Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2024:23689

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2024-05-10
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL23.14689
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
37.134 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Nigeria. WI 2019/17. Homoseksuele geaardheid en inval niet geloofwaardig. Rapportage LGBT Asylum Support. Beroep ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL23.14689 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. I. Wudka), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser heeft op 4 februari 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 18 april 2023 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, dat eiser Nederland binnen vier weken dient te verlaten en naar Nigeria dient terug te keren en dat geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. 1.1. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 25 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, dhr. M. Idemudia als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Wat oordeelt de rechtbank? 2. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 2.1. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1986. Eiser stelt homoseksueel te zijn. Toen eiser achttien jaar oud was is hij in aanraking gekomen met een priester genaamd [naam] . Met [naam] heeft eiser zijn eerste seksuele ervaring gehad. Eiser en [naam] hadden twee jaar een relatie totdat [naam] werd overgeplaatst naar een andere parochie. Daarna zagen ze elkaar nog af en toe. Later kreeg eiser een relatie met [naam] . Op 22 maart 2016 heeft eiser Nigeria verlaten nadat zijn vriend [naam] in hun woning in Lagos op 15 februari 2016 was opgepakt door de politie vanwege zijn homoseksualiteit. Eiser was van de geldautomaat onderweg terug naar huis toen van een afstand vernam van de inval. 3.1. Twee of drie dagen later heeft hij Lagos verlaten, nadat hij niks meer van [naam] vernam. Vervolgens is eiser teruggekeerd naar Uromi en heeft hij op 22 maart 2016, uit angst voor wat er zou kunnen gebeuren, Nigeria verlaten. In juni 2016 is eiser in Europa aangekomen. Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiser te worden gearresteerd of gedood door zijn familie of de politie. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: identiteit, nationaliteit en herkomst; homoseksuele gerichtheid; inval op 15 februari 2016. 4.1. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn (element 1). De seksuele gerichtheid van eiser en de inval op 15 februari 2016 (elementen 2 en 3) gelooft verweerder niet. Kort samengevat acht verweerder de gestelde homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig omdat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid. Ook heeft eiser volgens verweerder in de context van zijn religie summiere en oppervlakkige verklaringen afgelegd. Daarnaast zijn eisers gestelde relaties met [naam] en [naam] niet geloofwaardig geacht. Verweerder stelt dat eiser niet weet te overtuigen wanneer hij verklaart over hun karakters, wat de relatie met [naam] voor hem heeft betekend en hoe de relatie met [naam] is begonnen. Daarnaast verklaart eiser volgens verweerder tegenstrijdig over het bestaan van LHBTI-organisaties in zijn land van herkomst. De inval op 15 februari 2016 acht verweerder ongeloofwaardig omdat eisers verklaringen over zijn aanwezigheid bij de inval tegenstrijdig zijn, zijn gedragingen tijdens en direct na de inval onnavolgbaar zijn en zijn verklaringen over chantage vanwege het bestaan van foto’s van hem en [naam] verwarrend zijn. De geloofwaardig geachte relevante elementen (identiteit, nationaliteit en herkomst) zijn vervolgens verder getoetst door verweerder. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag en dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn persoonlijke situatie een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Nigeria. Om die reden komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Het standpunt van eiser 5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan. Het oordeel van de rechtbank Homoseksuele gerichtheid - WI 2019/7 en het referentiekader 6. