitelijk toegankelijk zal zijn voor deze ernstige zieke vreemdeling in het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet?” Toepasselijke bepalingen en beleid Unierecht Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie Artikel 1 - De menselijke waardigheid De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd. Artikel 4 - Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Artikel 19 - Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering (…) 2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen. Artikel 52 - Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen (…) 3. Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. Richtlijn 2008/115 Overwegingen (2) De Europese Raad van Brussel van 4 en 5 november 2004 heeft erop aangedrongen, op basis van gemeenschappelijke normen een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, teruggezonden kunnen worden. (24) In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen in acht genomen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend. Artikel 3 – Definities (…) 4. „ terugkeerbesluit”: de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld; Artikel 5 - Non-refoulement, belang van het kind, familie- en gezinsleven en gezondheidstoestand Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met: a)het belang van het kind; b)het familie- en gezinsleven; c)de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement. Artikel 6 - Terugkeerbesluit 1.Onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. Artikel 8 – Verwijdering 1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het terugkeerbesluit uit te voeren indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek overeenkomstig artikel 7, lid 4, is toegekend of indien de betrokkene niet binnen de volgens artikel 7 toegestane ter mijn voor vrijwillig vertrek aan de terugkeerverplichting heeft voldaan. Artikel 9 1. De lidstaten stellen de verwijdering uit: a. a) in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, of (…) 2. De lidstaten kunnen op grond van de specifieke omstandigheden de verwijdering in een individueel geval voor een passende termijn uitstellen. Door de lidstaten wordt met name rekening gehouden met: a. a) de fysieke of mentale gesteldheid van de onderdaan van een derde land; Nederlands recht Vreemdelingenwet 2000 Artikel 45 1.De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, (…) Artikel 64 Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen. Nederlands beleid Vreemdelingencirculaire 2000 paragraaf A3/7 Geen uitzetting om medische redenen paragraaf A3/7.1 Algemeen De IND kan uitstel van vertrek verlenen op grond van artikel 64 Vw als: •De vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen; of •Er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen. (…) paragraaf A3/7.1.3 Reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen De vreemdeling krijgt uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen. Er is uitsluitend sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM: •als uit het advies van het BMA blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie; en •als de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf niet beschikbaar is; of •als in geval de noodzakelijke medische behandeling wel beschikbaar is, gebleken is dat deze aantoonbaar niet toegankelijk is. Medische noodsituatie Onder een medische noodsituatie verstaat de IND: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. paragraaf A3/7.1.4. Beschikbaarheid van de benodigde zorg De IND concludeert dat de medische behandeling niet in het land van herkomst (of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken) beschikbaar is als, in één van de volgende gevallen: •uit het BMA-advies blijkt dat in het desbetreffende land geen of onvoldoende behandelmogelijkheden aanwezig of beschikbaar zijn; •uit het BMA-advies blijkt dat in het desbetreffende land onderbrekingen in de medicijnvoorraden voorkomen, die een maand of langer duren; •het BMA vanwege de situatie in het land van herkomst niet in staat is om te adviseren over de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het land van herkomst; of •uit het BMA-advies blijkt dat, ter voorkoming van een medische noodsituatie, mantelzorg noodzakelijk is voor het slagen van de medische behandeling, terwijl de vreemdeling heeft aangetoond deze mantelzorg in het land van herkomst niet te kunnen ontvangen van één of meer gezins- of familieleden dan wel via professionele (thuis)zorg. Zie over mantelzorg verder hieronder. paragraaf A3/7.1.4.5. Feitelijke toegankelijkheid tot de medische zorg De bewijslast dat de vreemdeling geen toegang zal hebben tot de vereiste medische zorg rust op de vreemdeling. Dit is