ECLI:NL:RBDHA:2024:23786
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2024-12-27
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Opvolgende asielaanvraag vanwege lhbti-gerichtheid. Algerije. Beroep ongegrond. Voorlopige voorziening afgewezen. Verweerder houdt met zijn werkwijze al voldoende rekening met culturele achtergrond van de vreemdeling. Ook voldoende rekening gehouden met referentiekader. Verweerder mocht de verklaringen over de lhbti-gerichtheid ongeloofwaardig vinden en de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.45316 (beroep) en NL24.45317 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. N. Birrou), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. K. Kana). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 23 oktober 2024 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 november 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. 2. De rechtbank heeft het onderzoek op 12 december 2024 gesloten en met instemming van beide partijen bepaald dat de zaken niet op zitting worden behandeld. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2003 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Hij heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn vader, die in Duitsland verblijft, er achter is gekomen dat hij ook op jongens valt. Hij heeft eiser geslagen, werd boos en stuurde hem weg. Bij terugkeer naar Algerije verwacht eiser dat zijn familie geen contact meer met hem wil en dat hij daar misschien wordt mishandeld en bedreigd. 3.1. Eiser heeft bij zijn aanvraag geen documenten overgelegd om zijn huidige asielrelaas te onderbouwen. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief); en eisers problemen vanwege zijn seksuele gerichtheid (ook wel het tweede asielmotief). 4.1. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig gevonden. De problemen van eiser vanwege zijn seksuele gerichtheid heeft verweerder niet geloofwaardig gevonden. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd die dit asielmotief (volledig) onderbouwen. In de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verweerder beoordeeld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft in gediend en daarvoor geen goede verklaring heeft, en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Dat eiser uit Algerije komt is daarnaast onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM . Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eisers verklaringen zijn beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig, eiser de aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen, het gaat om een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard en eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser verwijst allereerst naar zijn verklaringen in de gehoren en de zienswijze. Volgens eiser is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. Verweerder had rekening moeten houden met de achtergrond van eiser. Hij komt uit een cultuur van schaamte en homoseksualiteit is in eisers land van herkomst strafbaar gesteld. Verder is eisers asielrelaas aannemelijk en dient deze geloofwaardig te worden bevonden. Hij heeft voldoende inzicht gegeven in de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid, zijn persoonlijke gevoelens en gedachtegang. Ook heeft eiser voldoende inzicht gegeven in zijn emotionele band met [naam] . Voor zover verweerder daarover meer had willen weten, had zij daarover meer moeten doorvragen. Indien eiser terug moet naar Algerije, zal hij worden blootgesteld aan een risico zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Daarnaast had verweerder de asielaanvraag van eiser niet als kennelijk ongegrond mogen afdoen, omdat hij vreest voor vervolging wegens zijn lhbti-gerichtheid. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 7. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. 8. In de enkele verwijzing van eiser naar wat hij eerder in de procedure heeft aangevoerd en overgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om het besluit te vernietigen. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eerder in de procedure is aangevoerd, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat de motivering in het bestreden besluit onjuist is. De rechtbank gaat hierna in op de in beroep aangevoerde gronden. Heeft verweerder het besluit voldoende zorgvuldig voorbereid? 9. Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter – specifiek met betrekking tot de culturele achtergrond van een vreemdeling – volgt dat verweerder met zijn werkwijze in beginsel al voldoende rekening houdt met de culturele achtergrond van de vreemdeling. Als een vreemdeling met onderbouwing betoogt dat verweerder zijn verklaringen door een cultuurverschil verkeerd heeft begrepen of geduid, dan moet verweerder daar gemotiveerd op ingaan. Verweerder dient in zaken waar geaardheidskwesties spelen door te vragen op de antwoorden van de betrokken vreemdeling. Dit is van belang, omdat de mate waarin iemand zijn gerichtheid in woorden kan vatten per persoon zal verschillen. Niet iedere vreemdeling is namelijk gewend om over zijn persoonlijke ervaringen en gevoelens te praten. 9.1. Anders dan door eiser is aangevoerd, overweegt de rechtbank dat verweerder tijdens het gehoor wel voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De gehoormedewerker heeft voldoende doorgevraagd op de antwoorden van eiser. Dat eiser uit een cultuur komt waar homoseksualiteit taboe is en daardoor niet gewend zou zijn over zijn geaardheid te spreken, maakt niet dat in het geheel geen inzichtelijke of gedetailleerde verklaringen van eiser mogen worden verwacht. Dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid volgt de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet. Heeft verweerder de verklaringen van eiser over het tweede asielmotief ongeloofwaardig mogen vinden? 10. Bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van eisers lhbti-gerichtheid dient verweerder werkinstructie 2019/17 als uitgangspunt te nemen. Volgens deze werkinstructie moet verweerder bij de beoordeling rekening houden met de omstandigheid dat het voor een vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij lhbti is. De enkele stelling van de vreemdeling dat hij lhbti is, is niet voldoende. Verweerder maakt een individuele afweging die onderdeel is van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling overeenkomstig werkinstructie 2014/10, waarbij alle relevante omstandigheden van het geval worden betrokken en in onderlinge samenhang worden gewogen. Het is aan de vreemdeling om de gestelde seksuele gerichtheid tegenover verweerder aannemelijk te maken. Het bepalen van welk gewicht toekomt aan de antwoorden op de vragen die zijn gesteld over iemands seksuele gerichtheid, is sterk afhankelijk van de individuele zaak. Verweerder houdt, net als tijdens het gehoor, hierbij rekening met het referentiekader van de vreemdeling. Bij de beoordeling wordt betrokken of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met hetgeen bekend is over de algemene situatie (ten aanzien van lhbti’ers in het land van herkomst). Het zwaartepunt ligt bij het persoonlijke, authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen. 10.1. Verweerder moet de gestelde seksuele gerichtheid in ieder geval aan de hand van de volgende vier thema’s beoordelen: privéleven; huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti-groepen; contact met lhbti’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie; en discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst. 10.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de biseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft daarbij de volgende omstandigheden kunnen betrekken. 10.3. Eiser heeft onvoldoende inzicht gegeven in hoe hij tot de realisatie is gekomen dat hij op zowel jongens als meisjes valt en wat dit voor hem betekende in een omgeving waarin homoseksualiteit niet geaccepteerd wordt. Zo is er expliciet gevraagd naar het realisatiemoment van de seksuele gerichtheid. Hierop heeft eiser verklaard dat hij zich “prettig voelde onder de jongens” en dat dit “gewoon normaal” was. Bij verder doorvragen blijft eiser herhalen dat het voor hem normaal was. Verweerder mocht vinden dat eiser met deze omschrijving oppervlakkig blijft en geen inzicht geeft over de gevoelens die het realisatiemoment bij hem opriepen. 10.4. Ook mocht verweerder vinden dat eisers verklaringen over [naam] oppervlakkig zijn en geen inzicht bieden in zijn relatie. Zo geeft eiser aan dat zij elkaar in het park ontmoetten en dat de relatie in eerste instantie gewoon contact was dat zich later ontwikkelde. Bij het beschrijven van [naam] gebruikt eiser termen als ‘begripvol’ en ‘rustgevend’, waarvan verweerder mocht vinden dat deze termen ook kunnen wijzen op een vriendschappelijke relatie. Als eiser wordt gevraagd wat hij zo leuk vond aan [naam] , noemt hij voornamelijk de uiterlijke kenmerken van [naam] en dat [naam] eiser financieel ondersteund en begripvol is. Gelet op het feit dat eiser zich al 15 jaar bewust is van zijn geaardheid en twee jaar een relatie heeft gehad met [naam] , mocht verweerder vinden dat eiser gedetailleerder en dieper in kan gaan op deze relatie. Eiser heeft dit niet gedaan. 10.5. Verweerder heeft daarnaast mogen meewegen dat eiser tegenstrijdig en inconsistent heeft verklaard over de problemen naar aanleiding van zijn gestelde seksuele gerichtheid. Zo heeft eiser verklaard dat zijn vader er in Duitsland achter is gekomen dat eiser ook op jongens valt en dat zijn problemen daarna zijn verergerd. Eiser heeft tijdens zijn aanmeldgehoor echter verklaard dat zijn vader in Algerije woont en daar een winkel runt. Toen eiser met deze tegenstrijdigheid werd geconfronteerd, heeft hij verklaard dat zijn vader al 20 jaar in Duitsland woont en eiser op jonge leeftijd heeft verlaten. Eiser zou dit tijdens het aanmeldgehoor hebben verzwegen uit angst om naar zijn vader gestuurd te worden, maar heeft zijn vader vervolgens vrijwillig opgezocht in Duitsland. Omdat de vader van eiser een belangrijke rol speelt in zijn asielrelaas, heeft verweerder een groot gewicht aan deze tegenstrijdigheden mogen toekennen. 10.6. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder een voldoende dragende motivering gegeven en de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig mogen vinden. Heeft verweerder de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond mogen afwijzen? 11. De rechtbank stelt allereerst vast dat Algerije geen veilig land van herkomst is en dat verweerder de asielaanvraag dan ook niet om deze reden als kennelijk ongegrond heeft afgedaan. Verder staat er in dit geval geen rechtsregel in de weg aan het afdoen van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond in het geval dat iemand stelt lhbti te zijn. Gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat eiser in zijn beroepsgronden niet ingaat op de gronden van verweerder voor het afdoen van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond, kunnen eisers beroepsgronden op dit punt dan ook niet slagen. Verweerder mocht eisers asielaanvraag daarom afdoen als kennelijk ongegrond. Conclusie en gevolgen 12. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser op goede gronden heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. 13. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c-e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 ( Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 ( Trb . 1967, 76). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder e-h, van de Vw. Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:341. Uitspraak van de Afdeling van 2 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1982. WI 2019/17 Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd. WI 2014/10 Integrale geloofwaardigheidstoets; inhoudelijke beoordeling (asiel). Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 9-10. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 20. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 20. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 16. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 17. Verslag aanmeldgehoor, p. 7. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 4. Verslag gehoor opvolgende aanvraag, p. 4 en 13.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...