ECLI:NL:RBDHA:2025:11958
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-07-04
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Deze zaak betreft een asielverzoek van een Iraaks gezin met drie meerderjarige dochters. De dochters doen een beroep op vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. De minister heeft een dag voor de zitting de besluiten ingetrokken. Deze handelswijze wordt door de rechtbank gekwalificeerd als misbruik van bevoegdheid en strijdig geacht met artikel 47 Handvest en artikel 46 van de Procedurerichtlijn, waarna de rechtbank de zaken alsnog inhoudelijk beoordeelt. De rechtbank oordeelt dat de motivering van de bestreden besluiten geen stand kan houden. In het beleid (paragraaf C2/3.2.5.2.1 Vreemdelingencirculaire 2000) dat door de minister wordt gehanteerd, wordt ten onrechte verwacht dat de vereenzelviging fundamenteel moet zijn voor de identiteit of morele integriteit van de vrouw en dermate fundamenteel moet zijn, dat van haar niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft. Die eisen in het beleid van de minister zijn in strijd met het arrest K en L en worden daarom buiten toepassing gelaten. De rechtbank meent over voldoende informatie te beschikken om zowel een oordeel te geven over de geloofwaardigheid als de zwaarwegendheid van het asielrelaas. Omdat de rechtspraak van de Afdeling een dergelijk oordeel niet toelaat en de rechtbank twijfelt of die rechtspraak wel in overeenstemming is met het EU-recht, gaat de rechtbank over tot het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank stelt ook een prejudiciële vraag of de uitleg/definiëring van het begrip “gegrond vrees”. De vragen luiden als volgt: 1) Kan de rechtbank aan artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32/EU, al dan niet in samenhang bezien met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU, dan wel aan enige andere bepaling of beginsel van EU-recht, de bevoegdheid ontlenen om een eigen oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas te geven, dat in de plaats treedt van het oordeel dat de minister heeft gegeven? 2) Kan de rechtbank aan een van voornoemde bepalingen de bevoegdheid ontlenen om aan de hand van de door de minister geloofwaardig geachte onderdelen van het asielrelaas en, zo het antwoord op vraag 1 bevestigend is, de onderdelen van het asielrelaas die de rechtbank daarenboven geloofwaardig acht, een inhoudelijk en definitief oordeel te geven over het verzoek om internationale bescherming? Mag de rechtbank daarbij haar eigen oordeel over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade in de plaats stellen van dat van de minister, met name als de rechtbank zich tegen de achtergrond van beschikbare voor het publiek toegankelijke landeninformatie voldoende geïnformeerd acht om een dergelijk oordeel te geven? 3) Kan de nationale rechtspraak, bijvoorbeeld op grond van de procedurele autonomie, de bevoegdheden als bedoeld onder vragen 1 en 2 inperken, in die zin dat die bevoegdheden alsnog exclusief aan de minister worden toebedeeld? 4) Mag de rechtbank informatie die in beroep naar voren is gebracht, maar in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar was, betrekken bij het oordeel over de vraag of hij over genoeg informatie beschikt om een inhoudelijk oordeel te geven? Is daarbij relevant of partijen schriftelijk, dan wel ter zitting zich volledig over de feiten hebben kunnen uitlaten? 5) Dient onder ‘gegronde vrees’ als bedoeld in artikel 2 sub d van richtlijn 2011/95/EU te worden verstaan de situatie dat sprake is van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat bij terugkeer de asielzoeker zal worden vervolgd? Dient die redelijke mate van waarschijnlijkheid te worden ingevuld aan de hand van het criterium van een ‘nuchter en redelijk persoon’, waarbij doorslaggevend is of vanuit het perspectief van een nuchter en redelijk persoon in de positie van de asielzoeker, een terugkeer naar het thuisland onredelijk lijkt na afweging van alle bekende omstandigheden? Zo niet, welk criterium dient dan te worden gehanteerd?
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummers: NL23.29544, NL23.29546 en NL23.29548 T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [ [X] ], [X], [X], [X], [X], [X] en [X] en [X], V-nummers: [X], [X], [X], [X], [X], [X], [X], [X], eisers. (gemachtigde: mr. T. Neijzen), [X]wordt hierna vader genoemd, [X] wordt hierna moeder genoemd, [X], [X] en [X] worden hierna respectievelijk dochter 1, 2 en 3 genoemd. Gezamenlijk worden deze drie dochters als “dochters” aangeduid. en de Minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. B.W. Zagers en mr. M. Dalhuisen). Inhoud 1. Procesverloop 2 2. Overwegingen 4 De intrekkingsbesluiten en de gevolgen daarvan 4 De bestreden en aanvullende besluiten 7 De daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen 8 Gegronde vrees voor vervolging (vanwege de vereenzelviging)? 