ECLI:NL:RBDHA:2025:20008
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-02-24
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel. Opvolgende aanvraag. Verweerder heeft het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig kunnen achten. De overgelegde documenten nemen daarbij, naast dat het kopiën betreffen, de genoemde tegenwerpingen van verweerder niet weg. Verweerder heeft echter ten onrechte Senegal als veilig land van herkomst tegengeworpen, gelet op de uitspraak van deze rechtbank van 8 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:172). Nu verweerder voor de afwijzing als kennelijk ongegrond ook een andere grond heeft aangedragen welke door eiser in zoverre niet is betwist, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Het beroep is gegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.913 en NL25.914 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. B. Snoeij), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. K. Kana). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 23 december 2024 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 5 januari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. de Man als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? De eerdere asielaanvraag 2. Eiser heeft op 18 november 2024 zijn eerste asielaanvraag in Nederland ingediend. Hierbij heeft eiser – in het kort – als asielmotief aangevoerd dat hij werd aangevallen en met de dood bedreigd door zijn halfbroers. Verweerder heeft deze asielaanvraag afgewezen met het besluit van 24 november 2024. Hiertegen heeft eiser geen beroep ingesteld waardoor dit besluit rechte vast is komen te staan. Huidige asielaanvraag 3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Senegalese nationaliteit. Hij heeft het volgende aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij problemen in Senegal heeft vanwege aan hem toegedichte homoseksualiteit. Op 23 november 2023 is eiser gearresteerd omdat hij met twee vrienden seksuele handelingen verrichte op het strand. Hiervoor is eiser veroordeeld tot een maand gevangenisstraf. Na zijn vrijlating en terugkeer naar zijn familie, is eiser gepest en met de dood bedreigd door zijn halfbroers. Ook anderen hebben eiser sindsdien ontweken en geweigerd waardoor het moeilijk voor eiser werd om maatschappelijk te functioneren. Bij terugkeer vreest eiser gedood te worden. Het bestreden besluit 4. Verweerder heeft uit het asielrelaas van eiser twee asielmotieven herleid. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. Zijn toegedichte homoseksualiteit en de daaruit volgende problemen worden niet geloofd. Hiervoor stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser zijn verklaring onvoldoende met documenten heeft onderbouwd. Zo ziet verweerder niet in waarom eiser de inhoud van de documenten die hij zou hebben ontvangen niet zelf heeft gelezen. De documenten die eiser wel heeft overlegd, namelijk een Frans proces-verbaal en een Frans vonnis, zijn kopieën die niet op echtheid kunnen worden onderzocht. Verder heeft eiser tegenstrijdig verklaard over zijn eigen geaardheid, en heeft eiser wisselend en ongerijmd verklaard over zijn relatie met [naam 1] en de gebeurtenissen met [naam 2] en [naam 3] die leidden tot zijn aanhouding. Daarnaast heeft eiser summier en wisselend verklaard over de aanvallen door zijn halfbroers en heeft hij wisselend verklaard over het moment dat hij bij zijn tante is ingetrokken. Verweerder verwijt eiser verder dat hij deze omstandigheden niet eerder kenbaar heeft gemaakt terwijl deze wel de reden van zijn asielaanvraag vormen en dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Daar komt bij dat Senegal als veilig land van herkomst wordt aangemerkt. Verweerder vindt het daarbij niet aannemelijk dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser uit een veilig land van herkomst afkomstig is, eiser zijn asielaanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting te verijdelen en omdat zijn opvolgende aanvraag niet niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft eerder al een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd gekregen die nog steeds gelden. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser is van mening dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Primair stelt eiser zich hiervoor op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen kennis heeft genomen van zijn zienswijze en dat alleen al daarom het besluit vernietigd zou moeten worden. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat de door eiser overgelegde documenten onvoldoende zijn om zijn asielmotief te onderbouwen. Hierbij stelt eiser dat het niet van belang is dat het kopieën zijn die niet op echtheid gecontroleerd kunnen worden, maar dat ze in samenhang met zijn verklaring gezien zijn asielmotief geloofwaardig maken. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. Verweerder heeft ter zitting de tegenwerping dat eiser niet zo spoedig mogelijk zijn asielaanvraag heeft ingediend als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw, laten vallen. Hierbij heeft verweerder toegelicht dat dit komt omdat het een opvolgende aanvraag betreft waarvoor eiser al in Nederland was. Dit wordt eiser dan ook niet langer tegengeworpen. Zorgvuldigheid 7. De rechtbank stelt met partijen de volgende gang van zaken vast. Op 28 december 2024 is het voornemen bekend gemaakt aan eiser om zijn aanvraag af te wijzen. Eiser is volgens procedure één week geboden om een zienswijze hiertegen in te dienen. Deze termijn loopt daarmee tot en met 4 januari 2025. Op 5 januari 2025 is omstreeks 15:30 uur het bestreden besluit aan eiser bekend gemaakt. Diezelfde dag om 16:14u heeft de gemachtigde van eiser zijn zienswijze per fax aan verweerder verstuurd. 7.1. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het besluit geen stand kan houden omdat in het bestreden besluit geen kennis is genomen van zijn zienswijze. Weliswaar was het bestreden besluit al bekend gemaakt voordat eiser zijn zienswijze had ingediend, maar verweerder heeft er op kunnen wijzen dat eiser te laat was met het indienen van zijn zienswijze en daarbij geen verschoonbare reden heeft opgegeven. De rechtbank neemt daar in mee dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft aangegeven dat hij, ondanks gestelde problemen met het online portaal van verweerder, geen contact heeft gezocht met verweerder hierover en eiser door deze gestelde problemen naar zijn zeggen niet minder tijd heeft gehad om zijn zienswijze in te dienen. Tot slot heeft verweerder ter zitting voldoende toegelicht dat niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad, nu uit het bestreden besluit volgt dat verweerder de opmerkingen van eiser in de correcties en aanvullingen in de besluitvorming heeft betrokken en de zienswijze grotendeels een herhaling is van hetgeen in de correcties en aanvullingen naar voren is gebracht. 7.2. Ter zitting heeft de rechtbank daarnaast partijen de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 8 januari 2025 voorgehouden en partijen gevraagd of die uitspraak consequenties heeft voor deze zaak, nu verweerder Senegal in deze zaak als veilig land van herkomst heeft aangemerkt terwijl er groepen zijn uitgezonderd van deze aanwijzing. In de uitspraak is de vraag aan de orde geweest of verweerder een land kan aanwijzen als veilig land van herkomst als hij een groep uitzondert van die aanwijzing. De rechtbank heeft geoordeeld dat het uitzonderen van groepen zich niet verdraagt met de aanwijzing van een land als veilig in de zin van de Procedurerichtlijn. De rechtbank heeft artikel 3.37f, vierde lid, aanhef en onder a, van het Voorschrift vreemdelingen 2000 (Vv) daarom onverbindend is verklaard. 7.3. Eiser heeft aangevoerd dat deze uitspraak betekent dat verweerder zijn aanvraag heeft behandeld volgens de verkeerde procedure, ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en zijn beroep gegrond verklaard moet worden. 7.4. Verweerder heeft erop gewezen dat hij het niet eens is met de uitspraak van 8 januari 2025 en hiertegen hoger beroep heeft ingesteld. Daarbij, zelfs al zou de rechtbank eisers beroep daarop gegrond verklaren, heeft verweerder eisers asielaanvraag terecht als kennelijk ongegrond afgewezen. Verweerder heeft namelijk meerdere gronden voor deze afdoening aangevoerd welke blijven staan. Eiser heeft daartegen ook geen beroepsgronden aangevoerd waardoor deze buiten geschil staan. 7.5. De rechtbank ziet aanleiding om de uitspraak van 8 januari 2025 bij deze uitspraak te betrekken. Daartoe is redengevend dat de rechtbank in de uitspraak van 8 januari 2025 de toepassing van artikel 3.37f, vierde lid, aanhef en onder a, van het Vv algemeen onverbindend heeft verklaard, waardoor de aanwijzing van Senegal als veilig land van herkomst – ook in deze zaak – niet op een draagkrachtige motivering berust en verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de asielaanvraag van eiser te behandelen in de versnelde procedure van Spoor 2 met grensdetentie. Dit leidt er ook toe dat verweerder de asielaanvraag niet kan afwijzen als kennelijk ongegrond, voor zover dat strekt tot artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Aan het bestreden besluit kleeft daardoor een zorgvuldigheidgebrek dat reden geeft tot vernietiging van het besluit. Wat betekent dat voor deze zaak? 8. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter voldoende aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. 8.