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid heeft verweerder WI 2019/17 als uitgangspunt genomen. Volgens WI 2019/17 is het aan de vreemdeling om de gestelde seksuele gerichtheid nader te onderbouwen. Verweerder moet bij de beoordeling rekening houden met de omstandigheid dat het voor een vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs zijn homoseksuele gerichtheid aannemelijk te maken. De enkele stelling van de vreemdeling dat hij homoseksueel is, is echter ook niet voldoende. 7. In WI 2019/17 is voorts vermeld dat aan de hand van vijf thema’s (het privéleven, huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van LHBTI groepen, contact met LHBTI’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie en discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst) wordt beoordeeld of van de geloofwaardigheid van de gestelde geaardheid van de vreemdeling kan worden uitgegaan. Verweerder maakt een individuele afweging die onderdeel is van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling overeenkomstig WI 2014/10, waarbij alle relevante omstandigheden van het geval worden betrokken en in onderlinge samenhang worden gewogen. Het bepalen van welk gewicht toekomt aan de antwoorden op de vragen die zijn gesteld over iemands seksuele gerichtheid, is sterk afhankelijk van de individuele zaak. Verweerder houdt, evenals tijdens het gehoor, hierbij rekening met het referentiekader van de vreemdeling (opleidingsniveau, leeftijdsfase, cultuur, afkomst etc.). Bij de beoordeling wordt betrokken of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met hetgeen bekend is over de algemene situatie (ten aanzien van LHBTI’s) in het land van herkomst. 8. Volgens WI 2019/17 ligt het zwaartepunt op de antwoorden op vragen over eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar een LHBTI-geaardheid maatschappelijk onacceptabel is of strafbaar is gesteld. 9. Uit WI 2019/17 volgt verder dat verweerder bij de beoordeling rekening houdt met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling. Elke vreemdeling heeft immers een eigen referentiekader op basis van onder andere opleiding, culturele achtergrond en levensfase. 10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt zoals dat is weergegeven in de overgelegde rapportage van [naam] van 26 september 2023 dat verweerder bij zijn besluitvorming geen duidelijk referentiekader heeft weergegeven, onvoldoende rekening zou hebben gehouden met eisers referentiekader en niet zou hebben gehandeld conform WI 2019/17. Zo heeft verweerder in zijn besluitvorming aan de hand van de vijf thema’s beoordeeld of van de geloofwaardigheid van de gestelde geaardheid kan worden uitgegaan. Daarbij heeft verweerder in de bestreden besluitvorming niet ten onrechte gesteld dat van eiser verwacht mag worden dat hij inzicht geeft in zijn persoonlijke gevoelens en gedachten en de keuzes die hij heeft gemaakt en dat het op de weg van eiser ligt zijn gestelde seksuele gerichtheid te onderbouwen. Terecht stelt verweerder in dit verband dat eiser tijdens het nader gehoor door de gehoormedewerker meerdere malen is uitgelegd wat er van hem wordt verwacht. Zo is eiser voorgehouden dat het belangrijk is dat eiser over zijn persoonlijke gevoelens, gedachten en ervaringen vertelt zodat eiser en de gehoormedewerker daarover met elkaar in gesprek kunnen gaan. Daarbij is aan eiser uitgelegd dat eiser door dit te doen inzichtelijk kan maken welke plek homoseksualiteit inneemt in zijn leven en wat het voor hem betekent om homoseksueel te zijn (zie pagina 18 van het rapport nader gehoor). Eiser heeft daarop ook aangegeven dat hij dit begreep en wanneer eiser vervolgens in het nader gehoor een algemeen antwoord gaf, wees de gehoormedewerker eiser erop dat hij niet op zoek is naar algemene verhalen over homoseksuelen maar naar de ervaringen en gevoelens van eiser en hoe hij dingen heeft beleefd (zie pagina 21 van het rapport nader gehoor). 