van belang in die gevallen waarin het BMA in het medisch advies: •heeft geconcludeerd dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie; en •heeft aangegeven, dat de medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf beschikbaar is. Als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond middels originele documenten, kan hij in beginsel niet aannemelijk maken dat de noodzakelijke medische zorg in het land van herkomst of het land waarnaar hij kan vertrekken voor hem niet toegankelijk is. Dit is anders als: •de vreemdeling wel een (kopie van een) verlopen paspoort heeft overgelegd, of zijn identiteit en nationaliteit is aannemelijk geacht in een voorgaande asiel en/of reguliere procedure; en •nadien geen redelijke twijfel is ontstaan over de nationaliteit of identiteit van de vreemdeling. Het enkele ontbreken van identiteitsdocumenten is geen reden om de toegankelijkheid van de zorg niet te beoordelen. In het besluit moet worden gemotiveerd om welke reden er niet kan worden getoetst aan de feitelijke toegankelijkheid van de zorg vanwege het ontbreken van een originele documenten, die de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling aantonen (…) In de situatie dat de vreemdeling wel zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond middels documenten, legt de IND het medisch advies ter informatie voor aan de vreemdeling en biedt hem daarbij de mogelijkheid om aan de hand van documenten zoals bedoeld in A3/7.1.5 aannemelijk te maken dat de medische zorg voor hem ontoegankelijk is. De IND geeft de vreemdeling een termijn van vier weken om te reageren. De omstandigheid dat een vreemdeling enkel aangeeft dat de kosten voor een medische behandeling hoog zijn of dat de plek, waar de medische behandeling kan plaatsvinden, ver weg is van de woonplaats van de vreemdeling, vormt onvoldoende reden om een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM aan te nemen. De IND kent geen betekenis toe aan niet onderbouwde stellingen over enig beletsel dat in de weg staat aan het verkrijgen van toegang tot de benodigde zorg. Om te beoordelen of de medische zorg niet toegankelijk is voor de vreemdeling worden bewijsstukken gevraagd die inzicht geven in de kosten van de medische behandeling in relatie tot het inkomen van de vreemdeling. Ook gaat het om bewijsstukken over de afstand tussen de woonplaats van de vreemdeling en de zorginstelling (in het land van herkomst) en eventueel diens reismogelijkheden in relatie tot de medische klachten. (…) Rechtsvraag 11. Zoals hiervoor overwogen moet de rechtbank om het hoofdgeding te kunnen beslechten onder meer beoordelen of de gezondheidssituatie van verzoeker in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. Het Hof heeft in haar arrest van 22 november 2022 in de zaak X hierover onder meer het navolgende overwogen:. (…) 66 Uit de punten 52 tot en met 65 van het onderhavige arrest volgt dat artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen 1 en 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest, zich ertegen verzet dat een lidstaat een terugkeerbesluit vaststelt jegens een illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijvende derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, of hem verwijdert, wanneer er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de terugkeer van deze derdelander hem zou blootstellen aan een reëel risico van een significante daling van zijn levensverwachting of een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, leidend tot ernstige pijn, omdat er in het land van bestemming geen passende zorg beschikbaar is. (…) 80 In het licht van deze verduidelijking blijkt uit de motivering van het antwoord op de eerste en de tweede vraag dat artikel 5 en artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115 vereisen dat de lidstaten, alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt of hem te verwijderen, in staat zijn elke gegronde twijfel weg te nemen over het risico dat de terugkeer van die derdelander zal leiden tot een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verergering van die ziekte of van de daardoor veroorzaakte pijn. Wanneer dergelijke twijfels niet kunnen worden weggenomen, kan de bevoegde nationale autoriteit geen terugkeerbesluit uitvaardigen noch de betrokken derdelander verwijderen. 