Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:27070

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-01-22
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.47865 en NL24.47866
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
12.190 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Aanvraag asielvergunning. Nationaliteit en authentiek bevonden paspoort. Somalische nationaliteit moet ook betrokken worden. Geloofwaardigheidsbeoordeling. Beroep gegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.47865 (beroep) en NL24.47866 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , alias: [alias] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. I. Wudka), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R.S. Hogendoorn-Mathijssen). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 15 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 28 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen mevrouw N. Salat. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 3. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1986. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de Tunni bevolkingsgroep en heeft vanwege die afkomst problemen met zijn schoonfamilie gehad in Somalië. Hij ging daarna naar Kenia, maar daar gingen deze problemen met zijn schoonfamilie door. Eiser is daarna vertrokken uit Kenia. 3.1. Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser bij zijn aanvraag een (echt bevonden) Keniaans paspoort en een (echt bevonden) Somalische geboorteakte overgelegd. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief); en eisers problemen in Kenia (ook wel het tweede asielmotief). 4.1. Verweerder vindt eisers eerste asielmotief niet geloofwaardig. Eiser heeft dit asielmotief niet met objectieve documenten onderbouwd en volgens verweerder kunnen eisers verklaringen hierover in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Eiser heeft een Keniaans paspoort overgelegd, deze is echt bevonden en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit op frauduleuze is verkregen. Eiser heeft verder geen documenten overgelegd die zijn Somalische nationaliteit onderbouwen. De overgelegde Somalische geboorteakte is onvoldoende om dit aannemelijk te maken. Ook de gestelde problemen in Kenia vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft ook deze verklaringen volgens verweerder niet met objectieve documenten onderbouwd en zijn verklaringen over dit motief vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Dat eiser uit Kenia komt is onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Kenia een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM . Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn nationaliteit en zijn verklaringen zijn beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig met beschikbare landinformatie. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft eisers eerste asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft zowel het originele Somalische paspoort als een kopie daarvan overgelegd en de gegevens op de Somalische geboorteakte komen exact overeen met dit paspoort. Hier had dus wel waarde aan gehecht moeten worden en verweerder had – in het kader van de samenwerkingsverplichting – niet mogen doen alsof er geen Somalisch paspoort bestaat. Wat betreft de geloofwaardigheidsbeoordeling van het tweede asielmotief stelt eiser dat verweerder de problemen bagatelliseert en ten onrechte als ongeloofwaardig af heeft afgedaan. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 7. Het beroep is gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. Mocht verweerder het eerste asielmotief ongeloofwaardig vinden? 8. Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat in het geval een authentiek paspoort is overgelegd, verweerder in beginsel uit mag gaan van de nationaliteit die in dit paspoort vermeld staat. Wanneer een vreemdeling meent dat dat paspoort toch buiten beschouwing moeten worden gelaten, moet hij aannemelijk maken dat dat paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. Dit kan een vreemdeling bijvoorbeeld doen door contact op te nemen met de diplomatieke vertegenwoordiging van het land dat het paspoort heeft afgegeven. Als een vreemdeling onvoldoende moeite heeft gedaan om een dergelijke verklaring van de autoriteiten te verkrijgen, mag verweerder ervan uitgaan dat de vreemdeling de nationaliteit heeft die op het paspoort is vermeld. 8.1. Het Keniaanse paspoort is na onderzoek echt bevonden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. Zo is bijvoorbeeld in het dossier niet terug te vinden dat eiser (heeft gepoogd) contact op te nemen met de diplomatieke vertegenwoordiging van Kenia. Uitgangspunt is dus dat verweerder van het Keniaanse paspoort en de Keniaanse nationaliteit mag uitgaan. 8.2. Eiser heeft zich echter op het standpunt gesteld dat hij (ook) de Somalische nationaliteit heeft. In beroep heeft eiser documenten overgelegd waaruit volgt dat zijn originele Somalische paspoort op 5 december 2024 door verweerder is ontvangen ten behoeve van het onderzoeken van de echtheid hiervan door Bureau Documenten. Ter zitting heeft verweerder de ontvangst van dit document bevestigd en toegelicht dat Bureau Documenten het paspoort heeft onderzocht en echt heeft bevonden. Verweerders stelling ter zitting dat dit geen consequenties heeft voor deze zaak, volgt de rechtbank niet. In het bestreden besluit staat expliciet dat als het Somalische paspoort echt blijkt te zijn, er getoetst zal moeten worden aan zowel de Keniaanse als de Somalische nationaliteit. Verweerder heeft dit echter niet gedaan. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het Somalische paspoort gekocht kan zijn en dat zodoende ook aan een echt bevonden paspoort niet de waarde toegekend kan worden die eiser daaraan toegekend wenst te zien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee onvoldoende gemotiveerd toegelicht waarom zij terugkomt op haar in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat ook aan de Somalische nationaliteit moet worden getoetst als zou blijken dat het paspoort echt is. Immers, als verweerder aan een echt bevonden Somalisch paspoort hoe dan ook geen waarde toekent, had zij dit ook in het bestreden besluit al kunnen opschrijven. De rechtbank vindt dat verweerder bij deze stand van zaken onvoldoende heeft toegelicht waarom zij niet aan de Somalische nationaliteit heeft getoetst. Gelet daarop heeft verweerder de ongeloofwaardigheid van het eerste asielmotief onvoldoende gemotiveerd en kan haar standpunt op dit onderdeel geen stand houden. Mocht verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig vinden? 9. Verweerder heeft – zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw – beoordeeld of eisers verklaringen over zijn problemen samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag. Verweerder heeft daarbij betrokken dat de problemen in Kenia in de kern al ongeloofwaardig zijn, omdat eiser deze verklaring baseert op de gebeurtenis dat deze problemen zijn begonnen in Somalië en hij dit in de hoedanigheid als Somaliër heeft meegemaakt, wat door verweerder niet wordt geloofd. Zoals volgt uit de voorgaande rechtsoverweging, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom zij niet (ook) aan de Somalische nationaliteit heeft getoetst. Nu verweerder de ongeloofwaardigheid van het tweede asielmotief in de kern baseert op de ongeloofwaardig bevonden Somalische nationaliteit, heeft verweerder de ongeloofwaardigheid van het tweede asielmotief ook onvoldoende gemotiveerd en kan haar standpunt op dit punt dan ook geen stand houden. 10. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens een ondeugdelijke motivering. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen. 11. De overige beroepsgronden worden vanwege de gegrondverklaring van het beroep niet verder besproken. Conclusie en gevolgen 12. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met in achtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken. 13. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 14. Verweerder moet de proceskosten van eiser vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een totaal van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 ( Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 ( Trb . 1967, 76). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw. Zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder e, van de Vw. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1071. Bestreden besluit, p. 3.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...