11. Verweerder heeft ook bij zijn beoordeling voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader. Verweerder heeft weliswaar niet voorafgaand aan zijn beoordeling eisers referentiekader afzonderlijk uiteengezet, maar hij heeft dit referentiekader in de besluitvorming wel benoemd en bij de verschillende onderdelen kenbaar betrokken in de besluitvorming. Zo heeft verweerder op verschillende punten in de besluitvorming benoemd rekening te hebben gehouden met eisers nauwe betrokkenheid bij de rooms-katholieke kerk en met de omstandigheid dat eiser gedurende vele jaren van zijn leven in een voor hem zeer onvriendelijke samenleving heeft gewoond die vijandig stond tegenover homoseksuelen en waarin homoseksualiteit bestraft wordt. Ook heeft verweerder benoemd rekening te hebben gehouden met het feit dat eiser hoog opgeleid is. Eiser is er niet in geslaagd om te benoemen waar het referentiekader door verweerder onvoldoende is betrokken of welke tegenwerpingen daardoor onterecht zijn. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder conform WI2019/17 heeft getoetst. 12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de homoseksuele gerichtheid van eiser daarbij niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. - Privéleven en (voorgaande) relaties i. De ontdekking van zijn geaardheid 13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers gestelde geaardheid kunnen betrekken dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over het ontdekken van zijn homoseksuele gevoelens en hoe hij dit persoonlijk heeft beleefd. Eiser heeft verklaard dat het allemaal is begonnen in de puberteit. Hij kreeg toen de behoefte om zijn seksualiteit te onderzoeken en omdat hij toen nog geen toegang had tot het internet deed hij dit met tijdschriften. Ook heeft hij verklaard dat hij in de puberteit erecties kreeg bij mannen, meer dan bij vrouwen. Hij was toen ongeveer veertien á vijftien jaar oud. En verder heeft hij verklaard over de seksuele contacten met [naam] en dat hij zich daarna bewust was van de risico’s in Nigeria. Eiser geeft echter onvoldoende inzicht in hoe hij met zijn gevoelens voor andere mannen omging wanneer dat aan hem wordt gevraagd, terwijl de gehoormedewerker wel aan eiser heeft aangegeven dat hij over zijn gevoelens en gedachten diende te spreken. 14. Verweerder heeft ook bij zijn standpunt kunnen betrekken dat eiser oppervlakkig en onvoldoende inzichtelijk heeft verklaard over hoe hij als rooms-katholieke homoseksueel omging met de omstandigheid dat zijn kerk homoseksualiteit afwijst. Nu het geloof een prominente rol heeft gespeeld en nog steeds speelt in het leven van eiser en dit geloof zijn gestelde seksuele gerichtheid afwijst, mag van eiser worden verwacht dat hij meer inzicht geeft in wat dit met eiser doet en hoe hij hiermee is omgegaan. Verweerder stelt niet ten onrechte dat het feit dat eiser dit heeft nagelaten afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn homoseksuele gerichtheid. ii. De relatie met [naam] 15. Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen die eiser over (zijn relatie met) [naam] heeft afgelegd niet overtuigend zijn. Zo heeft eiser verklaard dat hij op enig moment aan priester [naam] vroeg wat hij ervan vindt dat een man zich seksueel aangetrokken voelt tot een andere man, maar eiser heeft niet toegelicht waarom die vraag op dat moment kon worden gesteld, terwijl het stellen van een dergelijke vraag een gevaar voor het leven van eiser kon opleveren. De enkele stelling in beroep dat eiser zou hebben uitgelegd dat deze vraag opkwam in samenhang met hetgeen waarover zij spraken, wordt niet ondersteund door het rapport nader gehoor en is, zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, hiervoor onvoldoende. Verder overtuigen eisers antwoorden op de vraag wat het met eiser deed om plots seks te hebben met de priester niet. Eiser heeft wel verklaard dat hij er geen spijt van had en het ook wel wilde, dat het oké was, hij er blij van werd en hem vreugde gaf, maar nu dit de eerste keer was dat hij uiting kon geven aan zijn seksuele gevoelens voor een man, mocht verweerder op dit punt meer van eiser verwachten. Verweerder stelt verder eveneens niet ten onrechte dat eiser ook niet overtuigend verklaart wanneer hem wordt gevraagd naar zijn gevoelens voor [naam] en wat [naam] voor hem heeft betekend. Eiser verklaart eerst dat hij de eerste maanden heel intens contact had met [naam] , dat de relatie vriendschappelijk bleef en dat zij over van alles spraken. Later zouden hun gesprekken eiser dichter bij [naam] hebben gebracht, miste eiser [naam] als hij er niet was, gaf hij veel