Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:136

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-01-07
Procedure
Tussenuitspraak
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.28889 verwijzing
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
134.624 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Prejudiciële vragen geloofwaardigheidsbeoordeling asiel – vanaf 1 juli 2024 beoordeelt verweerder de geloofwaardigheid van een asielrelaas op een andere wijze – verweerder stelt eerst de asielmotieven vast, beoordeelt dan of deze asielmotieven volledig met authentieke en/of objectief verifieerbare documenten en/of objectieve openbare bronnen zijn onderbouwd en zo niet, of de asielzoeker aan alle in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 (die identiek zijn aan 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95) genoemde voorwaarden voldoet – als dit niet zo is, dan wordt het asielrelaas ongeloofwaardig geacht. De rechtbank vraagt zich of deze werkwijze verenigbaar is met artikel 4 van richtlijn 2011/95, artikel 10, derde lid onder b, van richtlijn 2013/32 en artikelen 4 en 18 van het Handvest – door de beoordeling van het asielverzoek te beperken tot artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95, lijkt geen invulling te worden gegeven aan lid 1 tot en met 4 van deze bepaling en worden onder meer de andere elementen die als ondersteuning van de verklaringen kunnen dienen, niet of onvoldoende betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en lijkt geen sprake te zijn van een volledig en grondig onderzoek van de beschermingsbehoefte. Verzoekster legt aan haar asielverzoek ten grondslag dat een man, die lid is van een gewapende groepering, om de hand van haar dochter heeft gevraagd, welk verzoek door haar en haar dochter herhaaldelijk is afgewezen. Deze man heeft verzoekster en wijlen haar echtgenoot aangevallen en van dit incident heeft verzoekster aangifte gedaan bij de rechtbank in haar land van herkomst. - Verzoekster en wijlen haar man zijn vervolgens gevlucht, de dochter is in het land van herkomst ondergedoken. Aan verzoekster zijn voorwaarden c en d tegengeworpen. Bij voorwaarde c is niet onderzocht of de door eiseres overgelegde aangifte of algemene landeninformatie steunbewijs vormt voor haar verklaringen – verweerder vindt de redenen die eiseres geeft voor het niet binnen 48 uur na inreis indienen van een asielverzoek niet verschoonbaar, dit betekent reeds dat de verklaringen van eiseres ongeloofwaardig worden geacht en dit lijkt in strijd met artikel 10, eerste lid, van richtlijn 2013/32. De rechtbank legt als tweede prejudiciële vraag aan het Hof de vraag voor of de rechter, net als bij het controleren van de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit, bij het beoordelen van de rechtmatigheid van de afwijzing van een asielverzoek, zo nodig ambtshalve de eerbiediging van het refoulementbeginsel moet controleren. De rechtbank verzoekt het Hof om de vragen in de versnelde procedure te behandelen (PPA). De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof iedere verdere beslissing aan.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL24.28889 VERWIJZING verwijzingsuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1958 te Irak, verzoekster in het hoofdgeding, (gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf), en de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigden: mr. C.W.M. van Breda en mr. P.P. Zweedijk). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van prejudiciële vragen in een versnelde procedure (PPA) I Is een nationale werkwijze waarbij artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95 aldus wordt toegepast dat de verklaringen die ten grondslag liggen aan een verzoek om internationale bescherming niet geloofwaardig worden geacht indien de verzoeker deze verklaringen niet volledig kan staven met authentieke en/of objectief verifieerbare documenten en/of objectieve bronnen en niet voldoet aan alle in het vijfde lid genoemde voorwaarden, verenigbaar met het Unierecht, of dient artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2011/95, artikel 10, derde lid onder b, van richtlijn 2013/32 en artikelen 4 en 18 van het Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat de beslisautoriteit bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming moet samenwerken met de verzoeker en elk bewijsmiddel en element ter staving van dit verzoek moet betrekken bij het onderzoeken en beoordelen van de beschermingsbehoefte en indien de verzoeker zijn verklaringen voldoende kan staven met bewijsmateriaal of indien de verzoeker voldoet aan de genoemde voorwaarden, zijn verklaringen geen nadere bevestiging behoeven en dus geloofwaardig zijn? II Dient artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikelen 4, 18, en 47 van het Handvest van de Grondrechten aldus te worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie van eerste aanleg die wordt aangezocht om de rechtmatigheid te toetsen