81 Hoewel een dergelijk verbod ook geldt zolang de betrokken lidstaat niet in staat is om de eigenlijke verwijdering van de betrokken derdelander zodanig te organiseren dat met name wordt gewaarborgd dat hij niet zal worden blootgesteld aan een risico dat zijn ziekte of zijn pijn tijdens die verwijdering aanzienlijk en op onomkeerbare wijze verergert, kan daaruit niet worden afgeleid dat het, om jegens die derdelander een terugkeerbesluit vast te kunnen stellen of om hem te kunnen verwijderen, volstaat dat deze lidstaat waarborgt dat hij tijdens zijn verwijdering passende zorg zal ontvangen. De betrokken lidstaat dient zich er namelijk van te vergewissen dat de betrokkene, wanneer zijn gezondheidstoestand zulks vereist, niet alleen tijdens de verwijdering zelf, maar ook daarna in het land van bestemming zorg ontvangt (zie naar analogie arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a., C‑578/16 PPU, EU:C:2017:127, punten 76‑82). (…) 12. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker ernstig ziek is. Verweerder heeft om na te gaan of er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de terugkeer van verzoeker hem zou blootstellen aan een reëel risico van een significante daling van zijn levensverwachting of een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, BMA om advies gevraagd. Deze werkwijze was ten tijde van de adviesaanvraag van verweerder toegelicht in ‘Werkinstructie 2024/4 Artikel 64 Vw’ die evenwel slechts geldig was tot en met 31 december 2025 . Ten tijde van de onderhavige verwijzingsuitspraak is niet voorzien in een nieuwe werkinstructie. 13. BMA heeft een protocol opgesteld om de hoofdlijnen van de werkwijze van BMA bij de totstandkoming van de medische adviezen te beschrijven. Het ‘BMA Protocol’ dat thans actueel is, is het BMA Protocol dat in 2023 is vastgesteld. In dit protocol is onder meer het navolgende weergegeven: (…) ‘1.2.2 Positionering medisch adviseur De medisch adviseur vormt zijn/haar oordeel over de medische aspecten van een zaak op basis van medische stukken over de vreemdeling die hij/zij (met toestemming van de betrokkene) ter beschikking krijgt van de behandelaar(s) van betrokkene. Bij het opstellen van een medisch advies neemt de medisch adviseur een onafhankelijke en onpartijdige positie in, zowel ten opzichte van de vreemdeling als van de (vreemdelingrechtelijke besluitvorming van) IND. De vraagstelling aan BMA vloeit rechtstreeks voort uit de Vreemdelingenwet en het beleid dat hierop is gebaseerd. Deze regelgeving en beleid is voor de medisch adviseur een gegeven, waar hij/zij geen mening over, noch invloed op heeft. (…) De medisch adviseur van BMA vervult de rol van onafhankelijk arts en heeft geen behandelrelatie met de betrokken patiënt. De medisch adviseur is de beoordelende arts met kennis van specifieke criteria in vreemdelingrechtelijk verband (zoals het criterium medische noodsituatie (zie hoofdstuk 3.1), beschikbaarheid van medische behandelmogelijkheden in het land van herkomst, reisvaardigheid of medische reisvoorwaarden) en is daar specifiek deskundig op. Uit bestendige jurisprudentie volgt dat een BMA-advies een deskundigenadvies is en enkel met een contraexpertise kan worden weerlegd. (…) Op basis van vaststaand vreemdelingenbeleid beantwoordt de medisch adviseur vragen van de IND, zodat de IND in staat is een aanvraag van de vreemdeling (…) te beoordelen. De rol van de medisch adviseur is om vragen van de IND zorgvuldig, volledig, duidelijk, feitelijk en objectief te beantwoorden met gedegen kennis van de relevante criteria die binnen het vreemdelingenrecht gelden.(…) (…) BMA heeft geen rol bij onderstaande vragen, omdat deze vragen buiten de medische deskundigheid van de medisch adviseur liggen: (…) -of medische zorg in het land van herkomst toegankelijk is voor een vreemdeling of voor een bepaalde groepering; (…) 3.1.3 Medische noodsituatie bij het uitblijven van huidige behandeling De medisch adviseur geeft in het medisch advies een inschatting over het ontstaan van een medische noodsituatie bij uitblijven van de huidige behandeling. (…) De vraag of er sprake is van een medische noodsituatie bij het uitblijven van behandeling is van toepassing bij de beoordeling in het kader van verzoek om uitstel van vertrek art. 64 Vw en de aanvraag voor een vergunning voor een medische behandeling (VVR-Medisch). Voorheen werd een strikte termijn van drie maanden aangehouden. Echter, het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in eerder genoemd arrest (zaak C-69/21) aangegeven dat geen strikte termijn meer mag worden gehanteerd met betrekking tot het optreden van een medische noodsituatie bij uitblijven van de huidige behandeling. Op basis van deze uitspraak is de eerder gehanteerde termijn van drie maanden veranderd in een indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Binnen deze termijn kan een voldoende accurate inschatting worden gemaakt van het ziekteverloop en de beschikbaarheid van een noodzakelijke behandeling in het land van herkomst. (…) Reizen De medisch adviseur beoordeelt