16 Problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking van de dochters 23 3. Prejudiciële vragen 24 Inleiding 24 Prejudiciële vragen 25 De relevantie van de prejudiciële vragen 26 De voorgestelde beantwoording 27 Verzoek tot spoedbehandeling of versnelde behandeling 32 4. Slotopmerking 33 5. Beslissing 34 1 Procesverloop 1.1. Bij besluiten van 11 september 2023 heeft de minister de asielverzoeken van eisers in de Algemene Asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eisers hebben tegen deze besluiten (bestreden besluiten) beroep ingesteld. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2024 ter zitting behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 30 april 2024 heropend, omdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) had aangekondigd een arrest te wijzen, dat relevant kon zijn voor de zaak van eisers (arrest K en L ). De minister heeft eisers naar aanleiding van dit arrest opnieuw gehoord, vervolgens nieuwe voornemens uitgebracht en bij aanvullende besluiten van 25 februari 2025 is de minister bij de afwijzing van de asielaanvragen gebleven. Wel heeft de minister daarbij een aanvullende motivering gegeven ten aanzien van de door eisers gestelde vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, vrouwenbesnijdenis en uithuwelijking. Eisers hebben aanvullende beroepsgronden ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank op 15 april 2025 aan partijen medegedeeld dat een nieuwe zitting wordt gepland op 13 juni 2025 en heeft daarna op 22 mei 2025 een voorlopige agenda aangaande de behandeling ter zitting aan partijen gestuurd. 1.3. Bij bericht van 26 mei 2025 heeft de minister aan de rechtbank het volgende gecommuniceerd: “Naar aanleiding van het bericht van 22 mei 2025 meent verweerder dat uw rechtbank in onderhavige zaken een uitgebreide behandeling over het thema vereenzelviging met westerse waarden en normen’ en de betekenis daarvan voor vrouwen afkomstig uit Irak van belang acht. Het verbaast verweerder dan ook dat onderhavige zaken niet naar de meervoudige kamer van uw rechtbank zijn verwezen. Indien uw rechtbank van zins is ten aanzien van verwestering en Irak een richtinggevende uitspraak te doen, is een verwijzing naar uw meervoudige kamer naar mening van verweerder passend.” 1.4. Op 2 juni 2025 hebben eisers nadere stukken en een rapport van de Commissie Strategisch Procederen (CSP) van Vluchtelingenwerk ingebracht. 1.5. Bij bericht van 3 juni 2025 heeft de minister de rechtbank het volgende gestuurd: “Bij brief van 26 mei 2025 heeft verweerder bij uw rechtbank onder de aandacht gebracht dat- gelet op de te behandelen thema’s - de behandeling van de beroepen door een meervoudige kamer passend zou zijn. Onder verwijzing naar de uitgebreide gronden van beroep van eisers die bij verweerder op 2 juni 2025 zijn binnengekomen, waaronder een schrijven van de Commissie Strategisch Procederen van Vluchtelingenwerk Nederland waarin de visie over de uitleg en toepassing van belang zijnde arrest C-646/21 inzake L en K is gegeven en is aangekondigd een deskundige op dit gebied mee te nemen, verzoekt verweerder uw rechtbank nogmaals om deze beroepen te laten behandelen door de meervoudige kamer van uw rechtbank.” 1.6. Eisers hebben zich bij schrijven van 4 juni 2025 tegen verwijzing naar de meervoudige kamer verzet, met de volgende motivering: “Eisers zijn van mening dat doorzending van hun beroepen naar een meervoudige kamer voor behandeling hoogst onwenselijk is. De behandeling van deze zaak loopt al ongelooflijk zeer lang. Ook de behandeling van deze beroepen duurt al bijna 2 jaar. De stress van het wachten vreet aan ieder lid van dit gezin maar vooral aan [dochters]. Nogmaals een vertraging is voor eisers dan ook niet acceptabel. Ik verzoek u dan ook de zaak niet door te sturen naar een meervoudige kamer ter behandeling.” 1.7. De rechtbank heeft vervolgens bij procesbeslissing van 4 juni 2025 het verzoek om verwijzing naar de meervoudige kamer afgewezen, met de volgende motivering: “De rechtbank zal de zaak niet verwijzen naar de meervoudige kamer. De rechtbank wijst erop dat het uitgangspunt is dat zaken bij de rechtbank door een enkelvoudige kamer worden afgedaan. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank wijst er daarbij op dat het niet ongebruikelijk is dat een enkelvoudige kamer zich over complexe zaken buigt. Met enige regelmaat wordt immers een claim op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder a Vw gedaan, waarbij de rechtbank zich ook over complexe materie aangaande onder meer de vraag of betrokkene zou kunnen behoren tot een categorie beschreven onder artikel 10 Kwalificatierichtlijn moet buigen. Het gegeven dat partijen verdeeld zijn over de uitleg die aan de rechtspraak van het HvJ EU moet worden gegeven, maakt dit niet anders. Ook een enkelvoudige kamer moet geacht worden in staat te zijn een oordeel te kunnen vellen over de uitleg en gevolgen van de rechtspraak van het HvJ. Daarbij komt dat verwijzing naar een meervoudige kamer de nodige vertraging in een toch al lang lopende procedure met zich zou brengen, zodat ook om die reden een verwijzing naar de meervoudige kamer in dit stadium van de procedure onwenselijk is.” 1.8. Op 11 juni hebben eisers nog een brief van Stichting Vangnet ingediend. 