van de ongegrondverklaring van een verzoek om internationale bescherming, verplicht is om zo nodig ambtshalve een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden te verrichten, met inbegrip van een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95 op basis van de haar ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak? Verzoek tot behandeling in een versnelde procedure (PPA) ex artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering. De rechtbank verzoekt het Hof om de prejudiciële vragen van de rechtbank te behandelen in de versnelde procedure zoals bedoeld in artikel 23bis van het Statuut in samenhang met artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering (PPA) omdat de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist. De vragen die de rechtbank voorlegt zien enerzijds op het onderzoeken van het refoulementrisico en met name de wijze waarop de lidstaten de geloofwaardigheid van de verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming moeten beoordelen en anderzijds op de omvang van verplichting van de rechterlijke autoriteit om de naleving van het refoulementverbod ten volle te verzekeren. Gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod mag over de wijze waarop de beschermingsbehoefte van een verzoeker om internationale bescherming moet worden beoordeeld en over de omvang van de rechterlijke verplichting om de naleving van het refoulementbeginsel te waarborgen, geen enkele twijfel bestaan. Deze twijfel is evenwel gerezen in de onderhavige procedure en de rechtbank acht de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof noodzakelijk om uitspraak te kunnen doen in het hoofdgeding. In de onderhavige procedure wordt de verzoekster niet met uitzetting bedreigd omdat zij de uitspraak van de rechtbank in het hoofdgeding mag afwachten. In alle overige procedures die worden ingeleid met een verzoek om internationale bescherming en in alle overige procedures waarin wordt vastgesteld dat de derdelander illegaal op het grondgebied van de Unie verblijft en daardoor onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn valt, dient het Unierecht eenduidig te worden toegepast en dient het refoulementrisico dus op dezelfde wijze te worden onderzocht en beoordeeld. In al die procedures bestaat evenwel geen verplichting voor de beslisautoriteit en geen verplichting voor de rechterlijke autoriteit om de behandeling van de procedures aan te houden totdat het Hof de prejudiciële vragen beantwoordt die de rechtbank thans in de onderhavige procedure voorlegt. Indien het Hof het Unierecht op de door de rechtbank voorgestane wijze aldus uitlegt dat de wijze waarop thans in de nationale rechtspraktijk een verzoek om internationale bescherming wordt beoordeeld onverenigbaar is met Unierecht, dan is niet, of onvoldoende gewaarborgd dat de beschermingsbehoefte in al die procedures volledig en grondig genoeg wordt onderzocht en is niet uitgesloten dat die verzoekers een daadwerkelijk refoulementrisico lopen en aan hen -in weerwil van het Unierecht en in tegenspraak met de eerdere arresten van het Hof- een terugkeerbesluit wordt opgelegd dat vervolgens ten uitvoer wordt gelegd. De rechtbank is bekend met de “Aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures” en de daarin genoemde voorwaarden voor toepassing van de versnelde procedure. De rechtbank realiseert zich dat in deze Aanbevelingen is toegelicht dat alleen wanneer uit bijzondere omstandigheden een dringende situatie blijkt die rechtvaardigt dat het Hof snel over de gestelde vragen uitspraak doet, om toepassing van een versnelde procedure mag worden gevraagd en dat dit met name het geval is wanneer bijzondere omstandigheden vereisen dat twijfel over fundamentele vragen in verband met het Unierecht binnen zeer korte termijn wordt weggenomen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het grote aantal personen of rechtssituaties dat mogelijk wordt geraakt door de beslissing die de verwijzende rechterlijke instantie zal moeten nemen na bij het Hof een prejudiciële procedure aanhangig te hebben gemaakt, op zich geen uitzonderlijke omstandigheid die het beroep op de versnelde procedure kan rechtvaardigen. De rechtbank overweegt dat de bijzondere omstandigheden die vereisen dat twijfel over fundamentele vragen in verband met het Unierecht binnen zeer korte termijn wordt weggenomen, bestaan uit de mogelijke onomkeerbare gevolgen van terugkeer naar een land van herkomst wanneer het risico op vervolging of ernstige schade niet volledig en niet grondig genoeg is beoordeeld en dit risico zich daadwerkelijk verwezenlijkt. Zoals het Hof eerder heeft gepreciseerd, weerspiegelt het refoulementverbod een van de fundamentele waarden van de Unie en haar lidstaten, zoals neergelegd in artikel 2 van het Verdrag van de Europese Unie, en houdt het absolute karakter ervan nauw verband met de eerbiediging van de menselijke waardigheid als bedoeld in dat artikel 2 van het Verdrag van de Europese Unie en in artikel 1 van het Handvest van