of de vreemdeling op het moment van advisering -in objectieve zin medisch gezien in staat is om te reizen. (…) 3.2 Landgebonden deel Wanneer de medisch adviseur heeft beoordeeld dat er, bij het uitblijven van behandeling, een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden kan ontstaan, of als de medisch adviseur een fysieke medische overdracht als reisvoorwaarde stelt (zie hoofdstuk 3.1.5), wordt de beschikbaarheid van de medische behandeling in het land van herkomst of land van bestemming uitgezocht. Beschikbaarheid van een medische behandeling betekent dat een specifieke medische behandeling (waaronder ook medicatie) aanwezig is op enige plek op een bepaald moment in het gevraagde land van herkomst of land van bestemming. Hierbij beoordeelt de medisch adviseur of de beschikbare behandeling al dan niet voldoende is om een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden te voorkomen 3.2.1 Informatiebron - EUAA, MedCOI Sector Bij het onderzoek naar de beschikbaarheid van medische behandeling in de gevraagde landen wordt gebruik gemaakt van de Medical Country of Origin Information (MedCOI) database. (…) Met ingang van 1 januari 2021 is het systeem officieel overgenomen door de European Asylum Support Office (EASO) dat sinds januari 2022 onderdeel is van het Asielagentschap van de Europese Unie (European Union Agency for Asylum (EUAA) te Malta. Sindsdien vallen ook de contacten met International SOS en de werving en het auditen van vertrouwensartsen onder de verantwoordelijkheid van het EUAA. (…) 3.2.8 Bijzondere aandachtspunten landgebonden deel Toegankelijkheid (Individuele) toegankelijkheid duidt op de bereikbaarheid, betaalbaarheid en de mate waarin de individuele vreemdeling toegang kan krijgen tot de geïndiceerde behandeling. Die toegankelijkheid hangt van andere aspecten af dan van de medische aspecten (denk aan culturele opvattingen over de toegankelijkheid van de gezondheidszorg voor bijvoorbeeld vrouwen, religieuze invloeden op verschil in toegang tot zorg voor verschillende groeperingen, sociaalgeografische aspecten, waardoor de zorg in de stad feitelijk voor inwoners van het platteland nauwelijks beschikbaar is en financiële randvoorwaarden, bijvoorbeeld wordt de behandeling op een of ander manier vergoed of moet eerst een aanzienlijke som geld betaald worden voordat zorg beschikbaar komt). (…) De aan BMA gevraagde informatie over de medische behandelmogelijkheden in het land van herkomst of land van terugkeer gaat alleen over de beschikbaarheid van behandeling(en) in medisch-technische zin. Er wordt geen informatie gevraagd over de individuele toegankelijkheid tot die behandeling(en), waarbij niet-medische factoren, zoals onder meer politieke, veiligheids-,geografische, economische en inkomensaspecten, een rol spelen. Wel wordt gevraagd naar specifieke medische behandelmogelijkheden voor specifieke klachten in een bepaalde kliniek/instelling op enige plaats in het land van herkomst of terugkeer. Dit laat onverlet dat deze niet-medische factoren in het algemeen ook van groot belang kunnen zijn om voortzetting van de medische behandeling in het land van herkomst te garanderen. Een onderzoek hiernaar valt echter niet binnen het deskundigheidsgebied van de arts van BMA zodat daar in het BMA-advies niet op wordt ingegaan. (…) 14. In het BMA-advies dat in het hoofdgeding is opgemaakt op 27 november 2025 is onder meer het navolgende vermeld: (…) A. Persoonsgebonden vragen 1a. Heeft betrokkene één of meerdere medische klachten? Ja, aldus de gemachtigde behandelaars. 1b. Zo ja, wat is de aard van de klachten? Kunt u hierbij een samenvatting geven van de meest belangrijke klachten en/of diagnostiek? Uit de beschikbare medische informatie verkregen van de gemachtigde behandelaars komt naar voren dat er bij betrokkene sprake is van een psychotische stoornis. Daarnaast is hij bekend met middelengebruik en is mogelijk getraumatiseerd, aldus de behandelaar. Vanwege een psychotisch toestandsbeeld werd betrokkene in april 2024 gedurende drie maanden met een crisismaatregel opgenomen bij CTP Veldzicht . Er was sprake van waandenkbeelden en hallucinaties en hij vertoonde bizar gedrag, leidend tot agressie met gevaar voor betrokkene zelf en zijn omgeving. Betrokkene werd behandeld met medicatie, waarna de psychose verbleekte. Na opname bleef betrokkene aanvankelijk in zorg bij het FACT van CTP Veldzicht en er werd een Zorgmachtiging afgegeven. Deze is in juli 2025 afgelopen en aangezien betrokkene al lange tijd stabiel was, werd deze niet verlengd. De behandeling is in augustus 2025 overgedragen aan de huisarts. Er wordt sinds de opname van 2024 door de huisarts geen melding meer gemaakt van psychotische symptomen. 