1.9. Op 12 juni in de ochtend heeft de rechtbank de minister verzocht om nog dezelfde ochtend de gehoorverslagen van de aanvullende gehoren aan het dossier te voegen, nu deze nog niet waren geüpload. De minister heeft deze verslagen diezelfde ochtend alsnog geüpload in het dossier. 1.10. Op 12 juni in de middag, rond 16:00, heeft de minister telefonisch contact opgenomen met de rechtbank en medegedeeld dat hij de beschikkingen gaat intrekken. Daarbij is geen verdere toelichting gegeven. De rechtbank heeft vervolgens met alle partijen contact opgenomen en medegedeeld dat de zitting op 13 juni doorgang zal vinden, en daarbij het volgende bericht aan partijen gestuurd: “De Rechtbank heeft zojuist telefonisch van de gemachtigde van de minister begrepen dat de bestreden besluiten zullen worden ingetrokken. De rechtbank wijst op het bepaalde in artikel 6:19 Awb, waaruit volgt dat het onderhavige beroep van rechtswege betrekking heeft op een intrekkingsbesluit. De rechtbank heeft u zojuist telefonisch medegedeeld dat de zitting morgen (13 juni) gewoon doorgang zal vinden. Voor zover nodig roept de rechtbank bij deze de gemachtigde van de minister op om ter zitting te verschijnen (artikel 8:27 Awb) om uitleg te geven over de onderhavige handelswijze. Omdat onduidelijk is of de minister met de intrekkingsbesluiten ook overgaat tot het verlenen van een verblijfsstatus, meent de rechtbank dat eisers vooralsnog belang hebben bij een inhoudelijke behandeling van het beroep. De rechtbank is dan ook voornemens om de zaak inhoudelijk te behandelen conform eerder toegezonden agenda, het is dan ook van belang dat alle partijen ter zitting aanwezig zullen zijn, dus ook cliënten en aangekondigde deskundigen.” 1.11. Na dit bericht heeft de minister de intrekkingsbesluiten, gedateerd op 12 juni 2025, in het dossier geplaatst. In deze besluiten staat onder meer het volgende: “Hierbij deel ik u mede dat de bestreden beschikkingen van 11 september 2023 en de aanvullende bestreden beschikkingen van 25 februari 2025 zijn ingetrokken. Er zal opnieuw op de aanvragen van eisers worden beslist. Eisers mogen deze beslissing in Nederland afwachten. De Minister streeft ernaar zo spoedig mogelijk een nieuw besluit te nemen. Ik neem aan dat het bovenstaande voor u aanleiding vormt het beroep alsmede het verzoek om een voorlopige voorziening, waarvan de zitting plaats zal vinden op 13 juni 2025, in te trekken. Ik verzoek u mij dit zo spoedig mogelijk schriftelijk te bevestigen.” 1.12. De rechtbank heeft de zaak op 13 juni 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. 2 Overwegingen De intrekkingsbesluiten en de gevolgen daarvan Standpunt eisers 2.1. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij op grond van artikel 6:19 Awb belang hebben bij een inhoudelijke behandeling van hun beroep. Zij verzetten zich tegen het voorstel dat de minister ter zitting heeft gedaan om de procedure aan te houden voor het nemen van nieuwe besluiten. Eisers zitten in een zeer langlopende procedure die veel stress met zich brengt en een mentale impact heeft op eisers. Eisers zijn toe aan duidelijkheid en wensen een inhoudelijke behandeling en beoordeling. Standpunt van de minister 2.2. De minister heeft ter zitting toegelicht dat deze zaak een van de eerste zaken is die onder het nieuwe WBV 2024/23 (hierna: WBV) valt, dat naar aanleiding van het arrest K en L is opgesteld, en op een zitting staat gepland. Daarom is het belang van de minister bij deze zaak vrij groot. Er is nog weinig ervaring met deze materie en de WBV, daarom had de minister graag een meervoudige kamer behandeling gezien. Na afwijzing van het verzoek tot verwijzing naar de meervoudige kamer is de minister, in de voorbereiding naar de zitting toe, gaan twijfelen aan de houdbaarheid van de motivering van zijn besluiten. Op de vraag van de rechtbank of de minister al dan niet uitsluit dat uiteindelijk een vergelijkbare beslissing wordt genomen als die thans is ingetrokken, geeft de minister geen concreet antwoord. Het enige dat de gemachtigde wel kan zeggen is dat de zaken van groot belang zijn voor de minister, en hier ook op hoger niveau overleg over wordt gevoerd. Er bestaan verschillende meningen over de interpretatie van het arrest K en L en daarom wil de minister zich toch weer opnieuw beraden. 2.3. De gemachtigde van de minister kan uiteindelijk niet veel meer zeggen dan dat van hogerhand is besloten dat de besluiten worden ingetrokken en het voor de minister echt om een belangrijke zaak gaat. Als gevolg daarvan kunnen (mogen) de gemachtigden het door hen voorbereide verweer ook niet voordragen. De minister heeft ter zitting dan ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid inhoudelijk verweer te voeren. 