ECLI:NL:RBDHA:2025:20057
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-10-30
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asielaanvraag, identiteit niet geloofwaardig bevonden, kopie paspoort, paspoort weggemaakt of vernietigd, beroep ongegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.36533 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda). Procesverloop Bij besluit van 30 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk, en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en de Kameroense nationaliteit te hebben. Op 17 april 2023 heeft hij asiel aangevraagd. 2. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eiser staat vanwege drie incidenten in de negatieve aandacht van de Kameroense autoriteiten. Hij wordt beschuldigd van terrorisme dan wel van samenwerken met de Amber Boys. Daarnaast heeft eiser problemen ondervonden met de Amber Boys. 3. Verweerder heeft de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht, maar zijn identiteit niet. Daarnaast heeft verweerder niet geloofwaardig geacht dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Kameroense autoriteiten en dat hij wordt beschuldigd van terrorisme en samenwerken met de Amber Boys. Ook heeft verweerder niet geloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft ondervonden met de Amber Boys. De asielaanvraag is op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw als kennelijk ongegrond afgewezen, omdat aangenomen wordt dat eiser zijn paspoort met opzet heeft vernietigd dan wel heeft weggemaakt. 4. Eiser voert daartegen het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte de identiteit van eiser ongeloofwaardig geacht. Eiser wilde via Nederland naar Suriname reizen, maar bij aankomst in Suriname werd hem door de autoriteiten de toegang tot het land geweigerd. De Surinaamse autoriteiten hebben eiser vervolgens teruggestuurd naar Nederland. Voor het boeken van de vlucht naar Nederland hebben de Surinaamse autoriteiten gebruik gemaakt van het paspoort van eiser. Verweerder heeft via Surinam Airways een kopie van eisers paspoort ontvangen. De identiteit van eiser is dus bekend bij verweerder. Ten onrechte is verweerder hieraan voorbijgegaan. Dat eiser bij aankomst in Nederland niet meer in het bezit was van zijn paspoort kan verschillende redenen hebben, maar maakt niet dat de gegevens op de door Surinam Airways overgelegde kopie van het paspoort onjuist zijn. Verder heeft verweerder ten onrechte de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder gaat namelijk slechts uit van een vermoeden van opzettelijkheid en een vermoeden van het wegmaken van het paspoort door eiser. Doordat de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgedaan, zijn ook ten onrechte een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod uitgevaardigd. De rechtbank oordeelt als volgt. 5. Ter zitting heeft eiser ter onderbouwing van zijn identiteit drie documenten aan de rechtbank getoond: een voorlopige identiteitskaart, een geboorteakte en een huwelijksakte. Vastgesteld is dat op deze documenten personalia als die van eiser staan vermeld. De rechtbank heeft daarom ter zitting aan partijen voorgesteld om het beroep aan te houden en verweerder in de gelegenheid te stellen de documenten te onderzoeken. Aan de zijde van eiser is hiermee niet akkoord gegaan en is verzocht aan de rechtbank om, zonder verder documentenonderzoek, uitspraak te doen op het beroep. Gelet daarop doet de rechtbank uitspraak op het beroep, zonder dat de door eiser ter zitting getoonde documenten op echtheid zijn onderzocht door verweerder. 6. Verweerder heeft terecht aan eiser tegengeworpen dat hij zijn paspoort niet heeft overgelegd zonder dat hij daarvoor een goede verklaring heeft. Uit het feit dat verweerder van de luchtvaartmaatschappij een kopie van het (mogelijke) paspoort van eiser heeft ontvangen en de omstandigheid dat eiser door de luchtvaartmaatschappij op de vlucht naar Nederland is toegelaten, heeft verweerder kunnen afleiden dat eiser voor zijn vertrek uit Suriname in het bezit was of weer in het bezit was gesteld van dit paspoort. In Nederland heeft eiser dit paspoort echter niet overgelegd. De verklaringen van eiser over de reden waarom hij zijn paspoort niet kan overleggen, heeft verweerder terecht onvoldoende geacht. Daarbij is van belang dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat hij bij terugkeer naar Nederland ziek was en niet weet of hij zijn paspoort heeft teruggekregen en anderzijds dat hij mogelijk door het duwen en trekken op weg naar de luchthaven zijn paspoort is kwijtgeraakt. Bovendien heeft verweerder terecht erop gewezen dat de verklaring van eiser dat hij ziek was niet strookt met zijn verklaring bij de Koninklijke Marechaussee dat hij gezond was. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte geconcludeerd dat de verklaringen van eiser over de vermissing van zijn paspoort ongeloofwaardig zijn. 7. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat het niet kunnen overleggen van het paspoort niet verschoonbaar is. Verweerder heeft terecht overwogen dat het niet mogelijk is om onderzoek te doen naar eisers identiteit, nu eiser niet alle documenten heeft overgelegd waarover hij beschikt. De identiteit van eiser is daarom niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. 8. In de omstandigheid dat eiser ter zitting drie documenten heeft getoond, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel. Eiser heeft de documenten namelijk voor het eerst ter zitting getoond, de documenten zijn door eiser niet aangeboden voor onderzoek en evenmin is toegelicht hoe eiser nu aan deze documenten komt. 9. Verder heeft verweerder de aanvraag van eiser kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, omdat aangenomen kan worden dat eiser met opzet zijn paspoort heeft vernietigd of weggemaakt. Anders dan eiser meent, hoeft verweerder niet aan te tonen dat eiser zijn paspoort opzettelijk heeft vernietigd of weggemaakt. Voor toepassing van artikel 30b, aanhef en onder d, van de Vw is voldoende dat verweerder aannemelijk maakt dat eiser waarschijnlijk te kwader trouw heeft gehandeld. Dit heeft verweerder in voldoende mate gedaan. Er kan van worden uitgegaan dat eiser voor zijn vertrek uit Suriname in het bezit was gesteld van het bewuste paspoort, zoals ook onder 6 overwogen, maar bij aankomst in Nederland heeft eiser dit paspoort niet overgelegd. Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat eiser zich heeft ontdaan van het paspoort of dit heeft weggemaakt. Niet gesteld of gebleken is dat dit onder dwang heeft plaatsgevonden. 10. Nu verweerder de aanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond, heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw kunnen bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Verweerder was vervolgens gehouden om aan eiser een inreisverbod uit te vaardigen op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. 11. Het beroep is ongegrond. 12. Eiser krijgt zijn proceskosten niet vergoed. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Verslag van het aanmeldgehoor, pagina 5. Verslag van het aanvullend gehoor, pagina 21.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...