Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:15356

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-01-28
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.40264
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
13.886 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel, discriminatie vanwege Turkse Alevitische Koerd, dienstplichtonderduiking, gewetensbezwaarde, kennelijk ongegrond, rechter niet bevoegd toekennen rechterlijke dwangsom. Beroep ongegrond.

05Kern

Materiële kern

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.40264 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.J. Muylkens). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000. Hij heeft op 15 november 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. 1.1. Bij uitspraak van 16 april 2024 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, het beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag, gegrond verklaard. De rechtbank heeft in die uitspraak bepaald dat de minister binnen zestien weken alsnog een besluit op de aanvraag moet nemen. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom van € 100,- betalen voor elke dag, waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-. 1.2. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 oktober 2024 de aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep1, op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 1. Zaak NL24.40265 3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep, voor zover gericht tegen het afwijzen van de asielaanvraag, ongegrond is. Verder zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het beroep, voor zover het gaat over de dwangsom . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het asielrelaas 4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in Turkije te maken gehad met discriminatie omdat hij een Alevitische Koerd is. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij de dienstplicht heeft geweigerd. Eiser stelt gewetensbezwaren te hebben tegen het vervullen van de dienstplicht. Hij wil geen wapen dragen in het Turkse leger, omdat het leger zich schuldig maakt aan oorlogsmisdrijven tegen het Koerdische volk. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiser als dienstplichtweigeraar vervolgd te worden. Eiser vreest voor onevenredige dan wel discriminatoire bestraffing. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: 1. Eiser is [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2000, van Turkse nationaliteit, behorend tot de Alevitische Koerden, 2. Eiser stelt in Turkije te maken te hebben gehad met discriminatie als Alevitische Koerd, 3. Eiser geeft aan dienstplichtweigeraar te zijn. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de drie elementen geloofwaardig worden geacht. De elementen worden echter niet zwaarwegend genoeg geacht om te stellen dat eiser een vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. De geloofwaardig geachte elementen kunnen niet leiden tot de conclusie dat eiser bij terugkeer naar Turkije een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is, gebaseerd op artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vreemdelingenwet (Vw). Eiser heeft namelijk niet onmiddellijk asiel aangevraagd toen dat mogelijk was. Eisers visum is namelijk op 19 augustus 2022 verlopen en hij heeft zich pas op 9 november 2022 gemeld voor zijn asielaanvraag. Discriminatie 6. Eiser voert aan dat hij in Turkije gediscrimineerd is. De levenslange etnische en religieuze discriminatie die eiser heeft ervaren vanwege het feit dat hij een Alevitische Koerd is, heeft lichamelijk en psychisch zijn tol geëist en zal voor problemen zorgen bij terugkeer. 7. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser in Turkije niet zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden wordt beperkt dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren (paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire (Vc)). In het bestreden besluit heeft de minister geloofwaardig geacht dat eiser is gediscrimineerd, maar terecht van belang geacht dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij in Turkije heeft gewerkt, een universitaire opleiding heeft gevolgd en toegang tot zorg heeft gehad. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser op een normale wijze kon wonen en deelnemen aan de Turkse maatschappij en dat niet is gebleken dat eiser niet de bescherming van de Turkse autoriteiten kon inschakelen. De minister heeft dit standpunt in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet. Dienstplichtonderduiking 8. Eiser heeft aangegeven dat hij per 1 januari 2023 een dienstweigeraar is, omdat hij zich twee keer niet gemeld heeft voor de militaire dienstplicht. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Turkije te maken zal krijgen met hoge maandelijkse geldboetes zolang hij niet aan de dienstplicht voldoet. Daarnaast vreest eiser dat hij bij terugkeer te maken zal krijgen met een onevenredige of discriminatoire bestraffing. De Turkse overheid vervolgt dienstweigeraars actief, waardoor zij in hun bewegingsvrijheid beperkt worden. 9. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht aangeeft dat de geloofwaardig geachte dienstplichtonderduiking niet kan leiden tot de conclusie dat eiser bij terugkeer te maken zal krijgen met een reëel risico op ernstige schade. De minister verwijst daarbij naar het Algemeen Ambtsbericht Turkije van augustus 2023, waaruit blijkt dat eiser in het geval van dienstweigering, te maken kan krijgen met beperkingen in de bewegingsvrijheid en oplopende geldboetes. Er is geen concrete informatie beschikbaar waaruit blijkt dat dienstplichtonderduikers onevenredig of discriminatoir worden bestraft indien zij een bepaalde etniciteit, religie of politieke overtuiging hebben. De minister heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat eiser bij weigering de militaire dienstplicht te vervullen, als Alevitische Koerd geen zwaardere bestraffing te wachten staat dan andere dienstplichtonderduikers. Het feit dat eiser de dienstplicht geweigerd heeft, leidt niet een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer. De beroepsgrond slaagt niet. Gewetensbezwaarde 10. Vervolgens voert eiser aan dat hij zichzelf als gewetensbezwaarde beschouwt. Hij wil geen wapen dragen in het Turkse leger, omdat het Turkse leger zich schuldig maakt aan oorlogsmisdrijven tegen het Koerdische volk. Eiser heeft niet weersproken dat dienstplichtigen in Turkije hun dienstplicht kunnen afkopen, hij zou dan echter een hoger bedrag moeten betalen dan de reguliere dienstplichtigen en daarnaast zou hij dan alsnog zijn militaire dienstplicht voor een korte periode dienen te vervullen. Eiser wil in geen geval het risico lopen dat hij als dienstplichtige wordt ingezet in gevechtsoperaties waarbij hij tegen zijn eigen volk moet vechten. 11. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen gewetensbezwaarde is. Daarbij wijst hij op de verklaringen van eiser: eiser heeft verklaard dat hij geen wapen wil vasthouden en geen bloed aan zijn handen wil. Deze verklaringen zijn niet nader onderbouwd. Het is aan de vreemdeling om bewijs aan te voeren waaruit blijkt dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij, mede wegens zijn persoonlijke omstandigheden, zal worden blootgesteld aan een onder artikel 3 van het EVRM verboden behandeling.2 De minister heeft kunnen stellen dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat eiser ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege zijn godsdienst of andere diepgewortelde overtuiging tegen de militaire dienstplicht heeft (paragraaf C2/3.2.7 van de Vc). 2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2017. 12. Over de stelling van eiser dat hij gegronde vrees heeft dat hij bij het vervullen van de dienstplicht zal worden ingezet om te vechten tegen zijn eigen volk, overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft zich in overeenstemming met het landgebondenbeleid in paragraaf C7/34.3.3 van de Vc, op het standpunt gesteld dat in beginsel geen gegronde vrees bestaat dat dienstplichtige Koerden worden ingezet in een conflict tegen eigen volk of familie. Daarnaast staat in het algemeen ambtsbericht inzake Turkije dat dienstplichtigen in beginsel niet worden ingezet bij gevechtshandelingen.3 De beroepsgrond slaagt niet. Kennelijk ongegrond 13. Met betrekking tot de kennelijke ongegrondheid op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw voert eiser aan dat zijn asielrelaas geloofwaardig is geacht, ondanks het feit dat hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Gezien het feit dat de minister het asielrelaas geloofwaardig acht, past daarbij niet dat de aanvraag als kennelijk ongegrond wordt afgedaan vanwege het laat indienen van de aanvraag. De minister heeft de asielaanvraag daarom ten onrechte als kennelijk ongegrond afgewezen. Dat betekent dat de minister ook ten onrechte een vertrektermijn heeft onthouden en een inreisverbod heeft uitgevaardigd. 14. De rechtbank overweegt dat de minister in zijn bestreden besluit eerst beoordeeld heeft of de aanvraag ongegrond is, en vervolgens of de aanvraag tevens als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen. Dit is in overeenstemming met het beleid in paragraaf C2/7 Vc en artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn.4 In dat artikel van de Procedurerichtlijn staat namelijk dat lidstaten een ongegrond verzoek tevens als kennelijk ongegrond kunnen beschouwen als sprake is van een van de in artikel 31, achtste lid, genoemde omstandigheden en dit zo in de nationale wetgeving is omschreven. Dit is in artikel 30b van de Vw uitgewerkt. De minister heeft het asielrelaas wel geloofwaardig geacht, maar onvoldoende zwaarwegend bevonden. Niet in geschil is dat eiser zich zonder gegronde redenen niet zo snel mogelijk bij de autoriteiten heeft aangemeld. De minister mocht de aanvraag dus als kennelijk ongegrond afwijzen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet. Dwangsom 15. Na de uitspraak van deze rechtbank van 16 april 2024 over het beroep niet tijdig beslissen had de minister uiterlijk op 7 augustus 2024 een besluit moeten nemen. Het bestreden besluit dateert van 9 oktober 2024. Eiser voert aan dat er over een periode van 63 dagen een dwangsom van €100,- per dag aan hem verschuldigd is en dat de minister hierop ten onrechte niet is ingegaan in het bestreden besluit. 16. Voor zover eiser met zijn betoog wil bereiken dat de rechtbank bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom betaalt, wijst de rechtbank erop dat zij niet bevoegd is om de minister te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank aan haar uitspraak verbonden dwangsom.5 Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 10 juni 2013 moet een vreemdeling zich tot de burgerlijke rechter wenden bij een geschil over de verschuldigdheid van zo’n rechterlijke dwangsom.6 De beroepsgrond slaagt niet. 3 Algemeen Ambtsbericht Turkije 2022, p. 70 en Algemeen Ambtsbericht Turkije 2023, p. 78. 4 Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming. 5 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020. 6 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 10 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3591. Conclusie en gevolgen 17. Het beroep is ongegrond voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. 18. De rechtbank is onbevoegd kennis te nemen van het beroep, voor zover het gaat over het betalen van een dwangsom. 19. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, ongegrond; - verklaart zich onbevoegd, voor zover het beroep gaat over betaling van de dwangsom. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.M. van de Wijdeven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 28 januari 2025 Documentcode: [Documentcode] Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...