ECLI:NL:RBDHA:2025:15010
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-01-15
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Opvolgende asielaanvraag wegens familieproblemen en psychische problemen. Algerije. Beroep ongegrond. Voorlopige voorziening afgewezen. Verweerder mocht vinden dat eiser geen nioeuwe relevanten of bevinding aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd en mocht de aanvraag niet-ontvankelijk verklaren. Dat Algerije niet op de lijst met veilige landen staat maakt niet dat alleen om die reden Algerije voor eiser persoonlijk niet veilig is.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.45837 (beroep) en NL24.45838 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. J.W.F. Menick), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Deniz). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn opvolgende asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 7 oktober 2024 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 18 november 2024 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. 2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen de heer A. Tihouna. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? De opvolgende asielaanvraag 3. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Hij heeft bij zijn opvolgende asielaanvraag een beroep gedaan op dezelfde redenen als in zijn vorige procedure, maar heeft bij zijn opvolgende aanvraag te kennen gegeven dat zijn familie is gebeld, waarvan hij een audio-opname en berichten heeft gekregen. Tegen zijn familie zou zijn gezegd dat eiser iets zal worden aangedaan. Tot slot wijst eiser bij zijn nieuwe aanvraag op psychische problemen. Het bestreden besluit 4. Volgens verweerder is de enkele verwijzing naar problemen die eiser reeds eerder heeft aangevoerd een herhaling van zetten en niet aan te merken als een nieuw element of nieuwe bevinding. Dat eiser recent zou hebben gehoord dat zijn familie zou zijn gebeld is wel nieuw, maar is volgens verweerder geen relevant element. De door eiser gestelde medische situatie is geen nieuw en relevant element of bevinding, omdat deze volgens verweerder niet als asielmotief kan worden aangemerkt. Het aanvoeren hiervan maakt niet dat ambtshalve moet worden beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier, nu dit in beginsel niet hoeft bij een tweede of volgende asielaanvraag. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d. van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en heeft daarbij verwezen naar het in rechte vaststaande besluit van 13 oktober 2023. Verweerder heeft ook – op grond van artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) – bepaald dat uitzetting niet achterwege blijft en dat eiser zal worden uitgezet. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser stelt dat hij wel nieuwe en relevante elementen en bevindingen heeft genoemd die zich na de definitieve beëindiging van de vorige asielprocedure hebben voorgedaan. In zijn beroepschrift overlegt eiser een e-mail van zijn broer, waaruit volgt dat het nog steeds zeer gevaarlijk is voor eiser in Algerije. Daarbij worden ook schermopnames van (onvertaalde) WhatsApp-berichten overlegd. Verweerder mocht de opvolgende aanvraag dan ook niet afdoen als niet-ontvankelijk en had deze inhoudelijk moeten beoordelen. 5.1. Verder heeft eiser hangende deze procedure bezwaar ingesteld tegen het niet achterwege laten van de uitzetting en de feitelijke uitzetting zelf. Dit bezwaar heeft verweerder terecht doorgezonden naar de rechtbank, omdat de door eiser in dit kader naar voren gebrachte gronden – uit een oogpunt van concentratie van rechtsbescherming – moeten worden betrokken in de onderhavige procedure. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. 7. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) volgt dat de beoordeling van opvolgende asielaanvragen die verweerder in het kader van artikel 40, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn moet maken, bestaat uit twee stappen. Stap 1 is de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag. Deze stap bestaat uit twee fasen. De eerste fase is het onderzoek of er nieuwe elementen of bevindingen zijn of door de vreemdeling zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij in aanmerking komt voor internationale bescherming. Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw moet zo worden uitgelegd dat het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ de elementen of bevindingen omvat die zich hebben voorgedaan na de definitieve beëindiging van de vorige asielprocedure, en ook de elementen of bevindingen die al bestonden vóór de beëindiging van die procedure maar waarop eiser zich niet heeft beroepen. Dit volgt uit jurisprudentie van het Hof. Alleen als er nieuwe elementen of bevindingen zijn ten opzichte van de eerdere asielaanvraag, komt verweerder toe aan de tweede fase. De tweede fase is het onderzoek of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Het Hof overweegt dat moet zijn voldaan aan beide in fase 1 en fase 2 genoemde ontvankelijkheidsvereisten, maar benadrukt dat het gaat om afzonderlijke vereisten. Als aan die vereisten is voldaan, moet verweerder vervolgens overgaan tot stap 2, die inhoudt dat hij de opvolgende asielaanvraag inhoudelijk beoordeelt. Over stap 1, fase 2 heeft de Afdeling overwogen dat artikel 40, derde lid, van de Procedurerichtlijn geïmplementeerd is in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. In deze bepaling van de Vw is opgenomen dat het erom gaat of nieuwe elementen of bevindingen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Daarmee kent de Nederlandse implementatiewetgeving een minder streng ontvankelijkheidscriterium voor stap 1, fase 2, dan de Procedurerichtlijn. Daarom moet verweerder in fase 2 beoordelen of de documenten relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. 7.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser geen nieuwe relevante elementen of bevindingen aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd. 7.2. Verweerder betrekt daar niet ten onrechte bij dat alhoewel het feit dat eisers familie gebeld zou zijn nieuw is, dit niet relevant kan zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Eiser heeft immers gesteld dat zijn familie in Algerije dreigtelefoontjes zou hebben ontvangen naar aanleiding van zijn relatie met [naam] . Echter staat in rechte vast dat de gestelde relatie tussen eiser en [naam] ongeloofwaardig is geacht. Verweerder mocht dan ook betrekken dat nu dit relaas reeds ongeloofwaardig is geacht, de problemen die hieruit voortvloeien niet zonder meer geloofwaardig kunnen worden geacht. Bovendien mocht verweerder betrekken dat eiser in zijn opvolgende asielaanvraag niets naar voren heeft gebracht dat de relatie tussen hem en [naam] alsnog zou kunnen onderbouwen. Ook mocht verweerder betrekken dat eiser geen verschoonbare reden heeft aangevoerd waarom eiser dit element niet eerder heeft aangevoerd, terwijl hij hiervan al wist op 13 september 2024. 7.3. Wat betreft de later in beroep overgelegde stukken overweegt de rechtbank dat verweerder mocht vinden dat deze stukken nieuw maar niet relevant zijn, nu uit de e-mail niet geverifieerd kan worden van wie deze komt en er bij de WhatsApp-schermopnames geen vertaling is overgelegd waardoor verweerder zich daarover niet inhoudelijk kan uitlaten. Verder mocht verweerder vinden dat in de door eiser gestelde psychische problemen geen nieuw en relevant element te zien is, nu deze problemen door eiser niet zijn onderbouwd. 7.4. Nu verweerder op goede gronden heeft gesteld dat eiser geen nieuwe en relevante elementen of bevindingen aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd, was verweerder niet gehouden de opvolgende asielaanvraag inhoudelijk te beoordelen en kon zij verwijzen naar het in rechte vaststaande besluit van 13 oktober 2023. Daarin is reeds geoordeeld dat eiser geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer naar Algerije geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM . Daarom is in dat besluit aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Dat Algerije niet op de lijst met veilige landen van herkomst staat maakt dit niet anders, alleen al omdat dit niet anders was ten tijde van het nemen van het besluit van 13 oktober 2023. Bovendien mocht verweerder vinden dat het enkele feit dat Algerije niet meer staat op de lijst met veilige landen, niet betekent dat Algerije voor eiser persoonlijk niet veilig is. Conclusie en gevolgen 8. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. 9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Arrest van het Hof van 10 juni 2021 ( LH ), ECLI:EU:C:2021:478; zie ook uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699. Uitspraak van de Afdeling van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699, r.o. 6.3, noot 2. Verslag gehoor opvolgende aanvraag artikel 3.1 Vb, p. 3. Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 ( Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 ( Trb . 1967, 76). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...