de Grondrechten . De rechtbank verzoekt het Hof aldus, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod, om de vragen van de rechtbank in de versnelde procedure (PPA) te behandelen. De rechtbank geeft gelet op punt 44 van de “Aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures” het Hof in overweging de voorgestelde vragen als volgt te beantwoorden: I Artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2011/95, artikel 10, derde lid onder b, van richtlijn 2013/32 en artikelen 4 en 18 van het Handvest van de Grondrechten, dient aldus te worden uitgelegd dat de beslisautoriteit bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming moet samenwerken met de verzoeker en elk bewijsmiddel en element ter staving van dit verzoek moet betrekken bij het onderzoeken en beoordelen van de beschermingsbehoefte en indien de verzoeker zijn verklaringen voldoende kan staven met bewijsmateriaal of indien de verzoeker voldoet aan de genoemde voorwaarden, zijn verklaringen geen nadere bevestiging behoeven en dus geloofwaardig zijn. II Artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikelen 4, 18, en 47 van het Handvest van de Grondrechten dient aldus te worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie van eerste aanleg die wordt aangezocht om de rechtmatigheid te toetsen van de ongegrondverklaring van een verzoek om internationale bescherming, verplicht is om zo nodig ambtshalve een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden te verrichten, met inbegrip van een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95 op basis van de haar ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak. Procesverloop Verzoekster in het hoofdgeding (hierna: verzoekster) heeft op 1 februari 2022 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend . Verweerder heeft op 25 maart 2022 op grond van Verordening 604/2013 een verzoek tot terugname ingediend bij de Duitse autoriteiten, die dit verzoek op 30 maart 2022 hebben aanvaard. Verweerder heeft op 9 november 2022 aan verzoekster medegedeeld haar verzoek om internationale bescherming inhoudelijk te zullen behandelen omdat de uiterste termijn om verzoekster over te dragen was verstreken. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming op 15 juli 2024 afgewezen als ongegrond en tevens bepaald dat verzoekster geen verblijfsvergunning op andere gronden krijgt. Dit besluit omvat een terugkeerbesluit, waarin Irak als land van bestemming is geduid en een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek is bepaald. Verzoekster heeft op 19 juli 2024 tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft op 12 december 2024 een verweerschrift uitgebracht. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 18 december 2024 op zitting behandeld. Verzoekster, vergezeld van haar zoon, en haar gemachtigde zijn verschenen. Tevens zijn beide gemachtigden van verweerder verschenen. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep deels gelijktijdig behandeld met het beroep in een andere procedure waarin de rechtbank dezelfde rechtsvragen behandelt. Tijdens deze fase van de behandeling van de beroepen in beide procedures heeft de rechtbank mr. S. Kok, als lid van de Commissie Strategisch Procederen van Vluchtelingenwerk Nederland, in de gelegenheid gesteld de notitie “IND-werkinstructie 2024/6 in het licht van Unierechtelijke verplichtingen” van 10 oktober 2024 van de Commissie Strategisch Procederen van Vluchtelingenwerk Nederland toe te lichten en te reageren op de door partijen ingenomen standpunten. Aansluitend aan de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Bij bericht van 7 januari 2025 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt heropend omdat de rechtbank het noodzakelijk acht om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Overwegingen Inzet van het hoofdgeding en standpunten van partijen 1. Verzoekster heeft aan haar verzoek om internationale bescherming ten grondslag gelegd dat een man, die volgens verzoekster in haar woonplaats een machtig en bekend lid is van een gewapende groepering, haar dochter tijdens haar werk in een winkelcentrum heeft lastig gevallen. Deze man heeft vervolgens om de hand van haar dochter gevraagd, maar verzoekster en haar dochter hebben dit meerdere malen afgewezen. Deze man heeft verzoekster en wijlen haar echtgenoot aangevallen en van dit incident heeft verzoekster aangifte gedaan bij de rechtbank in haar land van herkomst. Deze rechtbank heeft volgens verzoekster niets gedaan met de aangifte. Verzoekster en wijlen haar echtgenoot hebben Irak in 2022 verlaten. Hun dochter om wier hand is verzocht, is sindsdien in Irak ondergedoken. Verzoekster heeft bij haar verzoek om internationale bescherming de redenen van haar vlucht onderbouwd met haar verklaringen, een origineel paspoort, een kopie van de aangifte die zij in Irak bij de rechtbank heeft gedaan en een kopie van een recent medicatieoverzicht. Verzoekster heeft tevens aangevoerd dat zij vanwege het overlijden van haar echtgenoot in Nederland inmiddels bij terugkeer naar Irak moet worden aangemerkt als alleenstaande vrouw en zij, gelet op haar overige persoonlijke omstandigheden, valt onder het specifieke beschermingsbeleid dat verweerder voert voor alleenstaande vrouwen uit Irak die op die grond bescherming behoeven en dat aan haar (ook) om deze reden internationale bescherming moet worden verleend. 