steun en was er sprake van liefde. Daarentegen bagatelliseert eiser later in het nader gehoor zijn relatie met [naam] . Hij verklaart namelijk dat hij zijn contact met [naam] zag als een verhouding en niet als een relatie omdat hij geen toekomst zag in de relatie en dat het vooral ging om seks. 16. Voor zover eiser in beroep stelt dat hij de relatie met [naam] niet heeft gebagatelliseerd, heeft verweerder hem daarin niet hoeven volgen. Eiser heeft namelijk op pagina 23 en 25 van het nader gehoor verklaard: “Ik kreeg waar ik behoefte aan had, hij kon me dat geven. Dat zat in aanrakingen, in spullen die hij voor mij kocht en ook natuurlijk in seks”. Wanneer de gehoormedewerker hierop doorvraagt en eiser op verschillende manieren vraagt of hij ook andere behoeftes had waaraan [naam] tegemoet kwam, antwoordt eiser dat dit niet het geval was. Anders dan eiser in beroep stelt, is daarmee van een uitgebreide beschrijving vanuit verschillende invalshoeken van de waarde van de relatie, geen sprake. 17. Verweerder stelt niet ten onrechte dat het feit dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de betekenis van zijn relatie met [naam] afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde relatie. 18. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser summier heeft verklaard over wat hij aantrekkelijk vond aan [naam] . Zo heeft hij verklaard dat hij hem zag als een normaal mens, dat [naam] een mooie en zorgzame man was en dat hij eiser financiële steun gaf. Zoals hiervoor al is overwogen heeft eiser op de meermaals door de gehoormedewerker gestelde vraag of [naam] naast de seks, aanrakingen en spullen nog andere behoeftes voor hem vervulde geantwoord: “Nee, ik had geen andere behoeften”. In de correcties en aanvullingen stelt eiser weliswaar dat hij de vraag niet begreep en dat [naam] in ‘een breder en dieper scala’ aan zijn behoeften tegemoet kwam, maar deze aanvullende verklaring licht hij vervolgens niet toe. Aangezien eiser al meer dan tien jaar contact heeft met [naam] en ook anderhalf jaar een relatie met hem heeft gehad mag verweerder van eiser verwachten dat hij gedetailleerdere verklaringen kan afleggen over [naam] . Eiser is hierin niet geslaagd. Eisers beroepsgrond dat hij een uitgebreid en zeer persoonlijk beeld van zijn relatie met [naam] heeft geschetst waarbij hij afwisselend het accent legde op een of meerdere aspecten van die relatie, slaagt gelet op het voorgaande niet. iii. De relatie met [naam] 19. Verweerder heeft ook aan eiser kunnen tegenwerpen en bij zijn standpunt kunnen betrekken dat de verklaringen die eiser over [naam] heeft afgelegd diepgang missen en onvoldoende overtuigend zijn, waardoor deze afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de relatie met [naam] . Ten eerste valt niet zonder meer in te zien dat eiser tegen een volstrekt onbekende man die hij hoogstens drie weken kent heeft verteld dat hij homoseksueel is, iets dat in Nigeria tot jarenlange gevangenisstraf kan leiden. Eiser verklaart deze gang van zaken door te stellen dat hij [naam] al vrij snel vertrouwde en dat het niet zo vreemd is zijn gevoelens met hem te delen omdat hun verhouding al snel in de intieme sfeer terechtkwam doordat hij [naam] masturberend aantrof. Hun verdere contacten schepten daardoor volgens eiser al vrij vlug een vertrouwensband, waarin eiser zich open en kwetsbaar durfde op te stellen. Eiser heeft zelf echter verklaard dat masturberen niet is voorbehouden aan homoseksuelen. Niet valt in te zien waarom eiser door het aantreffen van [naam] die aan het masturberen was over zijn homoseksualiteit durfde te praten tegen iemand die hij nog maar zo kort kende. Te meer niet, nu eiser ook heeft verklaard dat hij in de acht jaar voor de ontmoeting met [naam] geen invulling heeft gegeven aan zijn homoseksualiteit omdat hij daarvoor een bepaalde veilige omgeving nodig had. Eiser heeft ook niet toegelicht waarom [naam] hem die veilige omgeving gaf. Dat de groei naar een vertrouwens- of liefdesband zich in bepaalde relaties langzaam voltrekt maar in andere relaties heel snel kan gaan, is een zeer algemeen verklaring en maakt het vorenstaande niet anders. Daar komt bij dat eiser niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarop hij baseerde dat [naam] ook homoseksueel zou zijn. De verklaring dat zij met elkaar spraken over meisjes en dat eiser naar de reactie van [naam] keek, is daarvoor niet voldoende. 