2.4. De minister begrijpt de frustratie van eisers. Hij wijst er evenwel op dat als gevolg van de intrekkingsbesluiten, de bestreden besluiten zijn vervallen en de aanvraagprocedure dus weer is opengevallen. De rechtbank kan volgens de minister daardoor de zaken ook niet inhoudelijk beoordelen, dat is nu eerst voorbehouden aan de minister. Het oordeel van de rechtbank Juridisch kader 2.5. Artikel 6:19 Awb bepaalt, voor zover relevant, het volgende: 1 Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. […] 6 Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft. 2.6. In artikel 3:3 Awb is het volgende bepaald: Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. 2.7. In artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de EU (Handvest) is het volgende geregeld: Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Het “equality of arms” principe maakt onderdeel uit van het in artikel 47 Handvest neergelegde recht op effectieve rechtsbescherming. 2.8. In artikel 46 van richtlijn 2013/32/EU is onder meer het volgende geregeld: 1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen: a. a) een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing: i. i) om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiaire beschermingsstatus; […] Toegepast op de zaak 2.9. De rechtbank stelt vast dat de aanvullende besluiten van 25 februari 2025 zijn genomen op basis van het door de minister naar aanleiding van het arrest K en L geformuleerde nieuwe beleid. Dit beleid is nog altijd geldend. De rechtbank stelt verder vast dat het arrest K en L is gewezen op 11 juni 2024, zodat de minister inmiddels ruim een jaar de gelegenheid heeft gehad zich te beraden op de gevolgen van deze rechtspraak voor de nationale beslissingspraktijk. Uit het standpunt van de minister blijkt verder dat hij als gevolg van door eiser ingediende aanvullende beroepsgronden, in het bijzonder het rapport van CSP, behoefte heeft aan een nadere reactietermijn, hetgeen wordt bevestigd door het gegeven dat de minister ter zitting heeft voorgesteld de procedure met enige tijd aan te houden zodat de minister een nieuw besluit kan nemen. Hieruit kan worden afgeleid dat dat de minister met de intrekking in wezen heeft getracht de voortgang van de procedure te pauzeren om daarmee voor zichzelf een nadere reactietermijn op de ingediende beroepsgronden te forceren. Dit wordt bevestigd door het gegeven dat de minister op de vraag van de rechtbank of al dan niet is uitgesloten dat na het voorgestelde nader beraad een nieuw besluit komt van eenzelfde strekking met eenzelfde motivering, ontwijkend antwoordt en de minister zijn sinds het arrest K en L geformuleerde beleid nog altijd handhaaft. Het gevolg hiervan is dat de rechtbank niet anders kan dan vaststellen dat de minister een aan hem toekomende bevoegdheid (intrekking) heeft toegepast met een ander doel (het forceren van een extra reactietermijn) dan waarvoor het is verleend (de bevoegdheid tot intrekking of herziening is immers bedoeld om een bestuursorgaan de gelegenheid te geven om – ook gedurende een procedure – onjuistheden in besluitvorming te herstellen). De minister heeft met het intrekkingsbesluit aldus misbruik van bevoegdheid gemaakt, waardoor het intrekkingsbesluit in strijd met artikel 3:3 Awb is genomen en reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. 2.10. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het intrekkingsbesluit een oneigenlijke inmenging van de minister in de procedure bij de rechtbank met zich brengt en strijdig is met artikel 47 Handvest. De rechtbank stelt namelijk vast dat als de minister op de dag voorafgaand aan de zitting om 16:00 om aanhouding had verzocht ten behoeve van het indienen van een nader verweerschrift, dat verzoek als strijdig met de goede procesorde zou zijn afgewezen. De minister heeft zich immers een jaar lang op het arrest K en L en de consequenties daarvan voor de beslispraktijk kunnen voorbereiden. Verder is het door eisers ingediende rapport van CSP relatief beperkt in omvang en is deze ruim voor de zitting ingediend (op 2 juni), zodat de minister ook ruim de gelegenheid had hierop een reactie voor te bereiden die hij ter zitting had kunnen geven. Als, in dergelijke omstandigheden, vervolgens wordt geaccepteerd dat de minister middels een intrekkingsbesluit alsnog een nadere reactietermijn zou kunnen forceren, zou zulks een directe inmenging met het beginsel van “equality of arms” zijn. Eenzelfde mogelijkheid bestaat voor eisers immers niet. Om deze reden dient het intrekkingsbesluit ook als strijdig met het bepaalde in artikel 47 Handvest te worden vernietigd. 2.11. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het intrekkingsbesluit ook strijdig is met het bepaalde in artikel 46 van richtlijn 2013/32/EU, uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 31, tweede lid en overweging 18 van de considerans van richtlijn 2013/32/EU. Één van de doelstellingen van die richtlijn is immers dat asielverzoeken zo snel mogelijk worden behandeld. Indien zou worden geaccepteerd dat de minister een asielverzoek aan rechterlijke toetsing zou kunnen onttrekken door op basis van eigen goeddunken, bijvoorbeeld als de minister zijn proceskansen minder gunstig inschat, een intrekkingsbesluit te nemen, zonder toe te kunnen lichten in welk opzicht hij de oorspronkelijke besluitvorming wil gaan wijzigen, en of het überhaupt tot een inhoudelijke wijziging komt – zoals in casu ook daadwerkelijk is gebeurd – dan zou daarmee aan de minister een bevoegdheid worden toegekend die direct indruist tegen voornoemde doelstelling van richtlijn 2013/32/EU. De minister zou daarmee immers de mogelijkheid worden geboden om een procedure (eindeloos) te traineren. Aangezien eisers op grond van artikel 46 van richtlijn 2013/32/EU toegang moeten hebben tot een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen een door de minister genomen inhoudelijke beslissing over hun asielaanvraag, kan een dergelijke bevoegdheid van de minister niet worden geaccepteerd. 