2a.Staat betrokkene voor de onder 1b. genoemde klachten onder actieve medische behandeling of wordt medische behandeling binnenkort gestart? Ja, betrokkene staat onder behandeling. 2b. Zo ja, wat is de aard van deze behandeling, door wie wordt deze behandeling gegeven en is de behandeling van tijdelijke of van blijvende aard? Therapie: Uit de beschikbare medische informatie blijkt dat betrokkene op dit moment alleen nog onder behandeling is van de huisarts; behandeling bestaat uit onderhoudsdosering van de antipsychotica d.m.v. een depot-injectie elke 2 maanden. Medicatie: A. Aripiprazol depot injectie (antipsychotica) 2c. Voor zover de behandeling van tijdelijke aard is, kunt u op basis van de huidige medische inzichten aangeven wanneer de behandeling zal zijn afgerond? Gezien de aard en duur van de klachten, is naar verwachting langdurige behandeling met antipsychotica noodzakelijk. 3. Kunt u aangeven wat in de huidige situatie de te verwachten medische gevolgen zullen zijn bij uitblijven van de onder 2b. genoemde behandeling? Bij uitblijven van de onderhoudsbehandeling met antipsychotica is er een reële kans dat betrokkene opnieuw psychotisch zal ontregelen, met verward gedrag, agressie en gevaar voor hemzelf of zijn omgeving tot gevolg. 4. Zal, gelet op de huidige medische inzichten, het uitblijven van de onder 2b. genoemde behandeling leiden tot een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden? Bij uitblijven van de genoemde behandeling verwacht ik wel een medische noodsituatie binnen deze termijn, omdat betrokkene voorafgaand aan behandeling dusdanig psychotische symptomen vertoonde dat opname met een crisismaatregel noodzakelijk was. Er was sprake van verward gedrag door de psychose met agressie en gevaar voor hemzelf en zijn omgeving. Bij uitblijven van behandeling met antipsychotica bestaat er een reële kans dat betrokkene opnieuw dusdanig psychotisch zal ontregelen. Als betrokkene gaat reizen, gebeurt dit in de regel per vliegtuig, trein, auto of boot. 5a.Kan betrokkene reizen, met bovengenoemde vervoersmiddelen? Ja, betrokkene kan reizen. (…) B. Landgebonden vragen (…) 6a. Is behandeling, in algemeen medisch-technische zin, voor de onder 1b beschreven klachten, op enige plaats in Guinee aanwezig? Uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie met betrekking tot de therapiemogelijkheden in het land van herkomst/land van eventuele verwijdering, concludeer ik dat de behandeling aanwezig is. 6b. Zo ja, waaruit bestaat deze behandeling en waar wordt bedoelde behandeling bijvoorbeeld gegeven? Kunt u beoordelen of de eventuele beschikbare behandeling voldoende is om een medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden te voorkomen? Met betrekking tot de therapie zoals genoemd onder vraag 2b: Uit brondocument AVA 18867 blijkt dat behandeling door een psychiater wel aanwezig is o.a. in CHU Donka, Centre Hospitalier Universitaire, Donka, Conakry. Indien noodzakelijk is hier ook psychiatrische thuiszorg, behandeling door een psychiater in klinische opname en gedwongen opname mogelijk. Met betrekking tot de medicatie zoals genoemd onder vraag 2b: Uit brondocument AVA 18867 blijkt dat het middel Aripiprazol depot injecties wel aanwezig is, o.a. in Nouni Pharmacy, Conakry. Hiermee acht ik de beschikbare behandeling voldoende om een medische noodsituatie binnen de genoemde termijn te voorkomen. (…) 15. Verzoeker is gediagnosticeerd met een ongespecificeerd schizofreniespectrum - of andere psychotische stoornis - en er is mogelijk sprake van een posttraumatische stressstoornis. Verzoeker wordt thans in Nederland behandeld voor deze problematiek. Indien verzoeker na terugkeer naar Guinee verstoken zal blijven van deze of een vergelijkbare medische behandeling, zal er binnen een indicatieve periode van drie tot zes maanden een medische noodsituatie ontstaan. Dit is tussen partijen niet in geschil en volgt uit het BMA-advies dat verweerder heeft doen opmaken om na te gaan of verzoeker kan reizen en om na te gaan of er een medische noodsituatie zal ontstaan als verzoeker moet terugkeren naar Guinee. In de nationale rechtspraktijk wordt met een medische noodsituatie, een situatie die strijdig is met artikel 3 EVRM bedoeld. 16. In het BMA-advies is tevens vermeld dat de medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen beschikbaar is in Guinee. Hiermee wordt bedoeld dat een specifieke medische behandeling (waaronder ook medicatie) aanwezig is op enige plek op een bepaald moment in het gevraagde land van herkomst of land van bestemming. BMA baseert dit op Medical Country of Origin Information van het EUA

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...