20. Verder heeft verweerder eveneens niet ten onrechte gesteld dat de verklaringen die eiser over zijn gevoelens voor [naam] heeft afgelegd diepgang missen en onvoldoende overtuigend zijn. Zo verklaart eiser wanneer hem wordt gevraagd wat voor gevoelens [naam] in hem losmaakte dat hij blij was met [naam] omdat hij paste in het profiel van zijn wensen. Hij was even oud als eiser en eiser kon op een gelijkwaardig niveau met hem spreken. Als de gehoormedewerker dan nogmaals vraagt wat [naam] had dat bij eiser deze gevoelens ontstonden, verklaart eiser dat hij het heel fijn vond als zij seks met elkaar hadden. Niet ten onrechte stelt verweerder dat eisers verklaringen in zoverre diepgang missen. 21. Gelet op voornoemde overwegingen kan eiser niet worden gevolgd in zijn algemene standpunt in beroep dat hij – anders dan verweerder stelt - tijdens zijn nader gehoor wel zeer uitgebreid en gedetailleerd zou hebben verklaard. iv. De nadere verklaringen in de zienswijze 22. Wat betreft eisers verwijzing naar de door hem eerst in de zienswijze kenbaar gemaakte en uitgediepte verklaringen over zichzelf, [naam] , [naam] en Nederland, overweegt de rechtbank als volgt. 23. Volgens de WI 2019/17 ligt het zwaartepunt op de verklaringen die eiser tijdens het nader gehoor aflegt en dus niet op verklaringen of nadere toelichtingen die eiser nadien heeft opgesteld en in de zienswijze heeft weergegeven. Verweerder stelt zich terecht in het bestreden besluit en verweerschrift op het standpunt dat indien een vreemdeling eerst in de zienswijze met een aanvulling van zijn eerdere verklaringen komt, van hem mag worden verwacht dat hij uitlegt waarom hij die verklaringen niet reeds tijdens het nader gehoor naar voren heeft gebracht. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd overweegt dat eiser - met de enkele verklaring dat pas bij het voornemen bleek dat verweerder eisers verklaringen tijdens het nader gehoor kennelijk niet voldoende vond - onvoldoende heeft toegelicht waarom hij pas in de zienswijze de door hem opgestelde nadere verklaringen over zijn eigen ervaringen en persoonlijke beleving tot zijn seksuele gerichtheid, [naam] , [naam] en Nederland naar voren heeft gebracht. Zo heeft verweerder terecht gesteld dat de bedoelde vragen, die zien op eisers gevoelsbeleving, tijdens het nader gehoor meerdere malen en op verschillende manieren aan eiser zijn gesteld. Daarnaast zijn er twee dagen – 7 november 2022 en 16 november 2022 – aan het nader gehoor besteed. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser gelet hierop voldoende in de gelegenheid is gesteld om al tijdens het nader gehoor persoonlijk en inzichtelijk te verklaren over zijn gevoelsbeleving. Bovendien is aan eiser aan het begin van beide delen van het nader gehoor verteld dat indien hij moeite heeft met de vragen, om welke reden dan ook, hij dit op elk gewenst moment kan aangeven. Dit heeft eiser niet gedaan. Ook heeft eiser na afloop van de gehoren zelf aangegeven dat hij zich vrij voelde om zichzelf uit te drukken. Reeds gelet hierop heeft verweerder aan de nadere verklaringen in de zienswijze niet de door eiser gewenste waarde hoeven toekennen. Verweerder mocht bij zijn beoordeling uitgaan van het rapport van nader gehoor. 24. Daar komt bij dat verweerder wat betreft de in de zienswijze geciteerde nadere verklaringen niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat eiser ook hiermee nog steeds niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij zijn gestelde seksuele gerichtheid persoonlijk heeft beleefd en wat het met hem deed. Zo heeft verweerder in het bestreden besluit op pagina 2 en 3 voldoende gemotiveerd toegelicht dat eiser ook met deze aanvullende verklaringen zijn relaas niet persoonlijk maakt. Verweerder heeft daarbij onder meer aan eiser kunnen tegenwerpen dat eiser ook in de aanvullende verklaring in de zienswijze oppervlakkig blijft in zijn verklaring over [naam] . In dat kader stelt verweerder niet ten onrechte dat eiser weliswaar verklaart dat de seks met [naam] in het begin niet leuk was en dat hij er pas na een