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser heeft beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Eiser heeft niet gesteld dat hij door de toepassing van de versnelde procedure niet alles omtrent zijn asielrelaas naar voren heeft kunnen brengen en dit is de rechtbank in dit geval ook niet gebleken. De rechtbank acht verder van belang dat eiser tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling geen andere beroepsgronden heeft ingebracht dan dat hij vindt dat zijn relaas, op basis van de ingebrachte documenten, voldoende onderbouwd is. Verweerder heeft eiser echter tegen kunnen werpen dat hij de door hem genoemde aangifte tegen zijn halfbroers niet heeft overgelegd en dat het opmerkelijk is dat eiser de inhoud ervan niet kent. Daarbij heeft eiser summier verklaard over de incidenten en komen deze niet overeen met zijn eerdere gehoor van 21 november 2024. Ook heeft eiser tegenstrijdig over zijn geaardheid verklaard door zichzelf eerst te beschrijven als biseksueel, daarna zichzelf momenteel niet als biseksueel te zien en uiteindelijk te verklaren nooit biseksueel te zijn geweest. Eiser heeft verder wisselend en ongerijmd verklaard over zijn relatie met [naam 1] . Zo zou [naam 1] een oplossing voor geldproblemen hebben geboden door eiser te betalen in ruil voor een relatie en dat eiser het gaandeweg leuk is gaan vinden, maar verklaart eiser ook dat hij zich heeft verzet en [naam 1] hem onder druk heeft gezet. Ook heeft verweerder erop kunnen wijzen dat de door eiser geschetste tijdslijn niet klopt omdat eiser geld voor de medische behandeling van zijn moeder nodig had in 2019, maar zijn de keren dat eiser seks met [naam 1] tegen betaling heeft gehad in 2018 geweest. Daarbij wisselt de locatie van de seksuele contacten van een kamer in het appartement van [naam 2] naar de woning van [naam 1] zelf. Verder heeft verweerder het ongerijmd kunnen vinden dat eiser seksuele handelingen bij [naam 2] verricht uit vriendschap, ondanks dat eiser zelf niet homoseksueel zegt te zijn en eiser zich zeer bewust was van de risico’s om dit in het openbaar te doen. Eiser heeft daarnaast in vergelijking met zijn eerdere gehoor van 21 november 2024 wisselend verklaard over wanneer hij bij zijn tante is ingetrokken. Daarnaast heeft verweerder eiser verweten dat hij zijn toegedichte homoseksualiteit bij zijn eerdere asielaanvraag niet naar voren heeft gebracht. 8.2. Verweerder heeft verder kunnen opmerken dat de wel door eiser ingebrachte documenten niet op echtheid te controleren zijn omdat het kopieën van documenten zijn. Bovendien nemen de documenten de overige tegengeworpen tegenstrijdigheden en ongerijmdheden niet weg. Hierbij heeft verweerder kunnen toelichten dat eiser onvoldoende inzicht in zijn authentieke verhaal heeft kunnen geven gelet op wat hem wordt tegengeworpen. De rechtbank verwijst hiervoor rechtsoverweging 8.1. Verweerder heeft hiermee voldoende gemotiveerd toegelicht waarom de door eiser overgelegde documenten niet tot een geloofwaardig asielrelaas leiden. 8.3. Daar komt bij dat verweerder nog andere gronden heeft aangevoerd voor de afwijzing van asielaanvraag als kennelijk ongegrond (zie voetnoot 1). Volgens artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw kan verweerder een asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond wanneer sprake is van een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard. Daar is in deze zaak sprake van en dit is door eiser in zoverre ook niet betwist. Hiermee heeft verweerder voldoende grond gehad om eisers asielaanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond. De overige grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw behoeft dan ook geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat het besluit een zorgvuldigheidsgebrek en motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. 9.1. Gelet op rechtsoverweging 7.1, 8.1 en 8.3 is niet gesteld of gebleken dat eiser is benadeeld door de toepassing van de versnelde procedure, heeft verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden en heeft verweerder de asielaanvraag niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen in stand en ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. 9.2. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1). 9.3. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Ook voor het verzoek om een voorlopige voorziening wordt verweerder in de proceskosten veroordeeld. Deze vergoeding bedraagt € 907,- (1 punt voor het verzoekschrift met een waarde van € 907,- per punt met een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigd het bestreden besluit; laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-. De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, f en g, van de Vw. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, pag. 20. Een Frans proces-verbaal van de gendarmerie van 23 november 2023 en een Frans vonnis van de rechtbank in Dakar van 24 november 2023. Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:172, r.o. 7 e.v. Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verslag gehoor opvolgende aanvraag, pag. 21. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, pag. 7. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, pag. 9. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, pag. 10. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, pag. 7, 8 en 9. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, pag. 14 en 15. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, pag. 18. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, pag. 20 en verslag gehoor veilig land van herkomst, pag. 5.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...