2.12. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank bij einduitspraak het intrekkingsbesluit zal vernietigen. Als gevolg daarvan zullen de bestreden besluiten van 11 september 2023 én de aanvullende besluiten van 25 februari 2025 herleven, zodat eisers belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling, en zo de motivering van die besluiten geen stand houdt, vernietiging van deze besluiten. Deze besluiten zullen in het navolgende dan ook inhoudelijk door de rechtbank worden beoordeeld. De bestreden en aanvullende besluiten 2.13. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister, blijkens diens opvolgende besluiten in samenhang bezien, de volgende relevante elementen: identiteit, nationaliteit en herkomst; problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking van de dochters vrees voor uithuwelijking van dochters vrees voor besnijdenis van dochters de vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. 2.14. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Hij vindt de verklaringen rondom de problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking ongeloofwaardig. Verder acht de minister de vrees voor uithuwelijking en besnijdenis van de dochters niet aannemelijk. Tot slot acht de minister de vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen ongeloofwaardig. 2.15. In het navolgende wordt eerst ingegaan op de vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Daarna wordt ingegaan op de problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking van de dochters. Nu niet is uitgesloten dat de vrees voor besnijdenis en de vrees voor uithuwelijking van de dochters mede beïnvloed kunnen worden door de relevante elementen “vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen” en “problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking van de dochters” en de besluiten ten aanzien van die elementen reeds onvoldoende zijn gemotiveerd, zal de rechtbank de vrees voor uithuwelijking en besnijdenis op dit moment niet als aparte onderwerpen bespreken. De daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen Standpunt eisers 2.16. Eisers stellen zich op het standpunt dat de dochters zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. De dochters zijn op jonge leeftijd naar Nederland gekomen en hebben hun vormende jaren hier doorgebracht. Zij zijn onafhankelijk in hun opleidingskeuzes, kledingkeuzes, partnerkeuzes en willen de mogelijkheid hebben om op zichzelf te kunnen wonen en voor zichzelf keuzes te kunnen maken, op dezelfde manier als mannen dat kunnen. In de dagelijkse praktijk gedragen ze zich daar ook naar. Ze dragen de kleding waarin zij zich prettig voelen, ook onthullende kleding, hebben mannelijke vrienden, gaan naar de sportschool en volgen studies die zijzelf hebben gekozen. Ze worden hierin gestimuleerd door hun ouders, die hen de vrijheid laten om zichzelf te zijn en die zelf een gelijkwaardig huwelijk hebben. Deze onafhankelijke opstelling van de dochters, hun vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, zal in Irak volgens eisers niet worden geaccepteerd. Zij zullen daar als afwijkend worden beschouwd. Standpunt van de minister 2.17. De minister stelt zich op het standpunt dat de daadwerkelijke vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen ongeloofwaardig is. Het bevreemdt de minister dat de dochters zich niet hebben geïnformeerd over de situatie van vrouwen in Irak en welke mogelijkheden zij daar zouden hebben. Werkelijke betrokkenheid bij een thema als gelijkheid tussen mannen en vrouwen zou moeten betekenen dat zij ook kennis willen hebben van de Iraakse situatie. Ook als dat ingewikkeld of confronterend is. Om zich een goed beeld te kunnen vormen van een situatie, iedere situatie, is het een voorwaarde dat iemand zicht heeft op de hele context. Nu de dochters enkel bevestigen inderdaad niet na te willen denken over de situatie in Irak ondergraven zij daarmee dat er in hun geval sprake is van fundamentele vereenzelviging. Ook is onduidelijk waarom bepaalde thema’s, waaronder kleding, bepalend zijn voor de persoonlijke identiteit. Kledingstijl is geen waarde gebleken waarvan niet kan worden verwacht dat de dochters die opgeven of daaraan tegemoet komen. Ook is niet overtuigend over het voetlicht gebracht waarom ‘alleen wonen’ voor de dochters een fundamentele waarde heeft. 