tijdje van kon genieten, maar eiser legt niet uit wat de liefde voor [naam] met hem deed. Dat geldt ook voor zover eiser aanvullend heeft verklaard dat hij van [naam] hield en dat het een risico was. Ook daarbij verklaart eiser niet wat het risico met hem deed, zodat verweerder niet ten onrechte stelt dat eiser zijn verklaringen niet persoonlijk maakt. Voor zover eiser in beroep niet heeft aangegeven dat en in welke zin verweerder in zijn motivering op dit punt tekort is geschoten, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Het enkel verwijzen naar de zienswijze kan immers niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. 25. Ook heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat de toelichting in de zienswijze dat hij marginalisatie, discriminatie en geweld heeft ervaren vanwege zijn geaardheid, niet overeenkomt met zijn eerdere verklaring tijdens het nader gehoor dat eiser afgezien van de inval in 2016 nooit persoonlijke problemen heeft gehad als gevolg van zijn seksuele gerichtheid. Ook om die reden heeft verweerder aan de aanvullende verklaringen in de zienswijze niet het gewicht hoeven toekennen dat eiser daaraan gehecht wenst te zien. 26. De rechtbank volgt eiser tot slot ook niet in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat hij naar aanleiding van zijn nadere verklaringen in de zienswijze aanvullend had moeten worden gehoord, nu verweerder zoals reeds hiervoor is overwogen niet ten onrechte heeft gesteld dat eiser met deze verklaringen nog immer onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij zijn gestelde seksuele gerichtheid persoonlijk heeft beleefd en wat het met hem deed. - Contact met of kennis van LHBTI (groepen) in Nigeria en in Nederland 27. Verweerder heeft verder ook niet ten onrechte bij zijn standpunt betrokken dat het niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van eisers homoseksuele gerichtheid dat eiser niet bekend was met LHBTI-groepen in Nigeria. Eiser stelt weliswaar in beroep dat het taboe dat er in Nigeria bestaat en de omstandigheid dat hij zijn homoseksualiteit in eigen intieme sfeer beleefde hem er nooit toe hebben gebracht hiernaar navraag te doen, maar dit volgt de rechtbank niet zonder meer. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt immers niet in te zien dat eiser geen enkele poging heeft gedaan hierover informatie in te winnen. Niet alleen zijn eiser maar ook [naam] hoog opgeleid en zaten ze allebei op sociale media, maar uit eisers verklaringen blijkt ook dat zij wel op de hoogte waren van de situatie in Nederland voor homoseksuelen. Onder die omstandigheden valt niet in te zien waarom eiser geen pogingen heeft ondernomen om informatie in te winnen over belangenorganisaties in Nigeria. 28. De omstandigheid dat eiser op de hoogte is van de positie van LHBTI’s in de Nigeriaanse samenleving en van incidenten jegens homoseksuelen heeft verweerder niet ten onrechte slechts licht in eisers voordeel meegewogen wat betreft de geloofwaardigheid van eisers homoseksuele gerichtheid. Niet alleen is dit algemeen bekende en gemakkelijk verkrijgbare informatie en verklaart eiser enkel over twee incidenten, waarvan één al relatief lang geleden is terwijl volgens Human Rights Watch juist na 2014 er sprake is van een aanzienlijke toename van geweld en afpersing en eiser niet over recentere incidenten verklaart, ook ligt het zwaartepunt van de beoordeling van de gestelde homoseksualiteit van eiser op de verklaringen die eiser ten aanzien van zijn privéleven en (voorgaande) relaties heeft afgelegd. Zoals hiervoor is overwogen heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat deze verklaringen over hoe hij is omgegaan met een samenleving die vijandig stond tegen homoseksuelen persoonlijke diepgang en details missen. 