ECLI:NL:RBDHA:2025:18973
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-06-17
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Beroep gegrond. Voorlopige voorziening afgewezen. Verblijfsvergunning met het doel 'verblijf als familie- of gezinslid'. Relatie verbroken dus voldoet niet meer aan de beperking van de verblijfsvergunning. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van niet-tijdelijke humanitaire gronden. Intrekking verblijfsvergunning niet in strijd met artikel 8 EVRM.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 24/15910 (beroep) en AWB 24/10346 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 17 juni 2025 in de zaken tussen [eiser] , [V-Nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.P. Dayala), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser voor het doel 'Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] '. Eiser is het niet eens met deze intrekking. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en verzoekt om een voorlopige voorziening. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (de rechtbank) de intrekking van de verblijfsvergunning door de minister. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Met het primaire besluit van 5 juni 2024 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiser voor het doel 'Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ' ingetrokken. Met het bestreden besluit van 5 juni 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep , op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank Vrijstelling griffierecht 3. Eiser heeft om vrijstelling verzocht van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Eiser wordt in deze procedure daarom (definitief) vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. Intrekking verblijfsvergunning 4.1. Eiser voert aan dat de relatie zonder enige noodzaak is verbroken door [referent] . Het motief dat zij heeft gebruikt om de relatie te verbreken, is niet toelaatbaar en rechtvaardigt geen intrekking van het verblijfsrecht van eiser, omdat eiser zelfstandig arbeid verricht heeft hij recht op een zelfstandig verblijf al dan niet middels doelwijziging die de minister ambtshalve had dienen te toetsen. Verder betoogt eiser dat uit vaste jurisprudentie volgt dat eiser niet op hetzelfde adres hoeft te wonen als zijn partner. Eiser woont sinds september 2023 niet meer samen met [referent] , maar dat hoeft dus ook niet. Eiser werkt en heeft recht op een zelfstandig verblijf wegens arbeid. Eiser heeft verzocht in het kader van doelwijziging zijn verblijf om te zetten in een zelfstandig verblijf, doch niet in te trekken, anders komt zijn solide baan in gevaar. Ter zake dient er dus een gerechtvaardigde belangenafweging te worden gemaakt. 4.2. De rechtbank overweegt dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken als niet meer wordt voldaan aan de beperking van de verblijfsvergunning. Dit staat in artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Nu eiser niet betwist dat de relatie tussen hem en [referent] is verbroken en niet gebleken is dat de relatie is hersteld, voldoet eiser niet meer aan de beperking van de verblijfsvergunning, namelijk ‘Verblijf bij familie- of gezinslid’. Het motief van [referent] om de relatie te verbreken is hierbij niet relevant omdat dat motief aan de verbreking van de relatie op zichzelf niets afdoet. Daarnaast overweegt de rechtbank dat als eiser een verblijfsvergunning wenst om hier in Nederland te kunnen werken, hij daarvoor een aanvraag kan indienen. Op die mogelijkheid heeft verweerder ook gewezen. Voor de verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst geldt een eigen toetsingskader dat mede omvat of er sprake is van een wezenlijk Nederlands belang. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verblijfsvergunning op grond van niet-tijdelijke humanitaire gronden 5.1. Verder voert eiser aan dat de samenleving tussen hem en [referent] dateert van februari 2019 en thans langer bestaat dan 4,5 jaar, zodat de minister niet zonder meer zijn verblijfsvergunning kan intrekken, louter en alleen omdat [referent] wordt gekort op haar AOW en daarom de relatie heeft verbroken. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser op een verblijfsrecht op grond van niet-tijdelijke humanitaire gronden niet slaagt. Uit artikel 3.51, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt dat de verblijfsvergunning regulier op grond van niet-tijdelijke humanitaire gronden kan worden verleend indien de vreemdeling voor de duur van vijf jaar voldoet aan de oorspronkelijke beperking van de verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid bij zijn verblijfgever. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden van deze verblijfsvergunning. Eiser heeft immers een verblijfsvergunning gehad die is ingegaan op 3 augustus 2022 en per 8 september 2023 is ingetrokken. Eiser heeft hiermee iets meer dan jaar en dus niet de vereiste vijf jaar voldaan aan de oorspronkelijke beperking van zijn verblijfsvergunning. Daarom komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van niet-tijdelijke humanitaire gronden. Artikel 8 van het EVRM 6.1. Verder voert eiser aan dat de minister zijn recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM niet erkent. De minister hecht niet de juiste waarde aan het gezinsleven dat eiser had opgebouwd. Er is sprake van een onjuiste belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft niet alle feiten en omstandigheden meegewogen in het besluit zoals hierboven vermeld. 6.2. De rechtbank is van oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Tussen eiser en [referent] is geen sprake meer van familie- of gezinsleven omdat de gezinsband tussen hen is verbroken. Daarnaast heeft de minister de individuele belangen van eiser ten opzichte van de belangen van de Nederlandse staat in het kader van het privéleven van eiser, uitgebreid gemotiveerd. Eiser maakt niet duidelijke welke feiten en omstandigheden de minister niet zou hebben meegewogen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zaak AWB 24/10346. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...