2.18. Voorts ontkent de minister niet dat de vrije partnerkeuze een onderdeel is van de identiteit van de dochters, maar de minister meent dat zij die keuze ook in Irak hebben, aangezien zij ruimdenkende ouders hebben. Ook is het mogelijk in Irak opleidingen te volgen en zijn er vrouwen die lid van de politie zijn. De rechtbank begrijpt uit die motivering dat de minister meent dat eisers in dat opzicht niet zonder meer “afwijkend” zijn binnen Irak. Daarbij betrekt de minister ook dat hij niet geloofwaardig acht dat eisers problemen hebben met de stam. Voorts verwijst de minister naar een website van ‘The Kurdisch Center for Studies’ en een nieuwsartikel van Al Jazeera, waaruit volgens de minister voortvloeit dat de dochters de mogelijkheid hebben te studeren en te werken in Irak. Verder overweegt de minister dat de dochters weliswaar met een opleiding zijn begonnen, maar zich op de andere onderwerpen als wonen, werk en relaties nog weinig of niet hebben gemanifesteerd. Tot slot betrekt de minister bij de beoordeling dat de dochters ook niet politiek actief zijn. Voor een fundamentele overtuiging zouden de kennis en activiteiten verder moeten reiken dan de eigen privésituatie. Nu daarnaast is gemotiveerd waarom het niet onmogelijk is voldoende invulling te geven aan thema’s als werken, wonen en partnerkeuze (in Irak), is de conclusie van de minister dat in het geval van de dochters niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van het zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen en dat zij het voordeel van deze gelijkheid in hun dagelijks leven willen blijven genieten. Het oordeel van de rechtbank Juridisch kader 2.19. In het arrest K en L heeft het HvJ onder meer het volgende geoordeeld: “Artikel 10, lid 1, onder d), en lid 2, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming moet aldus worden uitgelegd dat al naargelang de omstandigheden in het land van herkomst, vrouwen uit dat land, minderjarige vrouwen daaronder begrepen, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat zij zich tijdens hun verblijf in een lidstaat daadwerkelijk zijn gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, kunnen worden geacht te behoren tot „een bepaalde sociale groep”, wat een „grond van vervolging” vormt die tot verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden.” Aan dit oordeel liggen onder meer de volgende overwegingen ten grondslag (onderstrepingen door de rechtbank): “44. Hierbij veronderstelt het feit dat een vrouw zich daadwerkelijk vereenzelvigt met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen – wat inhoudt dat zij in haar dagelijks leven het voordeel van deze gelijkheid wil genieten – ten eerste, zoals de advocaat-generaal in punt 34 van zijn conclusie opmerkt, dat zij, onder meer op het vlak van onderwijs en beroepsloopbaan, de mate en aard van activiteiten in de publieke sfeer, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze, vrij haar eigen levenskeuzen kan maken, welke keuzen bepalend zijn voor haar identiteit. Bijgevolg kan het feit dat een vrouwelijke derdelander zich daadwerkelijk vereenzelvigt met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen worden beschouwd als een „kenmerk of geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkene dermate fundamenteel is dat van de betrokkene niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft”. Het maakt in dat verband geen verschil dat deze derdelander niet meent een groep te vormen met andere vrouwen uit derde landen of met alle vrouwen die zich met deze fundamentele waarde vereenzelvigen. 45. Ten tweede kan de omstandigheid dat jonge vrouwen uit derde landen in een lidstaat van ontvangst hebben verbleven tijdens een levensfase waarin een persoon zijn identiteit vormt, en zij zich tijdens dat verblijf daadwerkelijk zijn gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, „een gemeenschappelijke achtergrond die niet gewijzigd kan worden”, als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder d), eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 2011/95, opleveren . […] 48. Wat betreft de tweede voorwaarde voor de identificatie van een „specifieke sociale groep” waarin artikel 10, lid 1, onder d), eerste alinea, tweede streepje, van deze richtlijn voorziet, die verband houdt met de „eigen identiteit” van de groep in het land van herkomst, moet worden vastgesteld dat vrouwen door de directe omgeving als afwijkend kunnen worden beschouwd en kunnen worden erkend als personen met een eigen identiteit in die omgeving, met name ten gevolge van de sociale, morele of juridische normen die in hun land van herkomst gelden [arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C621/21, EU:C:2024:47, punt 52]. 49. Aan deze tweede voorwaarde wordt ook voldaan door vrouwen die een bijkomend gemeenschappelijk kenmerk delen – zoals het feit dat zij zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen – wanneer de sociale, morele of juridische normen die in hun land van herkomst gelden tot gevolg hebben dat deze vrouwen wegens dat gemeenschappelijke kenmerk door de directe omgeving als afwijkend worden beschouwd [zie in die zin arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C621/21, EU:C:2024:47, punt 53]. 