29. Verder heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte eveneens enig positief gewicht toegekend aan het feit dat eiser in Nederland contact heeft met LHBTI’s in Nederland en deelneemt aan activiteiten van het COC en andere LHBTI-belangenorganisaties, zoals ook blijkt uit de in beroep overgelegde foto’s en verklaringen van belangenorganisaties. De verklaring van [naam] , Coördinator COC Groningen/Drenthe Asiel Groep, en de foto’s van eiser met andere activisten van het COC bij de ingang van zijn AZC, van deelname aan de Pride Parade en nationale coming out tour 2023 vormen immers een onderbouwing van het thema “Contact met LHBTI’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie”, zoals genoemd in Werkinstructie 2019/17. Evenwel heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan deze stukken – gelet op de integrale weging van die overige vier thema’s uit Werkinstructie 2019/17 – onvoldoende positief gewicht toekomt om de verder niet overtuigende verklaringen van eiser wat betreft zijn homoseksuele gerichtheid te compenseren. Verweerder is bovendien niet ten onrechte op zoek naar eisers eigen beleving bij die activiteiten en naar wat deelname aan deze activiteiten met eiser doet. Verweerder heeft zich in dat kader niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft weten te maken wat het persoonlijk voor hem betekent om in Nederland uiting te kunnen geven aan zijn geaardheid en deel te nemen aan bijeenkomsten van het COC nadat hij ongeveer 30 jaar als homoseksueel heeft geleefd in een voor hem zeer onvriendelijke samenleving. Met de verklaringen dat het voelt alsof oude wonden worden geheeld en dat het zo goed voelt dat hij ook goed droomt en goed slaapt, maakt eiser namelijk niet voldoende inzichtelijk wat het met hem doet dat hij in Nederland in alle vrijheid kan leven, dat hij andere homoseksuelen kan ontmoeten en relaties aangaat met andere mannen. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat eisers verklaringen hieromtrent onvoldoende overtuigen. - Conclusie homoseksuele geaardheid 30. Gezien het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte eisers gestelde homoseksualiteit ongeloofwaardig geacht. Dat wat eiser in beroep hierover heeft aangevoerd slaagt niet. De inval op 15 februari 2016 31. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook de inval op 15 februari 2016 niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft ten eerste bij dit standpunt kunnen betrekken dat nu de homoseksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de problemen die eiser hierdoor stelt te hebben ondervonden, waaronder de inval op 15 februari 2016. 32. Verder heeft verweerder bij dit standpunt kunnen betrekken dat eiser tegenstrijdig en onnavolgbaar heeft verklaard over zijn aanwezigheid bij de inval en zijn gedragingen tijdens de inval. Zo heeft hij aan de ene kant verklaard dat hij tijdens de inval niet thuis was maar dat hij terugliep naar het huis en dat hij op een afstand getuige was van de inval, maar bleef hij anderzijds gedurende het nader gehoor herhalen dat hij zelf ook is betrapt. Dat het - naar eiser stelt - logisch is dat de betrapping van beide mannen niet op het moment van de inval was omdat eiser er toen niet was en dat de politie naar aanleiding van een tip na betrapping is overgegaan tot de inval, berust - zoals eiser ter zitting heeft toegelicht - uitsluitend op vermoedens van eiser. Bovendien neemt dit niet weg dat eiser daaromtrent anders heeft verklaard. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor (ook) verklaard: “zijn we betrapt door mensen” en “in mijn situatie dat ik betrapt ben”. Hiervan is eiser later teruggekomen, waarbij hij heeft verklaard dat hij ten tijde van de inval niet thuis was. Verweerder stelt terecht dat deze verklaringen niet met elkaar stroken. Verder heeft eiser ook verklaard dat omstanders tegen eiser zouden hebben gezegd “we hebben ze opgepakt, ze zijn betrapt, en nu is het klaar”. Verweerder stelt terecht dat dit niet rijmt met eisers verklaringen dat alleen [naam] en dus één persoon zou zijn opgepakt. Daarbij heeft verweerder het niet ten onrechte onaannemelijk geacht dat eiser, ook als hij zich daarbij op veilige afstand hield, vragen heeft gesteld aan meerdere omstanders, met het risico dat hij herkend zou worden door naaste buurtgenoten en dat eiser niet wegliep. Niet valt immers uit te sluiten dat eiser zou worden herkend aangezien eiser al meer dan een jaar in dat huis woonde waar de inval plaatsvond en, zoals eiser in de correcties en aanvullingen heeft benoemd, vrijwel iedereen in de buurt wist dat eiser samenwoonde met [naam] . Dat niet kenbaar was dat eiser en [naam] onderling een relatie hadden zoals eiser in beroep