2. Verweerder acht de door verzoekster gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verzoekster heeft een paspoort overgelegd om deze gegevens te staven en dit paspoort is onderzocht en echt bevonden . Verweerder ziet in deze geloofwaardig geachte persoonsgegevens geen aanleiding om internationale bescherming te verlenen. Omdat verzoekster volgens verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de door haar ingeroepen bescherming op grond van het specifieke voor alleenstaande vrouwen uit Irak gevoerde beschermingsbeleid nodig heeft, ontleent zij volgens verweerder ook aan dit beleid geen internationale bescherming. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming voorts afgewezen als ongegrond omdat verweerder de verklaringen van verzoekster over haar problemen met de man die om de hand van de dochter zou hebben gevraagd niet geloofwaardig acht. Verweerder heeft hiertoe in de eerste plaats overwogen dat verzoekster haar verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die haar asielmotief volledig onderbouwen èn heeft verzoekster vervolgens tegengeworpen dat zij niet voldoet aan voorwaarden c en d van artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, welke voorwaarden overeenkomen met voorwaarden c en d in artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95. 3. Verweerder had aanvankelijk ook voorwaarde b van artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 tegengeworpen, welke voorwaarde overeenkomt met voorwaarde b in artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95. Verzoekster had ten tijde van het indienen van het verzoek om internationale bescherming een kopie van de aangifte overgelegd, terwijl zij, aldus verweerder, op de hoogte was gesteld van het belang van het inleveren van originele documenten en zij genoeg tijd daarvoor heeft gehad. Verweerder had aan het tegenwerpen van voorwaarde b ook ten grondslag gelegd dat de kopie van de aangifte niet uitdrukkelijk ziet op het asielrelaas van verzoekster, omdat in de kopie van de aangifte het asielmotief niet wordt aangeduid. Verweerder stelde zich verder op het standpunt dat ook indien de aangifte een origineel en echt bevonden document zou zijn, dit “geen objectief en verifieerbaar document” is omdat de aangifte slechts is opgemaakt op grond van verklaringen van verzoekster. Verweerder heeft in zijn verweerschrift, dat zes dagen voor de behandeling van het beroep ter zitting bij de rechtbank is overgelegd, aangegeven voorwaarde b niet langer tegen te werpen. 4. Verweerder heeft per 1 juli 2024 zijn beleid over de beoordeling van de geloofwaardigheid van feiten en omstandigheden die aan een verzoek om internationale bescherming ten grondslag liggen gewijzigd en heeft de wijze waarop dit beleid wordt toegepast toegelicht in een werkinstructie . Verweerder heeft deze nieuwe werkwijze in het hoofdgeding toegepast. 5. Verzoekster stelt zich onder meer op het standpunt dat de wijze waarop de geloofwaardigheid van haar asielmotieven is beoordeeld, niet verenigbaar is met artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn omdat deze bepaling een minimumnorm bevat die onverlet laat dat ook in andere gevallen aanleiding kan bestaan om verklaringen die niet met documenten worden gestaafd geloofwaardig te achten . Een andere opvatting zou immers inhouden dat de verklaringen van de vreemdeling, die een groot deel van zijn verklaringen met bewijsstukken staaft, desalniettemin niet geloofwaardig worden geacht, bijvoorbeeld indien hij zijn verzoek om internationale bescherming een dag te laat indient zonder goede redenen aan te voeren als bedoeld in voorwaarde d waarom hij dit heeft nagelaten. 6. Gelet op de motivering van de beslissing op het verzoek om internationale bescherming van verzoekster, is in het hoofdgeding de vraag gerezen of de wijze waarop verweerder heeft onderzocht en beoordeeld of verzoekster bescherming behoeft, zoals neergelegd in paragraaf C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en zoals toegelicht in “Werkinstructie WI 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)” (hierna: WI 2024/6), verenigbaar is met het Unierecht en de nadere precisering hiervan die het Hof reeds in eerdere arresten heeft gegeven. 