50. In dit verband moet worden gepreciseerd dat het staat aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat om te bepalen welke directe omgeving relevant is voor de beoordeling of deze sociale groep bestaat. Deze omgeving kan samenvallen met het gehele derde land van herkomst van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, of kan meer beperkt zijn, bijvoorbeeld tot een deel van het grondgebied of van de bevolking van dat derde land [arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C621/21, EU:C:2024:47, punt 54].” 2.20. Naar aanleiding van dit arrest heeft de minister, voor zover relevant, het volgende beleid geformuleerd in paragraaf C2/3.2.5.2.1 Vreemdelingencirculaire 2000: “Vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen Vrouwen, die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen (verder: vereenzelviging) kunnen al naar gelang de omstandigheden in het land van herkomst behoren tot een ‘sociale groep’. […] De IND toetst aan de hand van een ‘drietrapsbeoordeling’ of een vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging door het behoren tot een sociale groep vanwege vereenzelviging: 1.vaststellen van de vereenzelviging in het individuele geval; 2.vaststellen of de groep waartoe de vrouw stelt te behoren, in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat deze groep in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd; 3.vaststellen of er sprake is van gegronde vrees voor daden van vervolging als gevolg hiervan. Ad 1. De IND moet eerst vaststellen of de vrouw in haar individuele geval aannemelijk heeft gemaakt dat de vereenzelviging is te herleiden naar de fundamentele waarde, die de vrouw hecht aan de gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Bij de vraag of sprake is van vereenzelviging valt te denken aan het maken van zelfstandige en onafhankelijke keuzes die bepalend zijn voor haar identiteit op gebied van onderwijs en beroeps loopbaan, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze. Bij de beoordeling of sprake is van vereenzelviging betrekt de IND in ieder geval: • of de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat de vereenzelviging fundamenteel is voor de identiteit of morele integriteit van de vrouw; • aannemelijk is gemaakt dat deze vereenzelviging dermate fundamenteel is, dat van haar niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft; • de wijze waarop de vrouw aan de in haar dagelijkse leven invulling aan geeft en in het verleden heeft gegeven; • de wijze waarop de vrouw hier invulling aan wenst te geven bij terugkeer naar land van herkomst. Daarbij geldt dat als de vrouw nog weinig tot geen invulling aan de vereenzelviging geeft of heeft gegeven van de vrouw verwacht mag worden dat zij kan uitleggen waarom dit het geval is en waarom de vereenzelviging desondanks fundamenteel is voor haar identiteit. Voor de vrouw die een beroep doet op vereenzelviging geldt dat de gestelde vereenzelviging niet uit politieke of religieuze motieven hoeft voort te komen. Voor zover hier in de praktijk wel sprake van is, wordt verwezen naar paragrafen C2/3.2.5.1 en C2/3.2.5.3 Vc. Als de IND heeft geoordeeld dat van een geloofwaardige vereenzelviging sprake is, wordt overgegaan tot de volgende stap in de beoordeling. Ad 2. Vervolgens beoordeelt de IND of de vrouw als gevolg van de vereenzelviging kan behoren tot een sociale groep. Om als sociale groep aangemerkt te worden, moet de vrouw aannemelijk maken dat zij behoort tot een groep die als gevolg van de vereenzelviging een eigen identiteit heeft, omdat zij als afwijkend wordt beschouwd in de directe omgeving in het land van herkomst. Dit met name als gevolg van de sociale, morele of juridische normen die in het land van herkomst gelden. De IND beoordeelt de aannemelijkheid van de verklaringen van de vrouw over waarom de groep als afwijkend wordt beschouwd, in samenhang met de beschikbare landeninformatie.” Toegepast op de zaak 2.21. De rechtbank stelt voorop dat het arrest K en L geen steun biedt voor het beleid van de minister, voor zover dit van de vreemdeling verlangt dat de vereenzelviging fundamenteel is voor de identiteit of morele integriteit van de vrouw. Noch is er in dat arrest steun te vinden voor het beleid dat die vereenzelviging dermate fundamenteel moet zijn, dat van de vrouw niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft. Uit de hiervoor geciteerde overweging 44 van het arrest K en L volgt, zoals ook de CSP opmerkt, dat de vereenzelviging zelf niet fundamenteel hoeft te zijn. Het begrip fundamenteel zoals dat door het HvJ wordt gebezigd ziet op het fundamentele karakter van het grondrecht van gelijkheid , maar aldus niet op de vereenzelviging van de vreemdeling met die waarde. Voldoende is blijkens die overweging dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat zij in het dagelijks leven het voordeel van die gelijkheid wil genieten en daarbij - kortgezegd - zelf de levenskeuzes die bepalend zijn voor haar identiteit kan maken (zoals vrije keuze ten aanzien van partner, woonsituatie en werk). Indien de vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, dan is er sprake van een daadwerkelijke vereenzelviging en dient dit te leiden tot het oordeel dat sprake is van een kenmerk of geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkene dermate fundamenteel is dat van de betrokkene niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft, zoals bedoeld in artikel 10, lid 1 sub d, eerste alinea, eerste streepje van richtlijn 2011/95/EU. Verder volgt uit overweging 45 van het arrest dat als die daadwerkelijke vereenzelviging zich in Nederland voordoet tijdens een levensfase waarin die vreemdeling zijn identiteit vormt, dit een gemeenschappelijke achtergrond die niet gewijzigd kan worden oplevert, als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder d, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 2011/95/EU. Het is de minister niet toegestaan aanvullende eisen te stellen, die verder gaan dan deze voorwaarden uit het arrest. 2.22. Bijgevolg dient het beleid van de minister voor zover daarin wordt vereist dat de vereenzelviging fundamenteel moet zijn voor de identiteit of morele integriteit en voor zover daarin wordt vereist dat de vereenzelviging dermate fundamenteel is, dat van haar niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft, als strijdig met voornoemde overwegingen uit het arrest K en L, buiten toepassing te worden gelaten. 2.23. De rechtbank is verder van oordeel dat de motivering van de bestreden en aanvullende besluiten onbegrijpelijk is. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister erkent dat de vrije partnerkeuze onderdeel uitmaakt van de identiteit van de dochters. Daarnaast is niet in geschil dat de dochters ieder vrijwillig een eigen studiekeuze hebben gemaakt en daar ook de vrije ruimte van de ouders voor hebben gekregen. Dochter 3 studeert momenteel beveiliging, en wil graag politieagent worden. Dochter 1 wil graag in de ouderenzorg werken. De dochters hebben in de aanvullende gehoren ook uitgebreid verklaard over wat zij leuk vinden aan de studies, waarom het hun passie heeft en welke ambities ze hebben. Zo heeft dochter 2 verklaard over haar ambitie om voor de politie te gaan werken, het liefst in een undercover rol. Blijkens de brief van [naam school] doet zij momenteel de studie Helpende Zorg en Welzijn en heeft ze de droom (ontwikkeld) met kinderen te werken of in het AZC te ondersteunen. Dochter 3 verklaart graag bij de politie aan de slag te gaan, momenteel een opleiding in de beveiliging te doen omdat ze het fijn vindt om mensen te laten weten dat ze veiliger zijn en ze haar uniform dat ze van de opleiding heeft gekregen erg mooi vindt (dit geeft haar een zelfverzekerd gevoel). Beide dochters kunnen de politieopleiding nog niet doen, zo verklaren zij, omdat ze daar een paspoort voor nodig hebben. Daarbij hebben alle drie de dochters verklaard zich te willen kleden hoe zij willen. In het asielzoekerscentrum ervaren ze afwijkend te zijn wanneer ze zichzelf zijn, waardoor zij zich binnen het asielzoekerscentrum wat terughoudend opstellen. Dit uit zich bijvoorbeeld in het zich voor feestjes omkleden op locatie, zodat de andere bewoners uit het asielzoekerscentrum, waaronder Koerden, hen niet kunnen zien in de meer onthullende kleding. Ook op hun keuze om mannelijke vrienden te hebben, worden zij aangesproken door bewoners in het asielzoekerscentrum, waardoor zij ervaren afwijkend te zijn van andere bewoners. Bij de keuzes die de dochters maken vragen ze soms wel input van hun ouders, zodat zij hun perspectief mee kunnen nemen, maar dit doen ze expliciet niet om goedkeuring te vragen. Daar komt bij dat ieder van de dochters ook heeft verklaard veel waarde te hechten aan hun vrijheid en onafhankelijkheid en dat zij het belangrijk vinden dat meisjes en jongens dezelfde vrijheden genieten en dezelfde keuzes kunnen maken. Dochter 3 beschrijft daarbij ook de situatie van een vriendin in het asielzoekerscentrum die van haar familie niet mocht studeren en waar zij erg mee te doen heeft. Dochter 1 beschrijft dat zij bij het vervallen van die vrijheid erg verdrietig zou worden, dood zou gaan in haar hart. De verklaringen en gedragingen van de dochters worden verder ondersteund door de verklaringen van niet alleen de ouders, maar ook door verklaringen van derden, waaronder docenten en mentoren van de school waar de dochters hun opleidingen volgen. Uit die verklaringen komt een beeld naar voren van drie vrouwen die zich, ondanks de moeilijke en onzekere situatie waarin zij gedurende de asielprocedure verkeren, volop inzetten voor hun studie en daar ook succesvol in zijn. Dochter 2 wordt daarbij zelfs omschreven als een modelstudent. Ook de rechtbank is het ter zitting opgevallen dat de dochters stuk voor stuk een goede beheersing hebben van de Nederlandse taal en zich kritisch uitlaten over de wijze waarop zij menen t
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...