stelt, doet daar niet aan af. 33. Verweerder heeft ook bij dit standpunt kunnen betrekken dat eiser verwarrende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de omstandigheid dat hij zou zijn bedreigd en gechanteerd vanwege foto’s van hem en [naam] . Tijdens het nader gehoor heeft eiser namelijk eerst verklaard dat er foto’s zijn genomen en dat hij daarmee bedreigd en gechanteerd werd en pas nadat hier door de gehoormedewerker kritisch op werd doorgevraagd, verklaard dat hij nooit foto’s heeft gezien, niet weet of deze zijn gemaakt en dat hij niet is gechanteerd. In beroep is gesteld dat eiser heeft uitgelegd dat hij op basis van wat hij zag zich is gaan voorstellen wat er waarschijnlijk moet zijn gebeurd en wat voor gevolgen dat zou kunnen hebben en dat een verklaring zoeken is wat iedereen doet die met iets onverwachts en gevaarlijks wordt geconfronteerd. Maar dit neemt niet weg dat eiser hieromtrent verwarrend en tegenstrijdig heeft verklaard en niet direct heeft aangegeven dat dit uitsluitend vermoedens van hem betreffen. Ook in de correcties en aanvullingen heeft eiser de door hem op dit punt afgelegde verklaringen niet gecorrigeerd. Verweerder stelt niet ten onrechte dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de inval op 15 februari 2016. 34. Verweerder heeft bovendien bij zijn standpunt kunnen betrekken dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij eerst nog een paar weken in Nigeria is gebleven en daarna toch heeft besloten om Nigeria definitief te verlaten. 35. Tot slot heeft verweerder bij het standpunt dat de inval op 15 februari 2016 niet geloofwaardig is kunnen betrekken dat de vervolging van eiser door de Nigeriaanse autoriteiten niet kan worden gevolgd. Eiser heeft weliswaar verklaard dat de politie actief op zoek was naar hem, maar dit rijmt niet met eisers verklaring dat hij vervolgens ruim een maand na de inval zonder problemen Nigeria heeft weten te verlaten met zijn eigen paspoort. Eiser stelt in beroep (met een verwijzing naar de zienswijze) dat het niet raar is dat eiser het land heeft kunnen verlaten omdat het niet te verwachten is dat de autoriteiten zouden kunnen zien of er tegen iemand wellicht een strafrechtelijk onderzoek loopt, maar deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. 35. Uit het voorgaande volgt dat verweerder ook de inval op 15 februari 2016 ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Dat wat eiser in beroep hierover heeft aangevoerd, slaagt niet. Rapportage van [naam] van LGBT Asylum Support van 26 september 2023 37. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat verweerder onvoldoende waarde heeft toegekend aan de in beroep overgelegde rapportage van LGBT Asylum Support. Het is aan verweerder om een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten, waarbij hij slechts beperkt gewicht hoeft toe te kennen aan rapporten waarin een eigen oordeel wordt gegeven over de gestelde seksuele gerichtheid op basis van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:977, onder 5.10). Verweerder betoogt in zijn verweerschrift terecht dat de opsteller van het rapport grotendeels een eigen waardering van de verklaringen van de vreemdeling heeft gegeven, met daarbij een uiteenzetting waarom hij anders dan verweerder tot het oordeel komt dat de gestelde seksuele gerichtheid wel geloofwaardig is. Dat de opsteller van het rapport op basis van deze eigen waardering kritiek levert op de geloofwaardigheidsbeoordeling, maakt nog niet dat de motivering van verweerder ondeugdelijk is (zie de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1508). Gelet hierop heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze rapportage geen afbreuk doet aan de juistheid van het bestreden besluit. 38. Voor zover de rapportage naast voornoemde eigen waardering van de verklaringen van eiser ook opmerkingen bevat over het referentiekader, zijn deze kanttekeningen hiervoor reeds besproken en beoordeeld door de rechtbank. Conclusie en gevolgen 39. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als ongegrond in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C.M. Boerboom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 mei 2024 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...