7. In het hoofdgeding is tevens de vraag gerezen of de verplichting voor de rechterlijke autoriteit om een daadwerkelijk rechtsmiddel te bieden, ook de verplichting omvat dat de rechterlijke autoriteit zo nodig ambtshalve nagaat of verweerder in samenwerking met verzoekster alle relevante elementen heeft verzameld, onderzocht en betrokken bij de beoordeling van haar verzoek om internationale bescherming en dus zo nodig ambtshalve nagaat of het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd. Het Hof heeft in haar arrest van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat overwogen dat het bestaan van de verplichting van de nationale rechter om, in voorkomend geval ambtshalve, toe te zien op de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement, op dezelfde wijze in het kader van een procedure inzake internationale bescherming geldt als in het kader van een procedure als die in dat hoofdgeding, die was ingeleid met een aanvraag voor een verblijfsvergunning naar nationaal recht en waar de rechterlijke autoriteit was aangezocht om de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit dat deel uitmaakte van het besluit op die aanvraag te controleren . Voor zover de rechtbank kan nagaan heeft het Hof evenwel niet eerder uitdrukkelijk bij de uitlegging van artikel 46 van richtlijn 2013/32 gepreciseerd dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, ook inhoudt dat de rechterlijke autoriteit verplicht is het voorgeschreven volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van een onderzoek van de behoefte om internationale bescherming, zo nodig ambtshalve te verrichten. De rechtbank acht het noodzakelijk, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod enerzijds en gelet op de nationale rechtspraktijk anderzijds, nadere verduidelijking te verkrijgen omdat er geen enkele twijfel mag bestaan over de omvang van de rechterlijke verplichting om te waarborgen dat de naleving van het refoulementbeginsel te allen tijde en ten volle is verzekerd. 8. De rechtbank legt twee prejudiciële vragen voor die in het hoofdgeding zijn opgekomen en waarvan de rechtbank de beantwoording noodzakelijk acht om uitspraak te kunnen doen in het hoofdgeding. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 2011/95, artikel 10, derde lid onder b, en artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32 en artikelen 4, 18 en 47 van het Handvest van de Grondrechten. 9. Toepasselijke bepalingen Unierecht Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie Artikel 4 van het Handvest bepaalt het navolgende: Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Artikel 18 van het Handvest bepaalt het navolgende: Het recht op asiel Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „de Verdragen” genoemd). Artikel 19, tweede lid, van het Handvest bepaalt het navolgende: Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering 2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen. Artikel 47 van het Handvest bepaalt onder meer het navolgende: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. (…) Artikel 52, derde lid, van het Handvest bepaalt het navolgende: Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen (…) Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. (…) Richtlijn 2011/95 De overwegingen 4, 12 en 16 van richtlijn 2011/95 luiden als volgt: (4) Het Verdrag van Genève en het protocol vormen de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen. (12) Het hoofddoel van deze richtlijn is enerzijds te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk bescherming behoeven en anderzijds ervoor te zorgen dat deze personen in alle lidstaten over bepaalde minimumvoordelen kunnen beschikken. (16) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name erkend zijn in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid en het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden ten volle te eerbiedigen en de toepassing van de artikelen 1, 7, 11, 14, 15, 16, 18, 21, 24, 34 en 35 van dat handvest te bevorderen, en dient derhalve dienovereenkomstig te worden toegepast. Artikel 4 van richtlijn 2011/95 bepaalt het navolgende: Beoordeling van feiten en omstandigheden 1. De lidstaten mogen van de verzoekster verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoekster te beoordelen. 2. De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoekster en alle documentatie in het bezit van de verzoekster over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient. 3. De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met: a. a) alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast; b) de door de verzoekster afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoekster aan vervolging of andere ernstige schade blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden; c) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoekster, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoekster, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen; d) de vraag of zijn activiteiten, sedert hij zijn land heeft verlaten, uitsluitend ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zou worden blootgesteld; e) de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de verzoekster zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen. 4. Het feit dat de verzoekster in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de verzoekster voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. 5. Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoekster is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoekster ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoekster, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is: a. a) de verzoekster heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven; b) alle relevante elementen waarover de verzoekster beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen; c) de verklaringen van de verzoekster zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek; d) de verzoekster heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en e) vast is komen te staan dat de verzoekster in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Richtlijn 2013/32 De overwegingen 10 en 11 van richtlijn 2013/32 luiden als volgt: (10) Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn moeten de lidstaten rekening houden met de door het EASO ontwikkelde relevante richtsnoeren. (11) Met het oog op het garanderen van een grondige en doeltreffende beoordeling van de behoefte aan internationale bescherming van verzoeksters in de zin van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming moet het rechtskader van de Unie betreffende procedures voor het verlenen en intrekken van internationale bescherming gebaseerd zijn op het begrip „een eenheidsprocedure voor asiel”. Artikel 10 van Richtlijn 2013/32 bepaalt onder meer het navolgende: Vereisten voor de behandeling van verzoeken 1. De lidstaten zorgen ervoor dat verzoeken om internationale bescherming niet worden afgewezen of van behandeling worden uitgesloten louter op grond van het feit dat zij niet zo snel mogelijk zijn gedaan. (…) 3. De lidstaten zien erop toe dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat: (…) b) er nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld uit verschillende bronnen, zoals het EASO en de UNHCR, en relevante internationale mensenrechtenorganisaties, over de algemene situatie in de landen van oorsprong van verzoeksters en, waar nodig, in de landen van doorreis, en dat het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, over deze informatie kan beschikken; (…) Artikel 46 van Richtlijn 2013/32 bepaalt onder meer het navolgende: Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel 1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoeksters een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen: a. a) een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing: i. i) om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus; (…) 3. Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg. (…) Nederlands recht en beleid Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt het navolgende: 1 De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. 2 De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan. 3 De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen. Vreemdelingenwet 2000 Artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 bepaalt onder meer het navolgende: 1 Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. 2 De vreemdeling brengt alle elementen ter staving van zijn aanvraag zo spoedig mogelijk naar voren. Onze Minister beoordeelt in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen. 3 De elementen, bedoeld in het tweede lid, omvatten de verklaringen van de vreemdeling en alle relevante documentatie in het bezit van de vreemdeling. 4 Bij de beoordeling van de aanvraag wordt onder meer rekening gehouden met: a. alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast; b. de door de vreemdeling afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de vreemdeling aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden; c. de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, waartoe factoren behoren als achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, overeenkomen; d. de vraag of zijn activiteiten, sinds hij zijn land van herkomst of een land van eerder verblijf heeft verlaten, uitsluitend ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de vreemdeling, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, zou worden blootgesteld; e. de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de vreemdeling zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn nationaliteit kan beroepen. 5 Het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. 6 Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: a.de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven; b. alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen; c. de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag; d. de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en e .vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. (…) Vreemdelingencirculaire 2000, zoals gewijzigd op 13 juni 2024 In paragraaf C1/4.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is onder meer het navolgende opgenomen: Een asielmotief is een onderwerp of verhaallijn in het asielrelaas van een vreemdeling dat verband houdt met of relevant is bij de beoordeling of iemand te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Hieronder vallen de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. De IND beoordeelt enkel de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de gestelde vervolging door autoriteiten of derden, of de feiten en omstandigheden in het verhaal die kunnen wijzen op ernstige schade. De IND betrekt daarom alleen de verklaringen en documenten die hiermee verband houden (zowel in het voordeel als in het nadeel). Feiten en omstandigheden kunnen zien op gebeurtenissen en op gedragingen. De aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen zich in het land van herkomst al voor het vertrek hebben voorgedaan, maar ook na het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst. Onder gestelde gebeurtenissen worden ook de ‘veronderstellingen’ van de vreemdeling verstaan. Onder ‘veronderstellingen’ verstaat de IND aannames van de vreemdeling die deel uitmaken van de door hem gestelde gebeurtenissen in het verleden. Een asielverzoek kan gebaseerd zijn op meerdere asielmotieven die los van elkaar staan. Het is echter ook mogelijk dat deze asielmotieven tot op zekere hoogte op elkaar doorwerken of met elkaar samenhangen. (…) In paragraaf C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is onder meer het navolgende opgenomen: Beoordeling van de geloofwaardigheid (…) Asielmotief Nadat de IND het asielmotief heeft vastgesteld, beoordeelt de IND de geloofwaardigheid van dat asielmotief. Het onderzoek richt zich daarbij op feiten en omstandigheden. Bij de vaststelling van de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het asielmotief beoordeelt de IND steeds of het asielmotief: •voldoende is onderbouwd met bewijsmateriaal; of •geloofwaardig geacht kan worden op grond van de geloofwaardigheidstoets die volgt uit artikel 31, zesde lid, Vw. (…) 4.3.1. Het onderzoek naar documenten De IND onderzoekt eerst of de vreemdeling het asielmotief voldoende heeft onderbouwd met bewijsmateriaal. Het gaat hierbij om objectieve documenten, die authentiek zijn en waarvan de echtheid kan worden vastgesteld en die bevestigen wat de vreemdeling heeft verklaard. Ook kan het gaan om objectieve, openbare bronnen die de verklaringen van de vreemdeling bevestigen. (…) 4.3.2. Geen of onvoldoende onderbouwing asielmotief met documenten Als de vreemdeling zijn asielmotief niet of onvoldoende heeft onderbouwd met bewijsmateriaal, dan kan de IND de feiten en omstandigheden die aan het asielmotief ten grondslag zijn gelegd (alsnog) als geloofwaardig aanmerken, als de vreemdeling voldoet aan de volgende vijf – cumulatief geformuleerde – voorwaarden van artikel 31, zesde lid, Vw: (…) 4.3.2.6. Eindconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling Aan het eind van de beoordeling van de verschillende feiten en omstandigheden trekt de IND een conclusie ten aanzien van de geloofwaardigheid per asielmotief. Als het asielmotief onvoldoende is onderbouwd met bewijsmateriaal en de vreemdeling voldoet niet aan alle voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, Vw, is het asielmotief niet geloofwaardig. De IND geeft gemotiveerd aan waarom het asielmotief niet geloofwaardig wordt geacht. (…) Rechtsvragen en overwegingen I Onderzoeken en beoordelen van een verzoek om internationale bescherming 10. De eerste prejudiciële vraag die de rechtbank voorlegt betreft de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 2011/95 en meer in het bijzonder het vijfde lid van deze bepaling. De rechtbank stelt in dit verband allereerst vast dat de Nederlandse taalversie van deze bepaling niet overeenkomt met onder meer de Engelse, Franse en Duitse taalversie. Het Hof heeft in haar arrest van 6 oktober 1982 in de zaak Srl CILFIT geduid dat de verschillende taalversies van de teksten van gemeenschapsrecht gelijkelijk authentiek zijn en dat de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht dan ook een vergelijking van de verschillende taalversies vereist. 11. De rechtbank overweegt dat artikel 31, zesde lid, van de Nederlandse Vreemdelingenwet 2000, waarin artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95 is geïmplementeerd, geen aan de Nederlandse taalversie van artikel 4, vijfde lid, van 2011/95 identieke bewoordingen gebruikt. De Nederlandse vreemdelingenwet beschrijft in deze bepaling de situatie dat de verzoeker zijn verklaringen of deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, terwijl in artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95 de situatie wordt beschreven dat bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker ontbreekt. Hoewel het Unierecht de primaire rechtsbron is, wordt na de omzetting van richtlijn 2011/95, de nationale vreemdelingenwet als uitgangspunt gehanteerd voor het formuleren van nationaal beleid en voor het beoordelen van verzoeken om internationale bescherming. De rechtbank acht het reeds daarom noodzakelijk een nadere precisering van het Hof te verkrij

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...